Deze leer­re­de is een van de mees­ter­wer­ken uit de Pali‐Canon. In zijn kern is het een alom­vat­tend por­tret van het Boed­dhis­ti­sche pad van beoe­fe­ning, waar­bij elk sta­di­um van de beoe­fe­ning met leven­di­ge ver­ge­lij­kin­gen wordt geïl­lu­streerd. Dit por­tret wordt naast de Boed­dhis­ti­sche kijk op ande­re riva­li­se­ren­de filo­so­fen van die tijd geplaatst, waar­mee wordt getoond hoe de Boed­dha – in tegen­stel­ling tot de inflexi­be­le, popu­lis­ti­sche aan­pak van zijn tijd­ge­no­ten – zijn leer op een manier uit­een­zet­te die toe­ge­sne­den en gevoe­lig was voor de behoef­ten van zijn toe­hoor­ders. Dit gro­te­re por­tret van het intel­lec­tu­e­le land­schap van het vroe­ge Boed­dhis­ti­sche India wordt op zijn beurt gepre­sen­teerd in een ont­roe­rend ver­haal: het ver­drie­ti­ge ver­haal van Koning Aja­ta­s­attu.

Aja­ta­s­attu was de zoon van Koning Bim­bis­a­ra van Magad­ha, een van de Boeddha’s eer­ste vol­ge­lin­gen. Aan­ge­moe­digd door Deva­dat­ta – de neef van de Boed­dha, die de steun van Aja­ta­s­attu wil­de gebrui­ken in zijn poging om de posi­tie van de Boed­dha als hoofd van de Sang­ha over te nemen – zorg­de Aja­ta­s­attu voor de dood van zijn vader:  zodat hij de troon voor zich­zelf zeker kon stel­len. Als gevolg van zijn kwa­de daden was hij niet alleen voor­be­stemd om door zijn eigen zoon ver­moord te wor­den – Uday­ib­had­da (genoemd in de leer­re­de) – maar ook om onmid­del­lij­ke weder­ge­bo­ren te wor­den in een van de laag­ste regi­o­nen van de hel.

In deze leer­re­de bezoekt Aja­ta­s­attu de Boed­dha, in de hoop dat deze hem wat vre­de kan bren­gen. De vraag die hij aan de Boed­dha stelt, laat het beperk­te niveau van zijn eigen begrip zien. Hier­op beschrijft de Boed­dha gedul­dig de stap­pen van de beoe­fe­ning, begin­nend op een heel basaal niveau en dit gelei­de­lijk opbou­wend, om zo de spi­ri­tu­e­le hori­zon van de koning te ver­gro­ten. Aan het ein­de van de toe­spraak neemt Aja­ta­s­attu toe­vlucht in het ‘Drie­vou­di­ge Juweel’. Hoe­wel zijn eer­de­re daden zo zwaar wegen dat zijn uit­druk­king van ver­trou­wen op dat moment maar beperk­te gevol­gen kon heb­ben, ver­ze­kert het Com­men­taar ons dat het ver­haal van de koning uit­ein­de­lijk een hap­py end heeft. Na het over­lij­den van de Boed­dha, spon­sor­de hij de ‘Eer­ste Raad’, waar een con­gres van Ara­hants het eer­ste gestan­daar­di­seer­de ver­slag van de leer van de Boed­dha samen­stel­de. Door de ver­dien­ste van deze daad is Aja­ta­s­attu voor­be­stemd om – na vrij te zijn geko­men uit de hel – de bevrij­ding te berei­ken als een Pac­ce­ka Boed­dha.

Ver­taald uit het Pali door Tha­nis­sa­ro Bhik­khu. Access to Insight, July 25, 2010, http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/dn/dn.02.0.than.html. In het Neder­lands ver­taald door Buddho.nl.

Aldus heb ik gehoord…

… Eens ver­bleef de Geze­gen­de in Rajagaha, in Jiva­ka Komarabhacca’s man­go­bos met een groot gevolg aan mon­ni­ken – wel 1250 mon­ni­ken in totaal. Nu, op dat moment – omdat het upo­sat­ha (een dag van inacht­ne­ming) was; de nacht van de vol­le maan in het water­le­lie­sei­zoen, de vier­de maand van de regen­tijd – zat Koning Aja­ta­s­attu van Magad­ha, de zoon van Konin­gin Vide­ha, op het dak­ter­ras van zijn paleis, omringd door zijn minis­ters. Toen voel­de hij zich geïn­spi­reerd om het vol­gen­de te uiten: “Hoe prach­tig is deze door de maan ver­lich­te nacht! Hoe mooi… Hoe lie­fe­lijk… Hoe inspi­re­rend… Hoe veel­be­lo­vend is deze door de maan ver­lich­te nacht! Wel­ke pries­ter of den­ker zul­len wij van­nacht bezoe­ken, die ons zou kun­nen ver­lich­ten en ons gemoeds­rust zou kun­nen bren­gen?”

Toen dit gezegd was, zei een van de minis­ters tegen de koning: “Uwe Majes­teit, er is Pura­na Kas­sa­pa, de lei­der van een gemeen­schap, de lei­der van een groep, de leraar van een groep, ver­eerd en beroemd, hei­lig geacht door vele men­sen. Hij is op leef­tijd, al lang asceet, oud, in de laat­ste fase van zijn leven. Uwe Majes­teit zou hem moe­ten bezoe­ken. Mis­schien dat, als u hem zou bezoe­ken, hij u zou kun­nen ver­lich­ten en u gemoeds­rust zou kun­nen bren­gen.”

Toen dit gezegd was, bleef de koning stil.

Ver­vol­gens zei een ande­re minis­ter tegen de koning: “Uwe Majes­teit, er is Mak­kha­li Gosa­la… Uwe Majes­teit, er is Aji­ta Kesakam­ba­lin… Uwe Majes­teit, er is Pak­ud­ha Kac­ca­ya­na… Uwe Majes­teit, er is Sañjaya Belat­t­ha­put­ta… Uwe Majes­teit, er is Nigan­t­ha Nata­put­ta, de lei­der van een gemeen­schap, de lei­der van een groep, de leraar van een groep, ver­eerd en beroemd, hei­lig geacht door vele men­sen. Hij is op leef­tijd, al lang asceet, oud, in de laat­ste fase van zijn leven. Uwe Majes­teit zou hem moe­ten bezoe­ken. Mis­schien dat, als u hem zou bezoe­ken, hij u zou ver­lich­ten en u gemoeds­rust zou kun­nen bren­gen.”

Toen dit gezegd was, bleef de Koning stil.

Deze hele tijd zat Jiva­ka Kom­a­rab­hac­ca in stil­te, niet ver van de koning van­daan. Dus zei de koning tegen hem, “Vriend Jiva­ka, waar­om zeg je niets?”

Uwe Majes­teit, er is de Geze­gen­de, waar­dig en op de juis­te manier zelf‐ontwaakt, ver­blij­vend in mijn man­go­bos met een groot gevolg aan mon­ni­ken – wel 1250 mon­ni­ken in totaal. Wat deze Geze­gen­de betreft, doet dit bewon­de­rens­waar­di­ge ver­haal de ron­de: ‘Zeker,  de Geze­gen­de is waar­dig en op de juis­te manier zelf‐verlicht, begif­tigd met ken­nis en moreel gedrag, met het goe­de pad, ken­ner van werel­den, onge­ë­ve­naar­de trai­ner van te tem­men men­sen, leraar van goden en men­sen, vol­le­dig bevrijd, geze­gend.’ Uwe Majes­teit zou hem moe­ten bezoe­ken. Mis­schien dat, als u hem zou bezoe­ken, hij u zou kun­nen ver­lich­ten en gemoeds­rust zou kun­nen bren­gen.”

Laat in dat geval, vriend Jiva­ka, de rij‐olifanten klaar­ma­ken.”

Nadat hij had geant­woord, “Zoals u zegt, uwe majes­teit,” en na vijf­hon­derd vrou­we­lij­ke oli­fan­ten klaar te heb­ben laten maken, als­ook de eigen oli­fant van de koning, kon­dig­de Jiva­ka bij de Koning aan: “Uwe majes­teit, uw oli­fan­ten zijn gereed. Doe waar u het tijd voor acht.”

Toen ver­trok de Koning, nadat hij vijf­hon­derd van zijn vrou­wen op de vijf­hon­derd oli­fan­ten had laten bestij­gen – een op elk – en nadat hij zijn eigen oli­fant had beste­gen, van­uit de hoofd­stad in vol konink­lij­ke ornaat, met fak­kel dra­gen­de bedien­den, naar Jiva­ka Komarabhacca’s man­go­bos. Maar toen de koning dicht bij het man­go­bos kwam, werd hij door angst gegre­pen, door onrust, wat ervoor zorg­de dat zijn haar recht over­eind ging staan. Ang­stig, gejaagd, met zijn haar recht over­eind, zei hij tegen Jiva­ka Kom­a­rab­hac­ca: “Vriend Jiva­ka, je mis­leidt mij toch niet? Je gaat me toch niet aan mijn vij­an­den over­le­ve­ren? Hoe kan er zo’n gro­te gemeen­schap van mon­ni­ken zijn – 1250 in totaal – zon­der geluid van nie­zen, zon­der geluid van hoes­ten, zon­der wat voor stem­ge­luid dan ook?”

Wees niet bang, gro­te koning. Wees niet bang. Ik mis­leid en bedrieg u niet, en geef u niet over aan uw vij­an­den. Ga voor­uit, gro­te koning, voor­uit! Dat daar zijn lam­pen die bran­den in de pavil­joens­hal.”

Toen dan ging de koning zo ver op zijn oli­fant als de grond dit toe­stond, steeg hij af en bena­der­de hij de deur van het pavil­joen te voet. Bij zijn aan­komst, vroeg hij Jiva­ka “Waar, vriend Jiva­ka, is de Geze­gen­de?”

Dat is de Geze­gen­de, gro­te koning, zit­tend tegen de mid­del­ste pilaar, naar het oos­ten kij­kend, omge­ven door de gemeen­schap van mon­ni­ken.”

Toen bena­der­de de koning de Geze­gen­de en, hem bereikt heb­ben­de, ging hij aan een zij­de staan. Ter­wijl hij daar stond – de gemeen­schap van mon­ni­ken, in abso­lu­te stil­te zit­tend, zo kalm als een meer, over­ziend – voel­de hij zich geïn­spi­reerd om het vol­gen­de te uiten: “Moge mijn zoon, Prins Uday­ib­had­da, genie­ten van dezelf­de vre­de waar deze gemeen­schap van mon­ni­ken nu van geniet!”

[De Geze­gend zei:] “Bent u samen met uw dier­ba­ren geko­men, gro­te koning?”

Heer, mijn zoon, Prins Uday­ib­had­dam is mij erg dier­baar. Moge hij van dezelf­de vre­de genie­ten waar deze gemeen­schap van mon­ni­ken nu van geniet!”

Toen, nadat hij zijn hoofd voor de Geze­gen­de had gebo­gen, en de gemeen­schap van mon­ni­ken had gegroet met zijn hand­palm tegen hand­palm over zijn hart, ging hij aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl hij daar zat, zei hij tegen de Geze­gen­de: “Ik zou de Geze­gen­de een vraag wil­len stel­len over een bepaald onder­werp, als hij mij de gele­gen­heid zou geven om mijn vraag toe te lich­ten.”

Vraag, gro­te koning, wat u wilt.”

De Vraag van de Koning

Heer, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den: oli­fan­ten­trai­ners, paar­den­trai­ners, wagen­rij­ders, boog­schut­ters, vaan­del­dra­gers, kamp­maar­schal­ken, bevoor­ra­dings­of­fi­cie­ren, hoge konink­lij­ke offi­cie­ren, commando’s, mili­tai­re hel­den, bepant­ser­de krij­gers, met leer bekle­de krij­gers, huis­sla­ven, ban­ket­bak­kers, bar­bie­ren, bad­mees­ters, koks, ket­ting­ma­kers, was­sers, wevers, man­den makers, pot­ten­bak­kers, reke­naars, accoun­tants, en elk ander soort­ge­lijk gewo­ne ambachts­man. Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu. Zij geven ple­zier en ver­fris­sin­gen aan zich­zelf, aan hun ouders, hun kin­de­ren, hun vrien­den en collega’s. Zij geven voor­tref­fe­lij­ke offer­ga­ven aan pries­ters en den­kers, tot de hemel voe­rend, resul­te­rend in geluk, bevor­der­lijk voor een hemel­se geboor­te. Is het moge­lijk, heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?”

Her­in­nert u zich, gro­te koning, dat u ooit eer­der deze vraag aan ande­re pries­ters en den­kers gesteld heeft?”

Ja, dat her­in­ner ik me.”

Als het niet te las­tig voor u is, hoe heb­ben zij hier op geant­woord?”

Nee, het is niet las­tig voor mij daar waar een Geze­gen­de – of iemand net als de Geze­gen­de – zit.”

Spreek dan, gro­te koning.”

Non‐actie

Eens, heer, bena­der­de ik Pura­na Kas­sa­pa en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na een uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Kas­sa­pa, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Pura­na Kas­sa­pa tegen mij, ‘Gro­te koning, in han­de­lin­gen of in het aan­spo­ren van ande­ren tot han­de­lin­gen, in het ver­min­ken of het aan­spo­ren van ande­ren tot ver­min­ken, in mar­te­len of het aan­spo­ren van ande­ren tot mar­te­len, in het toe­bren­gen van ver­driet of in het aan­spo­ren van ande­ren tot het toe­bren­gen van ver­driet, in inti­mi­de­ren of in het aan­spo­ren van ande­ren tot inti­mi­de­ren, in het nemen van een leven, in het nemen van wat niet gege­ven is, inbre­ken in hui­zen, rijk­dom plun­de­ren, een hin­der­laag leg­gen, vreemd­gaan, lie­gen – doet men geen kwaad. Als men met een schijf zo scherp als een scheer­mes alle leven­de wezens in deze wereld in een enke­le hoop vlees zou ver­an­de­ren, zou er geen kwaad van die oor­zaak zijn, geen kwaad uit voort­ko­men. Zelfs als men langs de rech­ter oever van de Gan­ges zou gaan, moor­dend en ande­ren aan­spo­rend tot moor­den, ver­min­kend en ande­ren aan­spo­rend tot ver­min­ken, mar­te­lend en ande­ren aan­spo­rend tot mar­te­len, zou er geen kwaad uit voort­ko­men. Zelfs als men over de lin­ker oever van de Gan­ges zou gaan, gevend en aan­spo­rend tot geven, offe­rend en aan­spo­rend tot offe­ren, dan zou er geen ver­dien­ste uit voort­ko­men. Geen ver­dien­ste zal voort­ko­men uit vrij­ge­vig­heid, zelf­be­heer­sing, terug­hou­dend­heid, en het spre­ken van de waar­heid.

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, ant­woord­de Pura­na Kas­sa­pa met non‐actie. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, ant­woord­de Pura­na Kas­sa­pa met non‐actie. De gedach­te kwam in mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij in Pura­na Kassapa’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van mijn zetel en ver­trok ik.

Zuivering door Rondzwerven

Een ande­re keer bena­der­de ik Mak­kha­li Gosa­la en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na een uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Gosa­la, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven aan te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Mak­kha­li Gosa­la tegen mij: ‘Gro­te koning, er is geen oor­zaak, geen nood­za­ke­lij­ke voor­waar­de, voor de ver­ont­rei­ni­gin­gen in wezens. Wezens zijn ver­ont­rei­nigd zon­der oor­zaak, zon­der nood­za­ke­lijk voor­waar­de. Er is geen oor­zaak, geen nood­za­ke­lij­ke voor­waar­de, voor de zui­ve­ring van wezens. Wezens zijn gezui­verd zon­der oor­zaak, zon­der nood­za­ke­lij­ke voor­waar­de. Er is niets zelf‐veroorzaakt, niets anders‐veroorzaakt, niets menselijk‐veroorzaakt. Er is geen kracht, geen inzet, geen men­se­lij­ke ener­gie, geen men­se­lijk stre­ven. Alle leven­de wezens, al het leven, alle wezens, alle zie­len zijn mach­te­loos, ver­sto­ken van kracht, ver­sto­ken van inzet. Onder­wor­pen aan de ver­an­de­rin­gen van het lot, seren­di­pi­teit, en natuur, zijn zij gevoe­lig voor ple­zier en pijn in de zes gro­te clas­si­fi­ca­ties van geboor­te.’

’Er zijn 1,406,600 prin­ci­pi­ë­le modi van her­komst. Er zijn 500 soor­ten kar­ma, vijf soor­ten, en drie soor­ten; vol­le­dig kar­ma en half kar­ma. Er zijn 62 wegen, 62 sub‐aeonen, zes gro­te klas­sen van geboor­te, acht klas­sen van men­sen, 4,900 modi van levens­on­der­houd, 4,900 soor­ten zwer­vers, 4,900 Naga‐verblijfplaatsen, 2,000 facul­tei­ten, 3,000 hel­len, 36 stof‐werelden, zeven gebie­den van bewus­te wezens, zeven gebie­den van niet‐bewuste wezens, zeven soor­ten ver­tak­ken­de plan­ten, zeven soor­ten goden, zeven soor­ten men­se­lij­ke wezens, zeven soor­ten demo­nen, zeven soor­ten gro­te meren, zeven gro­te­re kno­pen, zeven min­de­re kno­pen, 700 gro­te­re afgron­den, 700 min­de­re afgron­den, 700 gro­te­re dro­men, 700 min­de­re dro­men, 84,000 gro­te aeo­nen. Na hier tel­kens in gebo­ren te zijn en er in rond­ge­zwor­ven te heb­ben, zul­len zowel de wij­zen als de dwa­zen een ein­de aan pijn maken.’

’Hoe­wel men zou kun­nen den­ken, “Door dit moreel gedrag, deze beoe­fe­ning, deze sober­heid, of dit hei­li­ge leven zal ik onge­rijpt kar­ma tot rij­ping bren­gen en gerijpt kar­ma eli­mi­ne­ren wan­neer ik erdoor geraakt word” – is dat onmo­ge­lijk. Ple­zier en pijn zijn afge­me­ten, het rond­zwer­ven heeft vas­te gren­zen. Er is geen ver­kor­ten of ver­len­gen, geen ver­snel­len of ver­tra­gen. Net als een bol touw, wan­neer dat wordt gegooid, aan zijn ein­de komt sim­pel­weg door af te wik­ke­len, zul­len op de zelf­de manier, na gebo­ren te zijn en rond­ge­zwor­ven te heb­ben, zowel de wij­zen als de dwa­zen een ein­de aan pijn maken.’

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Mak­kha­li Gosa­la met zui­ve­ring door rond­zwer­ven. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Mak­kha­li Gosa­la met zui­ve­ring door rond­zwer­ven. De gedach­te kwam in mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij in Mak­kha­li Gosala’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van­uit mijn zetel en ver­trok ik.

Vernietiging

Een ande­re keer bena­der­de ik Aji­ta Kesakam­ba­lin en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na een uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Aji­ta, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Aji­ta Kesakam­ba­lin tegen mij: ‘Gro­te koning, er is niets dat gege­ven wordt, niets dat aan­ge­bo­den wordt, niets dat geof­ferd wordt. Er is geen vrucht, geen resul­taat van goe­de of kwa­de daden. Er is geen wereld, geen vol­gen­de wereld, geen moe­der, geen vader, geen spon­taan gebo­ren wezens; geen pries­ters of den­kers die, juist varend en juist beoe­fe­nend, deze wereld en de vol­gen­de ver­kon­di­gen nadat zij deze direct gekend en voor zich­zelf gere­a­li­seerd heb­ben. Een per­soon is een samen­stel­sel van vier pri­mai­re ele­men­ten. Bij de dood keert de aar­de (in het lichaam) terug, en fuseert het met de (exter­ne) aar­de­sub­stan­tie. Het vuur keert terug en fuseert met de exter­ne vuur­sub­stan­tie. De vloei­stof keert terug en fuseert met de exter­ne vloei­stof­sub­stan­tie. De wind keert terug en fuseert met de exter­ne wind­sub­stan­tie. De zin­tuig­lij­ke facul­tei­ten ver­sprei­den zich in de ruim­te. Vier man­nen, met de kist als de vijf­de, dra­gen het lichaam. De toe­spra­ken ter ere van de over­le­de­ne rei­ken niet ver­der dan de begraaf­plaats. De bot­ten wor­den ‘dui­ven­kleu­rig’. De offer­ga­ven ein­di­gen in as. Vrij­ge­vig­heid wordt onder­we­zen door dwa­zen. De woor­den van die­ge­nen die spre­ken over een bestaan na de dood zijn fout, het is leeg gezwets. Met het uit elkaar val­len van het lichaam, wor­den zowel de wij­zen als de dwa­zen ver­nie­tigd. Zij bestaan niet na de dood.’

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Aji­ta Kesakam­ba­lin met ver­nie­ti­ging. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, ant­woord­de Aji­ta Kesakam­ba­lin met ver­nie­ti­ging. De gedach­te kwam in mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij in Aji­ta Kesakambalin’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van­uit mijn zetel en ver­trok ik.

Ongerelateerdheid

Een ande­re keer bena­der­de ik Pak­ud­ha Kac­ca­ya­na en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na de uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Pak­ud­ha, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Pak­ud­ha Kac­ca­ya­na tegen mij, ‘Gro­te koning, er zijn deze zeven sub­stan­ties – onge­maakt, niet ver­der te ont­le­den, eeu­wig, zon­der maker, onbe­groeid, ste­vig als een berg­top, ste­vig recht­op staand als een pilaar – die niet ver­an­de­ren, niet wij­zi­gen, elkaar niet belem­me­ren, onbe­kwaam om elkaar ple­zier, pijn, of zowel ple­zier als pijn te bezor­gen. Wel­ke zeven? De aar­de­sub­stan­tie, de vloei­stof­sub­stan­tie, de vuur­sub­stan­tie, de wind­sub­stan­tie, ple­zier, pijn, en de ziel als zeven­de. Dit zijn de zeven sub­stan­ties – onge­maakt, niet ver­der te ont­le­den, eeu­wig, zon­der maker, onbe­groeid, ste­vig als een berg­top, ste­vig recht­op staand als een pilaar – die niet ver­an­de­ren, niet wij­zi­gen, elkaar niet belem­me­ren, onbe­kwaam om elkaar ple­zier, pijn, of zowel ple­zier als pijn te bezor­gen.

’En onder hen is geen moor­de­naar, noch iemand die aan­zet tot moor­den, geen toe­hoor­der noch iemand die aan­zet tot toe­ho­ren, geen waar­ne­mer noch iemand die aan­zet tot waar­ne­men. Wan­neer men het hoofd [van een ande­re per­soon] afhakt, is er nie­mand die iemand van het leven berooft. Het zwaard gaat sim­pel­weg door de zeven sub­stan­ties.’

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, ant­woord­de Pak­ud­ha Kac­ca­ya­na met onge­re­la­teerd­heid. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: Op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Pak­ud­ha Kac­ca­ya­na met ver­nie­ti­ging. De gedach­te kwam in mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij in Pak­ud­ha Kaccayana’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van­uit mijn zetel en ver­trok ik.

Viervoudige Terughoudendheid

Een ande­re keer bena­der­de ik Nigan­t­ha Nata­put­ta en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na de uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Aggi­vessa­na, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Nigan­t­ha Nata­put­ta tegen mij, ‘Gro­te koning, er is het geval waar de Nigan­t­ha – de knoop­lo­ze – terug­hou­dend is met de vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid. En hoe is de Nigan­t­ha terug­hou­dend met de vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid? Er is het geval waar de Nigan­t­ha belem­merd wordt door alle wate­ren, samen­ge­voegd met alle wate­ren, gezui­verd door alle wate­ren, over­stroomd met alle wate­ren. Dit is hoe de Nigan­t­ha terug­hou­dend is met de vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid. Wan­neer de Nigan­t­ha – de knoop­lo­ze – terug­hou­dend is met zo een vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid, wordt van hem gezegd dat hij een knoop­lo­ze (Nigan­t­ha), een zoon van Nata (Nata­put­ta), met zijn zelf geper­fec­ti­o­neerd, zijn zelf beheerst, zijn zelf geves­tigd, is.’

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Nigan­t­ha Nata­put­ta met vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Nigan­t­ha Nata­put­ta met vier­vou­di­ge terug­hou­dend­heid. De gedach­te kwam in mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij Nigan­t­ha Nataputta’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van­uit mijn zetel en ver­trok ik.

Ontwijking

Een ande­re keer bena­der­de ik Sañjaya Belat­t­ha­put­ta en, bij mijn aan­komst, wis­sel­de ik beleef­de groe­ten met hem uit. Na de uit­wis­se­ling van vrien­de­lij­ke groe­ten en beleefd­he­den, ging ik aan een zij­de zit­ten. Ter­wijl ik daar zat, vroeg ik hem: ‘Eer­waar­de Sañjaya, er zijn deze gewo­ne ambachts­lie­den… Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu… Is het moge­lijk, eer­waar­de heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?’

Toen dit gezegd was, zei Sañjaya Belat­t­ha­put­ta tegen mij: ‘Als u me vraagt of er een ande­re wereld bestaat [na de dood], als ik zou den­ken dat er een ande­re wereld bestaat, zou ik dat dan tegen u bewe­ren? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet. Als u me zou vra­gen of er geen ande­re wereld… zowel een als geen… noch een, noch geen… of er wezens zijn die weer gebo­ren wor­den… of er geen zijn… zowel wezens als geen wezens zijn… noch wezens, noch geen wezens zijn… of de Tat­ha­ga­ta bestaat na de dood… niet… bei­de…. Noch bestaat, noch niet bestaat na de dood, zou ik dit dan tegen u bewe­ren? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet.’

Dus, wan­neer gevraagd naar de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar hier en nu, ant­woord­de Sañjaya Belat­t­ha­put­ta met ont­ken­ning. Net als wan­neer een per­soon, wan­neer gevraagd over een man­go, zou ant­woor­den met een brood­vrucht; of, wan­neer gevraagd over een brood­vrucht, zou ant­woor­den met een man­go: op dezelf­de wij­ze, wan­neer gevraagd over de vruch­ten van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, ant­woord­de Sañjaya Belat­t­ha­put­ta met ont­ken­ning. Nog steeds kwam de gedach­te mij op: ‘Hoe kan iemand zoals ik eraan den­ken een pries­ter of den­ker van deze wereld te min­ach­ten?’ Noch ver­heug­de ik mij Sañjaya Belatthaputta’s woor­den, noch pro­tes­teer­de ik er tegen. Noch ver­heu­gend, noch pro­tes­te­rend, was ik onte­vre­den. Zon­der onvre­de te uiten, zon­der zijn leer te accep­te­ren, zon­der hem over te nemen, stond ik op van­uit mijn zetel en ver­trok ik.

De Eerste Vrucht van het Heilige Leven

Dus, Heer, vraag ik de Geze­gen­de ook: er zijn deze gewo­ne ambachts­man­nen: oli­fan­ten­trai­ners, paar­den­trai­ners, wagen­rij­ders, boog­schut­ters, vaan­del­dra­gers, kamp maar­schal­ken, bevoor­ra­dings­of­fi­cie­ren, hoge konink­lij­ke offi­cie­ren, commando’s, mili­tai­re hel­den, bepant­ser­de krij­gers, met leer bekle­de krij­gers, huis­sla­ven, ban­ket­bak­kers, bar­bie­ren, bad­mees­ters, koks, ket­ting­ma­kers, was­sers, wevers, man­den makers, pot­ten­bak­kers, reke­naars, accoun­tants, en elk ander soort­ge­lij­ke gewo­ne ambachts­lie­den. Zij leven van de vruch­ten van hun ambacht, zicht­baar in het hier en nu. Zij geven voor ple­zier en ver­fris­sin­gen aan zich­zelf, aan hun ouders, hun kin­de­ren, hun vrien­den en col­le­ges. Zij geven voor­tref­fe­lij­ke offer­ga­ven aan pries­ters en den­kers, tot de hemel voe­rend, resul­te­rend in geluk, bevor­der­lijk voor een hemel­se geboor­te. Is het moge­lijk, heer, om een soort­ge­lij­ke vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?”

Ja, dat is het, gro­te koning. Maar eerst zal ik u hier­over een tegen­vraag stel­len. Ant­woord zoals u wilt. Ver­on­der­stel dat er een man van u was: uw slaaf, uw werk­man, vóór u in de och­tend opstaand, pas na u in de avond naar bed gaand, uit­voe­rend waar­toe u opdracht geeft, altijd han­de­lend om u te ple­zie­ren, res­pect­vol met u spre­kend, altijd kij­kend naar uw gelaats­uit­druk­king. De gedach­te zou in hem opko­men: ‘Is het niet ver­ba­zing­wek­kend? Is het niet won­der­lijk? – de bestem­ming, het resul­taat van ver­dien­ste­lij­ke daden. Want deze Koning Aja­ta­s­attu is een men­se­lijk wezen, en ook ik ben een men­se­lijk wezen; toch geniet Koning Aja­ta­s­attu, begif­tigd en ver­za­digd in de vijf dra­den van zin­tuig­lijk­heid – als een god, in wezen – ter­wijl ik zijn slaaf ben, zijn werk­man… altijd kij­kend naar zijn gelaats­uit­druk­king. Ook ik zou ver­dien­ste­lij­ke daden moe­ten doen. Wat als ik mijn haar en baard af zou sche­ren, de oke­ren gewa­den aan zou trek­ken, en voort zou gaan van het huis­hou­de­lijk leven de thuis­loos­heid in?’

Dus na eni­ge tijd scheert hij zijn haar en baard af, trekt het oke­ren gewaad aan, en gaat van het huis­hou­de­lijk leven de thuis­loos­heid in. Zo de thuis­loos­heid inge­gaan, leeft hij terug­hou­dend in lichaam, spraak, en mind, tevre­den met het sim­pel­ste voed­sel en onder­dak, zich ver­heu­gend in afzon­de­ring. Ver­on­der­stel dan dat een van uw man­nen u zou infor­me­ren: ‘U moet weten, uwe majes­teit, dat die man van u – uw slaaf, uw werk­man… altijd kij­kend naar uw gelaats­uit­druk­king… van het huis­hou­de­lij­ke leven de thuis­loos­heid in is gegaan… tevre­den met het sim­pel­ste voed­sel en onder­dak, zich ver­heu­gend in afzon­de­ring.’ Zou u, zo geïn­for­meerd, zeg­gen, ‘Breng die man terug naar mij. Maak hem weer mijn slaaf, mijn werk­man… altijd kij­kend naar mijn gelaats­uit­druk­king!’?”

Zeker niet, heer. Bij voor­keur ben ik dege­ne die voor moet bui­gen, op moet staan uit res­pect voor hem, hem uit­no­dig te komen zit­ten, hem uit­no­dig gif­ten te accep­te­ren van gewa­den, aal­moes­voed­sel, onder­dak, en medi­cij­nen voor de zie­ken. En ik zou hem voor­zien van recht­vaar­di­ge vei­lig­heid, ver­de­di­ging en bescher­ming.”

Dus wat denkt u, gro­te koning. Als dat zo is, is er een zicht­ba­re vrucht van het hei­li­ge leven, of niet?”

Ja, heer. Als dat zo is, is er zeker een zicht­ba­re vrucht van het hei­li­ge leven.”

Dit, gro­te koning, is de eer­ste vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, die ik  u aan­wijs.”

De Tweede Vrucht van het Heilige Leven

Maar is het moge­lijk, heer, om nog een vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?”

Ja, dat is moge­lijk, gro­te koning. Maar eerst zal ik u daar­over een tegen­vraag stel­len. Ant­woord zoals u wilt. Ver­on­der­stel dat er een man van u is: een boer, een huis­hou­der, een belas­ting­be­ta­ler die de konink­lij­ke schat­kist aan­vult. De gedach­te zou in hem opko­men: ‘Is het niet ver­ba­zing­wek­kend? Is het niet ver­won­der­lijk? – de bestem­ming, het resul­taat van ver­dien­ste­lij­ke daden. Want deze Koning Aja­ta­s­attu is een men­se­lijk wezen, en ook ik ben een men­se­lijk wezen, toch geniet Koning Aja­ta­s­attu, begif­tigd en ver­za­digd in de vijf dra­den van zin­tuig­lijk­heid – als een god, in wezen – ter­wijl ik een boer, een huis­hou­der, een belas­ting­be­ta­ler ben die de konink­lij­ke schat­kist aan­vult. Wat als ik mijn haar en baard af zou sche­ren, de oke­ren gewa­den aan zou trek­ken, en voort zou gaan van het huis­hou­de­lijk leven de thuis­loos­heid in?’

Dus na eni­ge tijd ver­laat hij zijn ver­gaar­de rijk­dom, groot of klein; ver­laat hij zijn kring van fami­lie­le­den, groot of klein; scheert hij zijn haar en baard af, trekt het oke­ren gewaad aan, en gaat hij van het huis­hou­de­lijk leven de thuis­loos­heid in. Zo de thuis­loos­heid inge­gaan, leeft hij terug­hou­dend in lichaam, spraak, en mind, tevre­den met het sim­pel­ste voed­sel en onder­dak, zich ver­heu­gend in afzon­de­ring. Ver­on­der­stel dan dat een van uw man­nen u zou infor­me­ren: ‘U moet weten, uwe majes­teit, dat die man van u – een boer, een huis­hou­der, een belas­ting­be­ta­ler die de konink­lij­ke schat­kist aan­vul­de… van het huis­hou­de­lij­ke leven de thuis­loos­heid is inge­gaan … tevre­den met het sim­pel­ste voed­sel en onder­dak, zich ver­heu­gend in een­zaam­heid.’ Zou u, zo geïn­for­meerd, zeg­gen, ‘Breng die man terug naar mij. Maak hem weer een boer, een huis­hou­der, een belas­ting beta­ler die de konink­lij­ke schat­kist aan­vult!’?”

Zeker niet, heer. Bij voor­keur, ben ik dege­ne die voor hem moet bui­gen, op moet staan uit res­pect voor hem, hem uit­no­dig te komen zit­ten, hem uit­no­dig gif­ten te accep­te­ren van gewa­den, aal­moes­voed­sel, onder­dak, en medi­cij­nen voor de zie­ken. En ik zou hem voor­zien van recht­vaar­di­ge vei­lig­heid, ver­de­di­ging en bescher­ming.”

Dus wat denkt u, gro­te koning. Als dat zo is, is er een zicht­ba­re vrucht van het hei­li­ge leven, of niet?”

Ja, heer. Als dat zo is, is er zeker een zicht­ba­re vrucht van het hei­li­ge leven.”

Dit, gro­te koning, is de twee­de vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, die ik aan u wijs.”

Hogere Vruchten van het Heilige Leven

Maar is het moge­lijk, heer, om nog een vrucht van het hei­li­ge leven te tonen, zicht­baar in het hier en nu?”

Ja, dat is moge­lijk, gro­te koning. Luis­ter en wees aan­dach­tig. Ik zal spre­ken.

Er is het geval, gro­te koning, dat een Tat­ha­ga­ta in de wereld ver­schijnt, waar­dig en terecht zelf‐ontwaakt. Hij onder­wijst de Dham­ma die goed is in het begin, goed in het mid­den, goed in zijn ein­de. Hij ver­kon­digt het hei­li­ge leven zowel in detail als essen­tie, geheel per­fect, over­tref­fend puur.

Nu krijgt een huis­hou­der of de zoon van de huis­hou­der, na de Dham­ma gehoord te heb­ben, ver­trou­wen in de Tat­ha­ga­ta en denkt hij: ‘Het leven van een huis­hou­der is ver­stik­kend, een stof­fig pad. Het leven als asceet is als de open lucht. Het is niet mak­ke­lijk om thuis te leven en het hei­li­ge leven per­fect te beoe­fe­nen, puur te beoe­fe­nen, zoals een gepo­lijs­te schelp. Wat als ik mijn haar en baard af zou sche­ren, de oke­ren gewa­den aan zou trek­ken, en voort zou gaan van het hui­se­lij­ke leven de thuis­loos­heid in?’

Na eni­ge tijd geeft hij zijn hoe­veel­heid rijk­dom op, groot of klein; ver­laat hij zijn fami­lie­kring, groot of klein; scheert hij zijn haar en baard af, trekt hij de oke­ren gewa­den aan, en gaat hij voort van het hui­se­lij­ke leven de thuis­loos­heid in.

Wan­neer hij zo de thuis­loos­heid is inge­gaan, leeft hij terug­hou­dend door het geheel van kloos­ter regels, en ziet hij gevaar in ook maar de klein­ste fout. Vol­maakt in moreel gedrag bewaakt hij de deu­ren van zijn zin­tui­gen, begif­tigd met opmerk­zaam­heid en alert­heid, en is hij tevre­den.

De Kleinere Paragraaf over Moreel Gedrag

En hoe is een mon­nik ver­vol­maakt in moreel gedrag? Door het nemen van leven op te geven, ont­houdt hij zich van het nemen van leven. Hij leeft met zijn stok neer­ge­legd, met zijn mes neer­ge­legd, gewe­tens­vol, ver­ge­vend, met com­pas­sie voor het wel­zijn van alle leven­de wezens. Dit is deel van zijn more­le gedrag.

Door het nemen van wat niet gege­ven is ach­ter zich te laten, ont­houdt hij zich van nemen wat niet gege­ven is. Hij neemt alleen dat wat gege­ven is, accep­teert alleen wat gege­ven is, leeft niet te ste­len maar door een puur gewor­den zelf. Ook dit is een deel van zijn more­le gedrag.

Door niet‐celibaat gedrag ach­ter zich te laten, leeft hij een celi­baat leven, afzij­dig, en ont­houdt hij zich van de sek­su­e­le han­de­ling die de weg van de dor­pe­lin­gen is. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Door vals spre­ken ach­ter zich te laten, ont­houdt hij zich van vals spre­ken. Hij spreekt de waar­heid, blijft bij de waar­heid, is vast­be­ra­den, betrouw­baar, geen bedrie­ger van de wereld. Ook dit is een onder­deel van zijn more­le gedrag.

Door het ver­de­lend spre­ken ach­ter zich te laten, ont­houdt hij zich van ver­de­lend spre­ken. Wat hij hier heeft gehoord, ver­telt hij niet daar om de men­sen daar van de men­sen hier te schei­den. Wat hij daar heeft gehoord, ver­telt hij niet hier om de men­sen hier van de men­sen daar te schei­den. Zo de men­sen die gebro­ken heb­ben met elkaar ver­bin­dend, of de ver­bin­ding tus­sen men­sen ver­ste­vi­gend, houdt hij van har­mo­nie, geniet hij van har­mo­nie, heeft hij ple­zier aan har­mo­nie, zegt hij din­gen die har­mo­nie cre­ë­ren. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Door het  bele­di­gend spre­ken ach­ter zich te laten, ont­houdt hij zich van bele­di­gend spre­ken. Hij spreekt woor­den die ver­zach­tend zijn om te horen, die lief­heb­bend zijn, die naar het hart gaan, die beleefd zijn, aan­trek­ke­lijk en aan­ge­naam zijn voor de mens­heid als geheel. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Door zin­loos geklets ach­ter zich te laten, ont­houdt hij zich van zin­loos geklets. Hij spreekt wat gepast is, spreekt wat fei­te­lijk is, wat in over­een­stem­ming met het doel, de Dham­ma, en de Vinaya is. Hij spreekt wor­den die het waard zijn gewaar­deerd te wor­den, gepast, beperkt, in samen­hang met het doel. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Hij ont­houdt zich van het scha­den van zaden en plan­ten.

Hij eet een keer per dag, eet ’s avonds niet en eet geen eten op het ver­keer­de tijd­stip op de dag.

Hij ont­houdt zich van dan­sen, zin­gen, muziek instru­men­ten, en van het kij­ken naar shows.

Hij ont­houdt zich van het dra­gen van ket­tin­gen en van het mooi maken van zich­zelf met geu­ren en cos­me­ti­ca

Hij ont­houdt zich van hoge en luxu­eu­ze bed­den en zetels.

Hij ont­houdt zich van het accep­te­ren van goud of geld.

Hij ont­houdt zich van het accep­te­ren van onge­kookt graan… rouw vlees… vrou­wen en meis­jes… man­ne­lij­ke en vrou­we­lij­ke sla­ven… gei­ten en scha­pen… gevo­gel­te en var­kens… oli­fan­ten, vee en paar­den… vel­den en land­goed.

Hij ont­houdt zich van het rond­bren­gen van berich­ten… van kopen en ver­ko­pen… van han­de­len met val­se gewich­ten, val­se meta­lens, en val­se maten… van omko­pen, mis­lei­ding en frau­de.

Hij ont­houdt zich van muti­le­ren, exe­cu­te­ren, gevan­gen nemen, roven, plun­de­ren, en geweld.

Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

De Tussenliggende Paragraaf over Moreel Gedrag

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan het scha­den van zaden en plan­ten zoals deze – poot­wor­tels, stam­stek­ken, knoop­stek­ken, top­stek­ken en zaad­kie­men – ont­houdt hij zich van het scha­den van zaden en pla­ten zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan het gebrui­ken van opge­sla­gen goe­de­ren zoals deze – opge­sla­gen voed­sel, opge­sla­gen dran­ken, opge­sla­gen kle­ding, opge­sla­gen ver­voer, opge­sla­gen bed­den­goed, opge­sla­gen geu­ren, opge­sla­gen vlees – ont­houdt hij zich van het gebrui­ken van opge­sla­gen goe­de­ren zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan het bekij­ken van shows zoals deze – dan­sen, zin­gen, instru­men­te­le muziek, the­a­ter, bal­la­den, reci­ta­ties, hand­ge­klap, cim­ba­len en drums, scè­nes van magi­sche lan­ta­rens, acro­ba­tiek en goo­chel­trucs, oli­fan­ten­ge­vech­ten, paar­den­ge­vech­ten, buf­fel­ge­vech­ten, stier­ge­vech­ten, gei­ten­ge­vech­ten, bok­ge­vech­ten, hanen­ge­vech­ten, kwar­tel­ge­vech­ten; gevech­ten met stok­ken, bok­sen, wor­ste­len, oor­logs­spe­len, appèls, strijd­for­ma­ties, mili­tai­re mar­sen – ont­houdt hij zich van het bekij­ken van shows zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

 “Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan onacht­za­me en nut­te­lo­ze spel­le­tjes zoals deze – acht‐rijen schaak, tien‐rijen schaak, blind scha­ken, het hin­kel­spel, het knib­bel­spel, dob­be­len, het pin­kel­spel, vin­ger­ver­ven, bal­spe­len, spe­len met blaas­pijp­jes, spe­len met speel­goed­ploeg­jes, salto’s maken, spe­len met wind­mo­len­tjes, spe­len met speel­goed­ma­ten, spe­len met wagen­tjes, spe­len met pijl en boog, het raden in de lucht of op de rug geschre­ven let­ters, het raden van gedach­ten, mis­maak­te men­sen nadoen – ont­houdt hij zich van onacht­za­me en nut­te­lo­ze spel­le­tjes zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan hoge en luxe meu­bels zoals deze – gro­te ban­ken, ban­ken ver­sierd met gesne­den die­ren, lang‐gehaarde dek­bed­den, gekleur­de dek­bed­den, wit­te wol­len dek­bed­den, wol­len dek­bed­den ver­sierd met bloe­men of dier­fi­gu­ren, gewa­ter­de sprei­en, dek­bed­den met fran­jes, zij­den dek­bed­den ver­sierd met edel­ste­nen; gro­te wol­len tapij­ten; oli­fan­ten, paard‐en‐wagentapijten, anti­lo­pen­huid­ta­pij­ten, her­ten­huid­ta­pij­ten; ban­ken met zon­ne­scher­men, ban­ken met rode kus­sen voor hoofd en voe­ten – ont­houdt hij zich van het gebrui­ken van hoge en luxe meu­bels zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, leven van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan geu­ren, cos­me­ti­ca, en manie­ren om zich­zelf mooi­er te maken zoals deze – het inwrij­ven van het lichaam met poe­ders, mas­se­ren met oli­ën, in gepar­fu­meerd water baden, de benen kne­den, spie­gels gebrui­ken, zal­ven, ket­tin­gen, geu­ren, crè­mes, gezicht­spoe­ders, mas­ca­ra, arm­ban­den, hoofd­ban­den, gede­co­reer­de wan­del­stok­ken, ver­sier­de water­fles­sen, zwaar­den, eigen­aar­di­ge zon­ne­scher­men, ver­sier­de zand­alen, tul­ban­den, edel­ste­nen, yak‐staart vlie­gen­mep­pers, lang omzoom­de gewa­den – ont­houdt hij zich van het gebrui­ken van geu­ren, cos­me­ti­ca en manie­ren om zich­zelf mooi­er te maken zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan spre­ken over lage onder­wer­pen zoals deze – spre­ken over konin­gen, rovers, minis­ters; legers, alar­men, en slach­ten; voed­sel en drank; kle­ding, meu­bels, ket­tin­gen, en geu­ren; fami­lie­le­den; ver­voers­mid­de­len; dor­pen, ste­den, gro­te ste­den, het plat­te­land; vrou­wen en hel­den; rod­dels van de straat en de water­put; ver­ha­len over de doden; ver­ha­len over ver­schei­de­ne [filo­so­fi­sche dis­cus­sies over het ver­le­den en de toe­komst], de cre­a­tie van de wereld en de  zee, en spre­ken over of de din­gen bestaan of niet – ont­houdt hij zich van spre­ken over lage onder­wer­pen zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel,  ver­slaafd zijn aan debat­ten zoals deze – ‘Jij begrijpt deze leer en orde? Ik ben degen die deze leer en orde begrijpt. Hoe kan je deze leer en orde begrij­pen? Je beoe­fent op de ver­keer­de manier. Ik beoe­fen op de juis­te manier. Ik ben con­sis­tent. Jij niet. Wat eerst gezegd zou moe­ten wor­den, zei jij als laat­ste. Wat als laat­ste gezegd zou moe­ten wor­den, zei jij als eer­ste. Wat jou zoveel tijd heeft gekost om te beden­ken, is weer­legd. Je leer is omver­ge­wor­pen. Je bent ver­sla­gen. Ga nu en pro­beer je leer te red­den; ont­war jezelf als je kan!’ – ont­houdt hij zich van debat­ten zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, ver­slaafd zijn aan het rond­bren­gen van berich­ten en klus­jes voor men­sen zoals deze – konin­gen, minis­ters, nobe­le krij­gers, pries­ters, huis­hou­ders, of jon­ge­ren die zeg­gen, ‘Ga hier naar toe, ga daar naar toe, breng dit daar heen, breng dat hier naar toe’- ont­houdt hij zich van het rond­bren­gen van berich­ten en klus­jes voor men­sen zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich bezig­hou­den met intri­ge, over­tui­gen, toe­spe­len, klei­ne­ren, en winst ach­ter­na jagen, ont­houdt hij zich van vor­men van intri­ge en over­tui­gen [om op onjuis­te manie­ren te pro­be­ren mate­ri­ë­le steun van dono­ren te krij­gen] zoals deze. Ook dit is onder­deel van zijn more­le gedrag.

De Grote Paragraaf over Moreel Gedrag

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke lage kun­sten als deze – het lezen van tekens op de lede­ma­ten [palm‐lezen]; het lezen van omens en teke­nen; het inter­pre­te­ren van hemel­se gebeur­te­nis­sen [val­len­de ster­ren, kome­ten]; het inter­pre­te­ren van dro­men; het lezen van teke­nen op het lichaam [bijv., fre­no­lo­gie]; het lezen van teke­nen op door mui­zen afge­knaag­de stof; het offe­ren van vuur­of­fe­ran­des, offe­ran­des van een pol­le­pel, offe­ran­den van kaf, rijst poe­der, rijst graan, ghee, en olie; het offe­ren van offe­ran­den van de mond; het offe­ren van bloed‐offers; het doen van voor­spel­lin­gen geba­seerd op de vin­ger­top­pen; geo­man­tiek; het hou­den van demo­nen op een begraaf­plaats; het plaat­sen van spreu­ken op gees­ten; het reci­te­ren van huis­be­scher­men­de beto­ve­rin­gen; slan­gen­be­to­ve­ring, tra­di­ti­o­ne­le ken­nis van ver­gif­ten, tra­di­ti­o­ne­le ken­nis van schor­pi­oe­nen, van rat­ten, van vogels, van kraai­en; het voor­spel­len van levens­du­ren; het geven van bescher­men­de beto­ve­rin­gen; het uit­bren­gen van horo­sco­pen – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze – het bepa­len van geluk­bren­gen­de en onge­luk­bren­gen­de edel­ste­nen, kle­ding, sta­ven, zwaar­den, spe­ren, pij­len, bogen, en ande­re wapens; vrou­wen, jon­gens, meis­jes, man­ne­lij­ke sla­ven, vrou­we­lij­ke sla­ven; oli­fan­ten, paar­den, buf­fels, stie­ren, koei­en, gei­ten, ram­men, gevo­gel­te, kwar­tels, hage­dis­sen, lang‐geoorde knaag­die­ren, schild­pad­den, en ande­re die­ren – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke lage kun­sten als het voor­spel­len dat – deze heer­ser zal voort mar­che­ren; de heer­sers zul­len niet voort mar­che­ren; onze heer­sers zul­len aan­val­len, en hun heer­sers zich zul­len terug­trek­ken;  hun heer­sers zul­len aan­val­len, en onze heer­sers zul­len zich terug­trek­ken; onze heer­sers zul­len tri­om­fe­ren en hun heer­sers zul­len ver­lie­zen; hun heer­sers zul­len tri­om­fe­ren en onze heer­sers zul­len ver­lie­zen; zo zal er tri­omf zijn, zo zal er ver­lies zijn – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke “dier­lij­ke” kun­sten als het voor­spel­len dat – er een maans­ver­duis­te­ring zal zijn; er een zons­ver­duis­te­ring zal zijn; er een ver­duis­te­ring van een ster­ren­stel­sel zal zijn, de zon en maan hun nor­ma­le gang zul­len gaan; de zon en maan op een dwaal­spoor zul­len komen; ster­ren­stel­sels hun nor­ma­le gang zul­len gaan; ster­ren­stel­sels op een dwaal­spoor zul­len komen;  er een mete­o­ren­re­gen zal zijn; er een ver­duis­te­ring van de hemel zal zijn; er een aard­be­ving zal zijn; er don­der­slag uit hel­de­re hemel zal komen; er een opko­men, onder­gaan, ver­don­ke­ren, oplich­ten van de zon, maan, en ster­ren­stel­sels zal zijn; zo zal het resul­taat zijn van de maans­ver­duis­te­ring… het opko­men, onder­gaan, ver­don­ke­ren, oplich­ten van de zon, maan, en ster­ren­stel­sels – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich­zelf in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke lage kun­sten als het voor­spel­len dat – er vol­doen­de regen zal val­len; er droog­te zal zijn; er genoeg voed­sel zal zijn; er een hon­gers­nood zal zijn; er rust en vei­lig­heid zal zijn; er gevaar zal zijn; er ziek­te zal zijn; er vrij­heid van ziek­te zal zijn; of ze ver­dien­den hun levens­on­der­houd door tel­len, boek­hou­den, reke­nen, poë­zie, of het onder­wij­zen van hedo­nis­ti­sche kun­sten en leren – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” kun­sten zoals deze.

Ter­wijl som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich­zelf in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke lage kun­sten als – het bere­ke­nen van een gun­sti­ge datum voor huwe­lij­ken, onder­trouw, schei­din­gen; voor het innen van schul­den of het doen van inves­te­rin­gen of geven van lenin­gen; voor het aan­trek­ke­lijk of onaan­trek­ke­lijk zijn; het gene­zen van vrou­wen die een mis­kraam of abor­tus heb­ben gehad; het reci­te­ren van spreu­ken om iemands tong te bin­den, zijn kaken te para­ly­se­ren, hem de con­tro­le over zijn han­den doen ver­lie­zen, of doof­heid te bren­gen; het krij­gen van ant­woor­den van ora­kels na het bevra­gen van een spie­gel, een jong meis­je, een medi­um; het aan­bid­den van de zon, de gro­te Brah­ma, het voort­bren­gen van vlam­men uit de mond, het aan­roe­pen van de godin van geluk – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke” zoals deze.

Waar som­mi­ge pries­ters en den­kers, levend van in ver­trou­wen gege­ven voed­sel, zich­zelf in stand hou­den door ver­keerd levens­on­der­houd, door zul­ke “dier­lij­ke” kun­sten als – het belo­ven van offe­ran­des aan goden als dank voor hun gun­sten; het vol­bren­gen van zul­ke belof­ten; het aan­roe­pen van demo­nen; het onder­wij­zen van huis­be­scher­men­de spreu­ken; het indu­ce­ren van vrucht­baar­heid en onvrucht­baar­heid; het wij­den van bouw­ter­rein voor de bouw; het geven van cere­mo­ni­ë­le mond­was­sin­gen en baden; het aan­bie­den van offer­vu­ren; het toe­die­nen van oog‐olie, oog­drup­pels, behan­de­lin­gen door de neus, zal­ven, en tegen‐zalven; het beoe­fe­nen van oog­chi­rur­gie, alge­me­ne chi­rur­gie, kin­der­ge­nees­kun­de; het toe­die­nen van wor­telm­e­di­cij­nen die medi­ci­na­le krui­den bin­den – ont­houdt hij zich van ver­keerd levens­on­der­houd, van “dier­lij­ke“ kun­sten zoals deze.

Een mon­nik zo vol­ko­men in moreel gedrag ziet ner­gens gevaar voor zijn terug­hou­dend­heid door moreel gedrag. Net als een de nobe­le krij­ger­ko­ning die zijn hoofd bij een ritu­eel met olie heeft laten over­gie­ten, en zijn tegen­stan­ders heeft over­won­nen ner­gens gevaar ziet van zijn vij­an­den, op dezelf­de manier ziet de mon­nik zo ver­vol­maakt in moreel gedrag, ner­gens gevaar voor zijn terug­hou­dend­heid door moreel gedrag. Begif­tigd met dit nobe­le aggre­gaat van moreel gedrag, is hij intern gevoe­lig voor het ple­zier dat voort­komt uit onbe­ris­pe­lijk gedrag. Dit is hoe een mon­nik voor­tref­fe­lijk is in moreel gedrag.

Zintuigelijke terughoudendheid

En hoe bewaakt een mon­nik de deu­ren van zijn zin­tui­gen? Bij het zien van een vorm met het oog, grijpt hij niet naar thema’s of details waar­door – als hij zon­der terug­hou­dend­heid van de oog­fa­cul­teit zou ver­ke­ren – kwa­de, onheil­za­me kwa­li­tei­ten zoals heb­be­rig­heid of angst hem bevlie­gen. Bij het horen van een geluid met het oor… Bij het rui­ken van een geur met de neus… Bij het proe­ven van een smaak met de tong… Bij het voe­len van een tast­sen­sa­tie met het lichaam… Bij het bewust wor­den van een idee met het intel­lect, grijpt hij niet naar thema’s of details waar­door – als hij zon­der terug­hou­dend­heid van de intel­lect­fa­cul­teit zou ver­ke­ren – kwa­de, onheil­za­me zoals heb­be­rig­heid of angst hem bevlie­gen. Begif­tigd met deze nobe­le terug­hou­dend­heid van de zin­tuig­fa­cul­tei­ten, is intern gevoe­lig voor de blij­heid die voort­komt uit onbe­ris­pe­lijk gedrag. Dit is hoe een mon­nik de deu­ren van zijn zin­tui­gen bewaakt.

Opmerkzaamheid & Alertheid

En hoe is een mon­nik ver­vuld van opmerk­zaam­heid en alert­heid? Wan­neer hij voor­uit gaat en terug­keert, han­delt hij met alert­heid. Wan­neer hij ergens naar en ergens van weg kijkt… wan­neer hij zijn lede­ma­ten buigt en strekt… wan­neer hij zijn bui­ten­ste kleed, zijn boven gewaad, en zijn kom draagt… wan­neer hij eet, drinkt, kauwt, en proeft… wan­neer hij uri­neert en zich ont­last… wan­neer hij loopt, staat, zit, in slaap valt, wak­ker wordt, praat, en stil blijft, han­delt hij met alert­heid. Dit is hoe een mon­nik ver­vuld is van opmerk­zaam­heid en alert­heid.

Tevredenheid

En hoe is een mon­nik tevre­den? Net als een vogel, waar hij ook gaat, vliegt met zijn vleu­gels als eni­ge last; zo is hij tevre­den met een set gewa­den om voor zijn lichaam te zor­gen en aal­moes­voed­sel zijn hon­ger te stil­len. Waar hij ook heen gaat, hij neemt alleen het hoogst nood­za­ke­lij­ke mee. Dit is hoe een mon­nik tevre­den is.

Het Opgeven van de Hindernissen

Begif­tigd met dit nobe­le aggre­gaat van moreel gedrag, deze nobe­le terug­hou­dend­heid van de zin­tuig­fa­cul­tei­ten, deze nobe­le opmerk­zaam­heid en alert­heid, en deze nobe­le tevre­den­heid, zoekt hij een afge­zon­der­de ver­blijfs­plaats: een bos, de scha­duw van een boom, een berg, een berg­dal, een grot, een begraaf­plaats, een bos­scha­ge, de open lucht, een hoop stro. Na zijn maal­tijd, terug­ko­mend van zijn aal­moes­ron­de, gaat hij zit­ten, kruist hij zijn benen, houdt hij zijn lichaam recht, en brengt hij opmerk­zaam­heid naar de voor­grond.

Heb­zucht met betrek­king tot de wereld opge­vend, ver­blijft hij met een bewust­wor­ding vrij van heb­zucht. Hij rei­nigt zijn mind van heb­zucht. Kwa­de wil en woe­de opge­vend, ver­blijft hij met een bewust­wor­ding vrij van kwa­de wil, mee­voe­lend met het wel­zijn van alle leven­de wezens. Hij rei­nigt zijn mind van kwa­de wil en woe­de. Traag­heid en lui­heid opge­vend, ver­blijft hij met een bewust­wor­ding vrij van traag­heid en lui­heid, opmerk­zaam, alert, bewust van licht. Hij rei­nigt zijn mind van traag­heid en lui­heid. Rus­te­loos­heid en angst opge­vend, ver­blijft hij onver­stoord, zijn mind van bin­nen ver­stild. Hij rei­nigt zijn mind van rus­te­loos­heid en pie­ke­ren. Twij­fel opge­vend, ver­blijft hij de twij­fel over­ge­sto­ken heb­bend, zon­der ver­war­ring over han­di­ge men­ta­le kwa­li­tei­ten. Hij rei­nigt zijn mind van onze­ker­heid.

Ver­on­der­stel dat een man, een lening nemend, in zijn zaken inves­teert. Zijn zaken heb­ben suc­ces. Hij lost zijn oude schul­den af en er is extra over om zijn vrouw te onder­hou­den. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Voor­heen, een lening nemend, inves­teer­de ik in mijn zaken. Nu heb­ben mijn zaken suc­ces gehad. Ik heb mijn oude schul­den afge­lost en er is extra over om mijn vrouw te onder­hou­den.’ Om die reden zou hij vreug­de en geluk erva­ren.

Ver­on­der­stel dat een man ziek wordt – pijn heeft en ern­stig ziek is. Hij geniet niet van zijn maal­tij­den, en er is geen kracht in zijn lichaam. Met het ver­strij­ken van de tijd her­stelt hij uit­ein­de­lijk van zijn ziek­te. Hij geniet van zijn maal­tij­den en er is kracht in zijn lichaam. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Voor­heen, was ik ziek… Nu ben ik her­steld van die ziek­te. Ik geniet van mijn maal­tij­den en er is kracht in mijn lichaam.’ Om die reden zou hij vreug­de en geluk erva­ren.

Ver­on­der­stel dat een man gebon­den in de gevan­ge­nis zit. Met het ver­strij­ken van de tijd wordt hij uit­ein­de­lij­ke vrij gela­ten van zijn bon­den, gezond en wel, zon­der ver­lies van eigen­dom. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Voor­heen, zat ik gebon­den in de gevan­ge­nis. Nu ben ik vrij van die bon­den, gezond en wel, zon­der ver­lies van eigen­dom.’ Om die reden zou hij vreug­de en geluk erva­ren.

Ver­on­der­stel dat een man een slaaf is, onder­wor­pen aan ande­ren, niet onder­wor­pen aan zich­zelf, niet in staat om te gaan waar hij wil. Met het ver­strij­ken van de tijd wordt hij uit­ein­de­lijk vrij gela­ten uit die sla­ver­nij, onder­wor­pen aan zich­zelf, niet onder­wor­pen aan ande­ren, vrij, in staat om te gaan waar hij wil. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Voor­heen was ik een slaaf… Nu ben ik vrij van die sla­ver­nij, onder­wor­pen aan mij­zelf, niet onder­wor­pen aan ande­ren, vrij, in staat om te gaan waar ik wil.’ Om die reden zou hij vreug­de en geluk erva­ren.

Ver­on­der­stel dat een man, geld en goe­de­ren dra­gend, over een weg door een ver­la­ten land reist. Met het ver­strij­ken van de tijd komt hij uit­ein­de­lijk uit dat ver­la­ten land, gezond en wel, zon­der ver­lies van eigen­dom. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Voor­heen, toen ik geld en goe­de­ren droeg, reis­de ik over een weg door een ver­la­ten land. Nu ben ik uit dat ver­la­ten land geko­men, gezond en wel, zon­der ver­lies van eigen­dom.’ Om die reden zou hij vreug­de en geluk erva­ren.

Op dezelf­de manier, wan­neer deze vijf hin­der­nis­sen niet opge­ge­ven zijn in hem­zelf, ziet de mon­nik dit als een schuld, een ziek­te, een gevan­ge­nis, een sla­ver­nij, een weg door een ver­la­ten land. Maar als deze vijf hin­der­nis­sen in hem­zelf opge­ge­ven zijn, ziet hij dit als afge­los­te schuld, goe­de gezond­heid, bevrij­ding van de gevan­ge­nis, vrij­heid, een plaats van vei­lig­heid. Ziend dat ze in hem zijn opge­ge­ven, wordt hij blij. “Omdat hij blij is, raakt hij ver­rukt. Omdat hij ver­rukt is, kal­meert zijn lichaam. Met een gekal­meerd lichaam is hij ont­van­ke­lijk voor ple­zier. Zich ple­zie­rig voe­lend, raakt zijn mind gecon­cen­treerd.

(De Vier Jhanas)

Zich vol­ko­men los­ge­maakt heb­bend van zin­tuig­lijk­heid, los­ge­maakt van onheil­za­me men­ta­le kwa­li­tei­ten, gaat hij de eer­ste jha­na bin­nen  en ver­blijft hij daar:  aan de orde zijn ver­ruk­king en ple­zier die voort­ko­men uit los­ma­ken, ver­ge­zeld door begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object. Hij door­dringt, ver­vult en over­giet zijn lichaam met uit los­ma­ken gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier. Net als dat een bekwa­me bad­mees­ter of diens leer­ling bad­poe­der in een bron­zen kom zou gie­ten en het samen zou kne­den, het steeds weer bespren­kelt met water, zo dat zijn bal van bad­poe­der –  ver­za­digd, vol vocht, door­dron­gen van bin­nen en bui­ten – niet zou drup­pe­len; net zo, door­dringt de mon­nik… dit lichaam met uit los­ma­ken gebo­ren ver­ruk­king en het ple­zier, Er is niets in zijn hele lichaam dat niet door­dron­gen is met uit los­ma­ken gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Ver­der, met het ver­stil­len van begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object, gaat hij de twee­de jha­na in en ver­blijft hij daar: hier is spra­ke van uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier, ver­e­ni­ging van de bewust­wor­ding zon­der begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object – inner­lij­ke zeker­heid. Hij door­dringt, ver­vult en over­giet zijn lichaam met uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier. Net als een meer met bron­wa­ter dat van bin­nen­uit opwelt, zon­der toe­stroom uit het oos­ten, wes­ten, noor­den of zui­den, met de hemel die keer op keer over­vloe­di­ge bui­en geeft, zodat de koe­le bron van water die in het meer opwelt het meer door­dringt, ver­vult en over­giet met koel water, waar­door geen deel van het meer niet is door­dron­gen door koel water; net zo, door­dringt de mon­nik… dit lichaam met uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier. Er is niets in zijn hele lichaam dat niet door­dron­gen is met uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

En ver­der, met het ver­va­gen van ver­ruk­king, blijft hij gelijk­moe­dig, opmerk­zaam en alert, en ervaart ple­zier met het lichaam. Hij gaat de der­de jha­na in en ver­blijft daar, waar de Nobe­len van zeg­gen, ‘gelijk­moe­dig en opmerk­zaam, heeft hij een ple­zie­rig ver­blijf.’ Hij door­dringt, en over­giet zijn lichaam met het ple­zier dat afkom­stig is van ver­ruk­king. Net als in een lotus­vij­ver waar­in som­mi­ge lotus­bloe­men , gebo­ren en groei­end in het water, onder­ge­dom­peld blij­ven in het water en bloei­en zon­der uit het water te komen, zodat ze door­dron­gen, ver­vuld en over­go­ten wor­den met koel water van wor­tel tot top, en niets van die lotus­bloe­men niet door­dron­gen wordt door het koe­le water; net zo, door­dringt de mon­nik… dit lichaam met het ple­zier afkom­stig van ver­ruk­king. Er is niets in zijn hele lichaam dat niet door­dron­gen is met van ver­ruk­king afkom­stig ple­zier.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

En ver­der, met het opge­ven van ple­zier en pijn – net als met het eer­de­re ver­dwij­nen van blijd­schap en ver­driet – gaat hij de vier­de jha­na in en ver­blijft hij daar: er is puur­heid van gelijk­moe­dig­heid en opmerk­zaam­heid, zon­der ple­zier of pijn. Hij zit, het lichaam door­drin­gend met een pure, hel­de­re bewust­wor­ding. Net als wan­neer een man van top tot teen bekleed zou zijn met een wit doek, zodat er geen deel van zijn lichaam is dat niet bedekt wordt door het wit­te doek, net zo, zit de mon­nik, zijn lichaam door­drin­gend met een pure, hel­de­re bewust­wor­ding. Er is niets in zijn hele lichaam dat niet door­dron­gen is met pure, hel­de­re bewust­wor­ding

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Kennis Door Inzicht

Met een op deze manier gecon­cen­treer­de mind; puur, hel­der, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op, en laat hij deze nei­gen naar ken­nis en visie. Hij onder­scheidt: ‘Dit lichaam van mij is begif­tigd met vorm, samen­ge­steld uit de vier pri­mai­re ele­men­ten, gebo­ren uit een moe­der en vader, gevoed met rijst en pap, onder­wor­pen aan ver­an­de­ring, wrij­ving, beknel­ling, uit­een­val­len, en ver­strooi­ing. En dit bewust­zijn van mij wordt hier gesteund en is hier gebon­den.’ Net als wan­neer er een won­der­scho­ne beryl edel­steen van het puur­ste water is – met acht facet­ten, goed gepo­lijst, hel­der, door­schij­nend, vol­ko­men in al zijn aspec­ten, en door het mid­den ervan ging een blau­we, gele, rode, wit­te, of brui­ne draad – en een man met goed zicht, het in zijn hand nemend, zou het zo over­pein­zen: ‘Dit is een won­der­scho­ne Beryl edel­steen van het puur­ste water, met acht facet­ten, goed gepo­lijst, hel­der, door­schij­nend, vol­ko­men in al zijn aspec­ten. En dit, door het mid­den ervan gaand, is een blau­we, rode, wit­te, of brui­ne draad.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, hel­der, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar ken­nis en visie. Hij onder­scheidt: ‘Dit lichaam van mij is begif­tigd met vorm, samen­ge­steld uit de vier pri­mai­re ele­men­ten, gebo­ren uit een moe­der en vader, gevoed met rijst en pap, onder­wor­pen aan ver­an­de­ring, wrij­ving, druk­ken, uit­een­val­len, en ver­sprei­den. En dit bewust­zijn van mij wordt hier onder­steund en is hier gebon­den.’

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog uit­ste­ken­der dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Het Mind‐gemaakte Lichaam

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, hel­der, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar het cre­ë­ren van een mind‐gemaakt lichaam. Van­uit dit lichaam cre­ëert hij een ander lichaam, begif­tigd met vorm, gemaakt door de mind, com­pleet in al zijn onder­de­len, niet infe­ri­eur in zijn facul­tei­ten. Net als wan­neer een man een riet­sten­gel uit de blad­sche­de trekt. De gedach­te zou dan in hem opko­men: ‘Dit is de blad­sche­de, dit is de riet­sten­gel. De blad­sche­de is een ding, de riet­sten­gel een ander, maar de riet­sten­gel werd uit de blad­sche­de getrok­ken.’ Of als wan­neer een man een zwaard uit de sche­de trekt. De gedach­te zou in hem opko­men: ‘Dit is het zwaard, dit de sche­de. Het zwaard is een ding, de sche­de een ander, maar het zwaard werd uit de sche­de getrok­ken.’ Of als wan­neer een man een slang uit een mod­der­poel zou trek­ken. De gedach­te zou in hem opko­men: ‘De slang is een ding, de mod­der­poel een ander, maar de slang werd uit de mod­der­poel getrok­ken.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, hel­der, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar  het cre­ë­ren van een mind‐gemaakt lichaam. Van­uit dit lichaam cre­ëert hij een ander lichaam, begif­tigd met vorm, com­pleet in al zijn onder­de­len, niet infe­ri­eur in zijn facul­tei­ten.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Bovennatuurlijk Krachten

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar de vor­men van boven­na­tuur­lij­ke krach­ten. Hij han­teert een veel­voud aan boven­na­tuur­lij­ke krach­ten. Eén zijn­de wordt hij velen; velen zijn­de wordt hij één. Hij ver­schijnt. Hij ver­dwijnt. Hij gaat onge­hin­derd door muren en ber­gen als­of hij door ruim­te gaat. Hij duikt in en uit de aar­de als­of het water was. Hij loopt op water zon­der te zin­ken als­of het droog land is. Met gekruis­te benen zit­tend vliegt hij door de lucht als een vogel. Met zijn hand raakt hij en aait hij zelfs de zon en maan, zo mach­tig en krach­tig is zijn mind. Hij oefent met zijn lichaam invloed uit die zo ver gaat als de Brah­ma werel­den. Net als dat een bekwa­me pot­ten­bak­ker of zijn assis­tent van een goed voor­be­rei­de klei elk soort pot kan vor­men zoals hij wil, of zoals een bekwa­me ivoor­snij­der of zijn assis­tent van goed voor­be­reid ivoor elke soort ivo­ren werk kan snij­den dat hij wil , of zoals een bekwa­me goud­smid of zijn assis­tent van goed voor­be­reid goud elk soort voor­werp kan maken dat hij wil; op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar de vor­men van boven­na­tuur­lij­ke krach­ten… Hij oefent met zijn lichaam invloed uit die zo ver gaat als de Brah­ma werel­den.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Helderhorendheid

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar het god­de­lij­ke oor­ele­ment. Hij hoort – door mid­del van het god­de­lij­ke oor­ele­ment, puur en het men­se­lij­ke over­tref­fend – alle­bei de soor­ten geluid: god­de­lijk en men­se­lijk, ver en dicht­bij. Net als wan­neer een man die over een weg reist de gelui­den van keteldrums zou horen, klei­ne drums, schel­pen, cim­ba­len, en trom­mels zou horen. Hij zou weten, ‘Dat is het geluid van een keteldrum, dat is het geluid van een klei­ne drum, dat is het geluid van schel­pen, dat is het geluid van cim­ba­len, en dat het geluid van trom­mels.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar  het god­de­lij­ke oor­ele­ment. Hij hoort – door mid­del van het god­de­lij­ke oor­ele­ment, puur en het men­se­lij­ke over­tref­fend – alle­bei de soor­ten geluid: god­de­lijk en men­se­lijk, ver en dicht­bij.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Gedachten lezen

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar  het ken­nen van het bewust­zijn van ande­re wezens. Hij kent het bewust­zijn van ande­re wezens, ande­re indi­vi­du­en, na dit met zijn eigen bewust­zijn te heb­ben omvat. Hij onder­scheidt een mind met pas­sie als een mind met pas­sie, en een mind zon­der pas­sie als een mind zon­der pas­sie. Hij onder­scheidt een mind met aver­sie als een mind met aver­sie, en een mind zon­der aver­sie als een mind zon­der aver­sie. Hij onder­scheidt een mind met onwe­tend­heid als een mind met onwe­tend­heid, en een mind zon­der onwe­tend­heid als een mind zon­der onwe­tend­heid. Hij onder­scheidt een beperk­te mind als een beperk­te mind, en een ver­strooi­de mind als een ver­strooi­de mind. Hij onder­scheidt een ver­gro­te mind als een ver­gro­te mind, en een niet ver­gro­te mind als een niet ver­gro­te mind. Hij onder­scheidt een geëx­cel­leer­de mind [een die nog niet op het meest excel­len­te niveau is] als een geëx­cel­leer­de mind, en een niet‐geëxcelleerde mind als een niet‐geëxcelleerde mind. Hij onder­scheidt een gecon­cen­treer­de mind als een gecon­cen­treer­de mind, en een onge­con­cen­treer­de mind als een onge­con­cen­treer­de mind. Hij onder­scheidt een bevrij­de mind als een bevrij­de mind, en een niet‐bevrijde mind als een niet‐bevrijde mind. Net als wan­neer een jon­ge vrouw – of man – dol op sie­ra­den, de weer­spie­ge­ling van haar eigen gezicht in een hel­de­re spie­gel of een schaal hel­der water bekij­ken­de, zou weten dat het ‘onzui­ver’ was als het ‘onzui­ver’ zou zijn. Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van het bewust­zijn van ande­re wezens. Hij kent het bewust­zijn van ande­re wezens, ande­re indi­vi­du­en, na dit met zijn eigen bewust­zijn te heb­ben omvat.  Hij onder­scheidt een mind met pas­sie als een mind met pas­sie, en een mind zon­der pas­sie als een mind zon­der pas­sie… een bevrij­de mind als een bevrij­de mind, en een niet‐bevrijde mind als een niet‐bevrijde mind.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­ste­kend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

De Herinnering aan vorige levens

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van de her­in­ne­ring aan vroe­ge­re levens (let.: vori­ge wonin­gen). Hij her­in­nert zich zijn veel­vul­di­ge vroe­ge­re levens, dat wil zeg­gen, een geboor­te, twee geboor­tes, drie geboor­tes, vier, vijf, tien, twin­tig, der­tig, veer­tig, vijf­tig, hon­derd, dui­zend, hon­derd dui­zend, vele aeo­nen van kos­mi­sche con­trac­tie, vele aeo­nen van kos­mi­sche expan­sie, vele aeo­nen van kos­mi­sche con­trac­tie en expan­sie, zich her­in­ne­rend, ‘Daar had ik die naam, hoor­de ik bij die clan, had ik zo’n uiter­lijk. Zo was mijn voed­sel, zo mijn erva­ring van ple­zier en pijn, zo het ein­de van mijn leven. In die toe­stand over­lij­dend, ont­stond ik daar. Ook daar had ik zo een naam, hoor­de ik bij zo een clan, had ik zo een uiter­lijk. Zo was mijn voed­sel, zo mijn erva­ring van ple­zier en pijn, zo het ein­de van mijn leven. Na het over­lij­den in die zijns­toe­stand, ont­stond ik hier.’ Zo her­in­nert hij zich zijn veel­vul­di­ge vroe­ge­re levens in hun modi en details. Net als wan­neer een man van zijn thuis­dorp naar een ander dorp zou gaan, en dan van dat dorp naar weer een ander dorp, en dan van dat dorp weer terug naar huis. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Ik ging van mijn eigen dorp naar dat dorp daar. Daar stond ik op zo een manier, zat ik op zo een manier, praat­te ik op zo een manier, en bleef ik op die manier stil. Van­af dat dorp ging ik naar dat dorp daar, en daar stond ik op zo een manier, zat ik op zo een manier, praat­te ik op zo een manier, en bleef ik op deze manier stil. Van­af dat dorp kwam ik weer thuis.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van de her­in­ne­ring van vroe­ge­re levens. Hij her­in­nert zich zijn veel­vul­di­ge vroe­ge­re levens… in hun modi en details.

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Het Overgaan en Weer Geboren Worden van Wezens

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van het ver­gaan en weer gebo­ren wor­den van wezens. Hij ziet – met behulp van het hel­der­zien­de oog, puur en het men­se­lij­ke over­tref­fend – wezens over­gaan en weer gebo­ren wor­den, en hij onder­scheidt hoe ze infe­ri­eur en supe­ri­eur, mooi en lelijk, geluk­kig en onge­luk­kig zijn in over­een­stem­ming met hun kar­ma: ‘Deze wezens – die met slecht gedrag in lichaam, spraak, en mind begif­tigd waren, die de Nobe­len beschimp­ten, ver­keer­de ziens­wij­zen had­den en han­del­den onder invloed van ver­keer­de ziens­wij­zen – wer­den bij het uit elkaar val­len van het lichaam, na de dood, weer gebo­ren in de wereld van ver­lies, de slech­te bestem­ming, de lage­re werel­den, in de hel. Maar deze wezens – die met goed gedrag in lichaam, spraak en mind begif­tigd waren, die de Nobe­len niet beschimp­ten, juis­te ziens­wij­zen droe­gen en han­del­den onder invloed van juis­te ziens­wij­zen – wer­den bij het uit elkaar val­len van het lichaam, na de dood, weer gebo­ren in de goe­de bestem­ming in de hemel­se wereld.’ Dus – met behulp van het hel­der­zien­de oog, puur en het men­se­lij­ke over­tref­fend – ziet hij wezens ver­gaan en weer gebo­ren wor­den, en hij onder­scheidt hoe ze infe­ri­eur en supe­ri­eur, mooi en lelijk, geluk­kig en onge­luk­kig zijn in over­een­stem­ming met hun kar­ma. Net als wan­neer er een hoog gebouw in het mid­den van het dorps plein stond, en een man met goed zicht, er boven op staand, de men­sen zou zien die het gebouw in gaan, uit gaan, langs de straat lopen, en op het dorps­plein zit­ten. De gedach­te zou in hem opko­men, ‘Deze men­sen gaan het gebouw in, uit, lopen langs de straat, zit­ten op het dorps­plein.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van het ver­gaan en weer gebo­ren wor­den van wezens. Hij ziet – met behulp van het hel­der­zien­de oog puur en het men­se­lij­ke over­tref­fend – wezens ver­gaan en weer gebo­ren wor­den, en hij onder­scheidt hoe ze infe­ri­eur en supe­ri­eur, mooi en lelijk, geluk­kig en onge­luk­kig zijn in over­een­stem­ming met hun kar­ma…

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer.

Het Vernietigen van de Mentale bezoedelingen

Met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid, richt hij de mind op en laat hij deze nei­gen naar het ver­nie­ti­gen van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen. Hij onder­scheidt, zoals het geko­men is, ´Dit is span­ning… Dit is de oor­zaak van span­ning … Dit is het ophou­den van span­ning … Dit is de weg die voert naar de beëin­di­ging van span­ning … Dit zijn de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de oor­sprong van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de beëin­di­ging van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de weg die voert naar de beëin­di­ging van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen.´ Zijn hart, op deze manier wetend, op deze manier ziend, wordt bevrijdt van het tumult van zin­tuig­lijk­heid, het tumult van gebo­ren wor­den, het tumult van onwe­tend­heid. Met deze bevrij­ding, is er het weten, ´Bevrijd.´ Hij onder­scheidt dat ´Geboor­te is beëin­digd, het hei­li­ge leven ver­vuld, de taak vol­bracht. Er is niets meer in deze wereld.´ Net als wan­neer er een plas water in een berg­dal zou zijn – hel­der, door­zich­tig en onbe­smet – waar een man met goed zicht die op de oever staat schel­pen, kie­zels, en ste­nen, en ook vis scho­len zou kun­nen zien zwem­men en rus­ten, en er zou in hem opko­men, ‘Deze plas water is hel­der, door­zich­tig, en onbe­smet. Hier zijn deze schel­pen, kie­zels, en ste­nen, en ook deze vis­scho­len die zwem­men en rus­ten.’ Op dezelf­de manier – met zijn mind op deze manier gecon­cen­treerd, puur, onbe­vlekt, vrij van gebre­ken, buig­zaam, kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid – richt de mon­nik de mind op en laat hij deze nei­gen naar de ken­nis van de ver­nie­ti­ging van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen. Hij onder­scheidt, zoals het geko­men is, ´Dit is span­ning… Dit is de oor­zaak van span­ning… Dit is de beëin­di­ging van span­ning… Dit is de weg die voert naar de beëin­di­ging­van span­ning… Dit zijn de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de oor­sprong van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de beëin­di­ging van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen… Dit is de weg die voert naar de beëin­di­ging van de men­ta­le bezoe­de­lin­gen.´ Zijn hart, op deze manier wetend, op deze manier ziend, wordt bevrijdt van het tumult van zin­tuig­lijk­heid, het tumult van gebo­ren wor­den, het tumult van onwe­tend­heid. Met deze bevrij­ding, is er het weten, ´Bevrijd.´ Hij onder­scheidt dat ´Geboor­te is beëin­digd, het hei­li­ge leven ver­vuld, de taak vol­bracht. Er is niets meer in deze wereld.´

Ook dit is een vrucht van het hei­li­ge leven, zicht­baar in het hier en nu, nog meer uit­mun­tend dan de vori­ge, en nog sublie­mer. En wat een ande­re vrucht van het hei­li­ge leven betreft, uit­ste­ken­der en sublie­mer dan deze, die is er niet.”

Toen dit was gezegd, zei koning Aja­ta­s­attu tegen de Geze­gen­de: “Won­der­lijk, heer! Won­der­lijk! Net als wan­neer hij over­eind zou zet­ten wat omge­val­len was, zou ont­hul­len wat ver­stopt was, de weg zou laten zien aan iemand die ver­dwaald was, of een lamp zou dra­gen in het don­ker zodat dege­nen met ogen vor­men zou­den kun­nen zien, op dezelf­de manier heeft de Geze­gen­de – met behulp van vele rede­ne­rin­gen – de Dham­ma dui­de­lijk gemaakt. Ik ga naar de Geze­gen­de voor toe­vlucht, naar de Dham­ma, en naar de gemeen­schap van mon­ni­ken. Moge de Geze­gen­de zich mij her­in­ne­ren als een leken­vol­ge­ling die naar hem is gegaan voor toe­vlucht, van­af deze dag, voor de rest van zijn leven.

Een wan­daad is mij over­ko­men heer, in dat ik zo dwaas ben geweest, zo war­rig, en zo onbe­kwaam dat ik mijn vader heb ver­moord – een recht­vaar­dig man, een recht­vaar­di­ge koning – met het oog op konink­lij­ke heer­schap­pij. Moge de Geze­gen­de deze beken­te­nis van mijn wan­daad accep­te­ren zoals hij is, zodat ik in de toe­komst mezelf beter kan beheer­sen.”

Ja, gro­te koning, een wan­daad is u over­ko­men in dat u zo dwaas was, zo war­rig, en zo onbe­kwaam om uw vader te ver­moor­den – een recht­vaar­dig man, een recht­vaar­di­ge koning – met het oog op konink­lij­ke heer­schap­pij. Maar omdat u uw wan­daad als zoda­nig ziet en spijt betuigt in over­een­stem­ming met de Dham­ma, accep­te­ren wij uw beken­te­nis. Want het is een teken van groei in de Dham­ma en Dis­ci­pli­ne van de Nobe­len wan­neer men een wan­daad  als zoda­nig ziet en spijt betuigt in over­een­stem­ming met de Dham­ma en zich in de toe­komst beter beheerst.”

Toen dit was gezegd, zei koning Aja­ta­s­attu tegen de Geze­gen­de: “Goed dan, heer, ik ga nu ver­trek­ken. Veel taken heb ik, veel ver­ant­woor­de­lijk­he­den.”

Doe dan, gro­te koning, waar u het nu tijd voor acht om te doen.”

Dus stond koning Aja­ta­s­attu, ver­heugd en blij met de woor­den van de Geze­gen­de, op van zijn zetel, boog voor hem, en – na om hem heen gegaan te zijn – ver­trok. Niet lang nadat koning Aja­ta­s­attu ver­trok­ken was, sprak de Geze­gen­de tot de mon­ni­ken: “De koning is gewond, mon­ni­ken. De koning is onbe­kwaam. Had hij zijn vader niet ver­moord – die recht­vaar­di­ge man, die recht­vaar­di­ge koning – zou het stof­lo­ze, onbe­vlek­te oog van de Dham­ma in hem opge­ko­men zijn in deze zetel.”

Dat is wat de Geze­gen­de zei. Bevre­digd, ver­heug­den de mon­ni­ken zich in de woor­den van de Geze­gen­de.


Pro­venan­ce: ©1997 Tha­nis­sa­ro Bhikkhu.Transcribed from a file pro­vi­ded by the translator.This Access to Insight edi­ti­on is ©1997–2010.

Terms of use: You may copy, refor­mat, reprint, repu­blish, and redis­tri­bu­te this work in any medi­um what­soe­ver, pro­vi­ded that: (1) you only make such copies, etc. avai­la­ble free of char­ge; (2) you clear­ly indi­ca­te that any deri­va­ti­ves of this work (inclu­ding trans­la­ti­ons) are deri­ved from this sour­ce docu­ment; and (3) you inclu­de the full text of this licen­se in any copies or deri­va­ti­ves of this work. Other­wi­se, all rights reser­ved. For addi­ti­o­nal infor­ma­ti­on about this licen­se, see the FAQ.

How to cite this docu­ment (one sug­ge­sted sty­le): “Sama­ñ­ñap­ha­la Sut­ta: The Fruits of the Con­tem­pla­ti­ve Life” (DN 2), trans­la­ted from the Pali by Tha­nis­sa­ro Bhik­khu. Access to Insight, July 25, 2010, http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/dn/dn.02.0.than.html.