• 23min

Een gesprek met een ouder wordende leken discipel die de dood nadert, vertaald uit het Thai door de Sangha in Wat Pah Nanachat:

Besluit nu om je aandacht te richten op het luisteren naar de Dhamma. Wees, gedurende de tijd dat ik zal spreken, net zo aandachtig op mijn woorden alsof het de Heer Boeddha zelf is die tegenover je zit. Sluit je ogen en maak het jezelf gemakkelijk, breng je geest tot rust en maak het éénpuntig. Sta de drie juwelen van wijsheid, waarheid en zuiverheid nederig toe om in je bewustzijn te blijven, als een manier om respect te tonen aan de Volledig Verlichte.

Vandaag heb ik niets materieels van substantie om je aan te bieden, alleen Dhamma, de leer van de Heer Boeddha. Luister goed. Je moet begrijpen dat zelfs de Boeddha zelf, met zijn grote voorraad geaccumuleerde deugd, de fysieke dood niet kon vermijden. Toen hij de ouderdom bereikte heeft hij afstand gedaan van zijn lichaam en liet hij de zware last ervan los. Nu moet ook jij leren om tevreden te zijn met de vele jaren waarin je reeds kon vertrouwen op je lichaam. Je zou moeten voelen dat het genoeg is.

Je kunt het vergelijken met huishoudelijke gebruiksvoorwerpen die je gedurende een lange tijd hebt gehad – je kopjes, schotels, borden en zo verder. Toen je ze voor het eerst had waren ze schoon en glimmend, maar nu ze zo lang gebruikt zijn, beginnen ze te slijten. Sommige zijn al gebroken, sommige zijn verdwenen en degene die zijn achtergebleven verslechteren; ze hebben geen stabiele vorm en het ligt in hun aard om zo te zijn. Je lichaam is hetzelfde – het is continu bezig geweest te veranderen vanaf de dag dat je werd geboren, gedurende je kinderjaren en je jeugd, tot het nu de ouderdom heeft bereikt. Je moet dat accepteren. De Boeddha zei dat condities, (saṅkhāra’s), of het nu interne, lichamelijke, of externe condities betreft, niet-zelf zijn, het is hun aard om te veranderen. Overpeins deze waarheid totdat je deze helder inziet.

Dit specifieke brok vlees dat hier in verval ligt, is saccadhamma, de waarheid. De waarheid van dit lichaam is saccadhamma, en het is de onveranderlijke leer van de Boeddha. De Boeddha leerde ons om te kijken naar het lichaam, om het te overpeinzen en ons te verzoenen met de aard ervan. We moeten in staat zijn om vrede te hebben met het lichaam, ongeacht de staat waarin het zich bevindt. De Boeddha leerde dat we ons ervan moeten verzekeren dat het slechts het lichaam is dat is opgesloten in de gevangenis en ons bewustzijn niet erbij moeten opsluiten. Als nu ons lichaam in verval raakt en verslechtert naarmate de leeftijd vordert, bied daar geen weerstand aan, maar laat je bewustzijn niet tegelijkertijd verslechteren. Houd het bewustzijn apart. Geef energie aan het bewustzijn door het verwezenlijken van de waarheid van de aard der dingen. De Heer Boeddha leerde dat dit de aard is van het lichaam, het kan niet anders zijn: na geboren te zijn wordt het ouder en ziek en dan sterft het. Dit is een grote waarheid waarmee je op dit moment geconfronteerd wordt. Kijk naar het lichaam met wijsheid en wees je ervan bewust.

Zelfs als je huis overstroomd is of tot aan de grond is afgebrand, ongeacht het gevaar dat het bedreigt, laat het slechts het huis betreffen. Als er overstroming is, laat je bewustzijn niet overstromen. Als er brand is, laat je bewustzijn niet branden. Laat het slechts het huis zijn, datgeen dat zich buiten jezelf bevindt, dat overstroomd en verbrand is. Sta het bewustzijn toe zijn gehechtheden los te laten. De tijd is rijp.

Je hebt een lange tijd geleefd. Jouw ogen hebben ontelbare vormen en kleuren gezien, jouw oren hebben zoveel geluiden gehoord, je hebt ontelbare ervaringen gehad. En dat is alles wat ze waren – slechts ervaringen. Je hebt heerlijke maaltijden gegeten en alle goede smaken waren slechts goede smaken, niets meer. De onplezierige smaken waren slechts onplezierige smaken, dat is alles. Als het oog een mooie vorm ziet, dan is dat alles wat het is, slechts een mooie vorm. Een lelijke vorm is slechts een lelijke vorm. Het oor hoort een meeslepend, melodieus geluid en het is niets meer dat dat. Een knarsend, disharmonisch geluid is simpelweg hetzelfde.

De Boeddha zei dat rijk of arm, jong of oud, mens of dier, geen wezen in deze wereld zich in één enkele vorm kan handhaven gedurende lange tijd, alles ervaart verandering en verwijdering, Dit is een feit van het leven waaraan we niets kunnen doen om het te verhelpen. Maar de Boeddha zei dat wat we kunnen doen het overpeinzen van het lichaam en de geest is, op zodanige wijze dat wij het onpersoonlijke ervan inzien, inzien dat geen van beide ‘mij’ of ‘mijn’ zijn. Ze hebben slechts een tijdelijke realiteit. Het is net als dit huis: het is alleen in naam van jou, je zou het niet overal met je mee naar toe kunnen nemen. Het is hetzelfde met je rijkdom, je bezittingen en je familie – ze zijn allemaal slechts van jou in naam, ze behoren je niet werkelijk toe, ze behoren toe aan de natuur. Nu is het zo dat deze waarheid niet alleen van toepassing is op jou alleen; iedereen is in dezelfde positie, zelfs de Heer Boeddha en zijn verlichte discipelen. Ze verschilden van ons in slechts één opzicht en dat was in hun acceptatie van de aard der dingen; zij zagen in dat het niet anders zou kunnen zijn.

Dus leerde de Boeddha ons om dit lichaam te scannen en te onderzoeken, van de zolen van de voeten tot aan de kruin van het hoofd en vervolgens weer terug naar de voeten. Kijk maar eens naar het lichaam. Welke soort dingen zie je? Is er iets intrinsiek zuivers? Kun je enige blijvende essentie vinden? Dit hele lichaam degenereert gestaag, en de Boeddha leerde ons om te zien dat het ons niet toebehoort. Het is de aard van het lichaam om zo te zijn, omdat alle geconditioneerde verschijnselen onderhevig zijn aan verandering. Hoe had je het anders gewild? Eigenlijk is er niets mis met de manier waarop het lichaam is. Het is niet het lichaam dat jouw lijden veroorzaakt, het is jouw verkeerde denkwijze. Wanneer je het juiste verkeerd ziet, moet er wel verwarring ontstaan.

Het is als het water van een rivier. Het stroomt van nature neerwaarts van de helling, het stroomt er nooit tegenop; dat is zijn aard. Als iemand op de oever van de rivier zou staan, dwaas wensend dat het water stroomopwaarts tegen de helling zou moeten stromen terwijl hij ziet dat de rivier snel naar beneden zijn weg volgt, dan zou hij lijden. Wat hij ook zou doen, zijn onjuiste denkwijze zou hem geen gemoedsrust gunnen. Hij zou ongelukkig zijn vanwege zijn verkeerde zienswijze, denkend tegen de stroom in. Als hij de juiste zienswijze zou hebben dan zou hij inzien dat water onvermijdelijk neerwaarts van de helling moet stromen, en totdat hij zich bewust is geworden van dat feit en het geaccepteerd heeft, zou deze persoon geagiteerd en overstuur zijn.

De rivier die naar beneden moet stromen van de helling is als jouw lichaam. Na jong te zijn geweest is je lichaam oud geworden, meanderend richting zijn dood. Wens niet dat het anders is, het is niet iets dat binnen je vermogen ligt om te verhelpen. De Boeddha vertelde ons om de dingen te zien zoals ze zijn en onze hechting eraan dan los te laten. Zie dit gevoel van loslaten als je toevluchtsoord.

Blijf mediteren, zelfs als je je moe en uitgeput voelt. Laat je bewustzijn stilstaan bij de adem. Haal een paar keer diep adem, en richt het bewustzijn vervolgens op de adem terwijl je de mantra ‘buddho’ gebruikt. Maak een gewoonte van deze oefening. Hoe meer uitgeput je je voelt, des te subtieler en gerichter het bewustzijn moet zijn zodat je om kunt gaan met de pijnlijke sensaties die verschijnen. Wanneer je je vermoeid gaat voelen stop dan al je denken, laat het bewustzijn zichzelf bijeen rapen en richt je dan op het besef van ademhalen. Ga gewoon door met de innerlijke recitatie: ”bud-dho, bud-dho.”

Laat alle externe zaken los. Ga niet grijpen naar gedachten over je kinderen en familieleden, grijp helemaal nergens naar. Laat los. Laat het bewustzijn zich verenigen in één enkel punt en laat dit gerichte bewustzijn bij je adem blijven. Laat de adem zijn enige object van kennis zijn. Concentreer je totdat de aandacht geleidelijk subtieler wordt, totdat gevoelens onbelangrijk worden en er een grotere innerlijke helderheid en waakzaamheid ontstaat. Als er dan pijnlijke sensaties ontstaan zullen ze geleidelijk uit zichzelf stoppen. Uiteindelijk zul je de adem beschouwen alsof het een familielid is, die bij je op bezoek is.

Wanneer een familielid vertrekt volgen we hem naar buiten en nemen we afscheid van hem. We kijken totdat hij uit het zicht is gelopen of gereden en daarna gaan we weer naar binnen. We beschouwen de adem op dezelfde wijze. Als de adem grof is, weten we dat hij grof is. Als hij subtiel is, weten we hij subtiel is. Terwijl hij steeds subtieler wordt blijven we hem volgen, terwijl we ons bewustzijn tegelijkertijd steeds waakzamer maken. Uiteindelijk verdwijnt de adem in zijn geheel en het gevoel van waakzaamheid is alles dat overblijft. Dit wordt ‘de Boeddha ontmoeten’ genoemd. We hebben de heldere waakzaamheid die we “buddho” noemen, degene die weet, degene die wakker is, degene die straalt. Het is ontmoeten met en verblijven bij de Boeddha, met kennis en helderheid. Want het was slechts de historische vlees-en-bloed Boeddha die Parinibbāna betrad; de ware Boeddha, de Boeddha die helder en stralend weet, kunnen we nog steeds vandaag de dag ervaren en terwijl we dat doen, is ons bewustzijn en de Boeddha één.

Dus laat los, leg alles neer, alles behalve het weten. Laat je niet misleiden als visioenen of geluiden gedurende de meditatie in je bewustzijn ontstaan. Leg ze allemaal neer. Houd je aan niets vast, blijf slechts bij dit non-dualistische bewustzijn. Maak je geen zorgen over het verleden of de toekomst, wees slechts kalm en je zult de plek bereiken waar geen voortbewegen, terugtrekken, en geen stilstaan is, waar er niets is om naar te grijpen of aan vast te klampen. Waarom? Omdat er geen zelf bestaat, geen ‘mij’ of ‘mijn’. Het is allemaal verdwenen. De Boeddha leerde ons om op deze wijze onszelf van alles leeg te maken, om niets bij ons te dragen. Om te weten, en al wetend, los te laten.

Het verwezenlijken van de Dhamma, het pad naar de vrijheid van de ronde van geboorte en dood, is een klus die we allemaal alleen moeten klaren. Dus blijf proberen om los te laten en de leringen te begrijpen. Doe echt je best voor je meditatie. Maak je niet druk over je gezin. Op dit moment zijn ze zoals ze zijn, in de toekomst zullen ze zoals jou zijn. Er is niemand in de wereld die aan dit lot kan ontsnappen. De Boeddha vertelde ons om alles neer te leggen dat een echte blijvende substantie mist. Als je alles neerlegt zul je de waarheid zien, als je dit niet doet, dan niet. Dat is de manier waarop het is en het geldt voor iedereen, dus maak je geen zorgen en grijp nergens naar.

Zelfs als je merkt dat je aan het denken bent, wel, dat is ook prima, zolang je maar verstandig denkt. Denk niet dwaas. Als je aan je kinderen denkt, denk aan hen met wijsheid, niet met dwaasheid. Waar je bewustzijn zich ook op richt, denk dan en ken dat ding met wijsheid, je bewust van zijn aard. Als je iets met wijsheid kent, laat het dan los en er zal geen lijden zijn. Het bewustzijn is helder, vreugdevol en kalm, en terwijl het zich afwendt van afleidingen is het onverdeeld. Op zoek naar hulp en ondersteuning kun je dat op dit moment bij je ademhaling vinden.

Dit is jouw eigen klus, niet die van iemand anders. Laat anderen hun eigen klus klaren. Jij hebt je eigen plicht en verantwoordelijkheid en je hoeft niet die van je familie op je te nemen. Pak niets anders op, laat het allemaal los. Het loslaten zal je bewustzijn kalmeren. Jouw enige verantwoordelijkheid op dit moment, is om je bewustzijn te richten en het tot rust te brengen. Laat alle andere zaken over aan anderen. Vormen, geluiden, geuren, smaken – laat ze aan anderen over om er zich mee bezig te houden. Laat alles achter je en vervul je eigen taak, vervul je eigen verantwoordelijkheid. Wat er ook in je bewustzijn verschijnt, of het nu angst voor pijn, angst voor de dood, angst voor anderen of wat dan ook is, zeg het volgende: “Stoor mij niet. Jullie zijn mijn zaken niet meer.” Blijf slechts dit tegen jezelf zeggen wanneer je die dhamma’s ziet verschijnen.

Waar verwijst het woord ‘dhamma’ naar? Alles is een dhamma. Er is niets dat geen dhamma is. En hoe zit het met de “wereld’? De wereld is de speciale mentale toestand die je op dit moment in beroering brengt. “Wat zal die persoon doen? Wie zal voor hen zorgdragen, wanneer ik dood ben? Hoe zullen ze zich redden?” Dit alles is slechts ‘de wereld’. Zelfs het enkele verschijnen van een gedachte aan de angst voor de dood of pijn, is de wereld.

Gooi de wereld weg! De wereld is zoals hij is. Als je hem toestaat om in je geest te verschijnen en je bewustzijn te domineren, dan raakt het bewustzijn verduisterd en kan het zichzelf niet zien. Dus, wat er ook in je geest verschijnt, zeg slechts: “Dit zijn mijn zaken niet. Het is vergankelijk, onbevredigend en niet-zelf”.

Denken dat je het fijn zou vinden om voor een lange tijd te leven zal ervoor zorgdragen dat je lijdt. Maar denken dat je het fijn zou vinden om meteen te sterven of snel te sterven is ook niet juist; het is lijden, nietwaar? Condities behoren ons niet toe, ze volgen hun eigen natuurlijke wetten. Je kunt niets veranderen aan de manier waarop het lichaam is. Je kunt het een beetje mooier maken, ervoor zorgen dat het er een tijdje aantrekkelijk en schoon uitziet, net zoals de jonge meisjes die hun lippen stiften en hun nagels lang laten groeien, maar wanneer de ouderdom komt bevindt iedereen zich in hetzelfde schuitje. Dat is de manier waarop het lichaam is, je kunt het op geen enkele wijze veranderen. Maar wat je kunt verbeteren en zuiver maken is het bewustzijn.

Iedereen kan een huis bouwen van hout en steen, maar de Boeddha leerde ons dat dat soort huis niet ons echte thuis is, het is alleen in naam van ons. Het is een thuis in de wereld en het volgt de wegen van de wereld. Ons echte thuis is innerlijke vrede. Een extern materieel thuis kan best mooi zijn, maar het is niet erg vredig. Er is dan deze zorg en dan die, deze angst en dan die. Dus zeggen we dat het niet ons echte thuis is, het bevindt zich buiten ons, vroeger of later zullen we het op moeten geven. Het is niet een plek waarin we permanent kunnen leven omdat het ons niet werkelijk toebehoort, het is onderdeel van de wereld. Ons lichaam is hetzelfde; we zien het als zelf, als ‘mij’ en ‘mijn’, maar in feite is dat helemaal niet zo, het is een ander aards thuis. Je lichaam heeft zijn natuurlijke beloop gevolgd vanaf de geboorte totdat het nu oud en ziek is en je kunt het niet verbieden om dat te doen, dat is de manier waarop het is. Om het anders te willen zou net zo dwaas zijn als willen dat een eend een kip is. Wanneer je ziet dat dat onmogelijk is, dat een eend een eend moet zijn, dat een kip een kip moet zijn en dat lichamen oud moeten worden en sterven, zul je kracht en energie vinden. Hoezeer je ook wilt dat het lichaam voort bestaat en voor een lange tijd meegaat, het zal het niet doen.

De Boeddha zei:

Anicca vata saṅkhāra
Uppada vayadhammino
Uppajjhitva nirujjhanti
Tesam vupasamo sukho.

Condities zijn vergankelijk,
onderhevig aan verschijnen en wegvallen
Na hun ontstaan stoppen ze -
Hun kalmeren is gelukzaligheid.

Het woord saṅkhāra verwijst naar dit lichaam en deze geest. Saṅkhāra’s zijn vergankelijk en instabiel, nadat ze zijn ontstaan verdwijnen ze, na hun verschijnen vallen ze weg en toch wil iedereen dat ze onvergankelijk zijn. Dit is dwaasheid. Kijk naar de adem. Nadat deze naar binnen is gekomen gaat het naar buiten; dat is zijn aard, dat is zoals het moet zijn. De inademing en de uitademing moeten elkaar afwisselen, er moet verandering zijn. Saṅkhāra’s bestaan door verandering, je kunt het niet voorkomen. Denk slechts: zou je uit kunnen ademhalen zonder in te ademen? Zou het goed voelen? Of zou je slechts in kunnen ademen? We willen dat dingen onvergankelijk zijn, maar dat kunnen ze niet zijn, het is onmogelijk. Op het moment dat de adem naar binnen is gekomen, zal het naar buiten moeten gaan; wanneer het naar buiten is gegaan komt het weer naar binnen, en dat is natuurlijk, nietwaar? Na geboren te zijn worden we oud en ziek en dan sterven we, en dat is compleet natuurlijk en normaal. Het is vanwege de saṅkhāra’s die hun taak hebben verricht, omdat de inademingen en uitademingen elkaar hebben afgewisseld op deze manier, dat het menselijk ras vandaag de dag nog steeds bestaat.

Zodra we geboren zijn, zijn we dood. Onze geboorte en dood betreffen één en dezelfde aangelegenheid. Het is als een boom: wanneer er een wortel is, zullen er takken moeten zijn. Wanneer er takken zijn, zal er een wortel moeten zijn. Je kunt het ene niet hebben zonder het andere. Het is een beetje grappig om te zien hoe bij een sterfgeval mensen zo door droefheid geslagen, radeloos, vol tranen en verdrietig zijn en bij een geboorte hoe gelukkig en verrukt. Het is illusie, niemand heeft hier ooit helder naar gekeken, ik denk dat als je echt wilt huilen, dan zou het beter zijn om dit te doen wanneer iemand wordt geboren. Omdat geboorte eigenlijk dood is, dood is geboorte, de wortel is de tak, de tak is de wortel. Als je dan toch moet huilen, huil bij de wortel, huil bij de geboorte. Bekijk het van nabij: als er geen geboorte was dan zou er geen dood zijn. Kun je dit begrijpen?

Denk niet te veel. Gewoon denken : “Dit is de manier waarop de dingen zijn.” Het is jouw taak, jouw plicht. Op dit moment kan niemand je helpen, er is niets dat je familie en je bezittingen voor je kunnen doen. Het enige dat je nu kan helpen is het juiste bewustzijn.

Twijfel dus niet. Laat gaan. Gooi het allemaal weg.

Zelfs als je niet loslaat, staat alles sowieso op punt van vertrekken. Kun je dat zien, hoe alle verschillende delen van je lichamen proberen te ontglippen? Neem je haar: het was dik en zwart toen je jong was, nu valt het uit. Het vertrekt. Je ogen waren goed en sterk en nu zijn ze zwak en je zicht is onhelder. Wanneer de organen er genoeg van hebben vertrekken ze, dit is niet hun thuis. Toen je een kind was waren je tanden gezond en sterk; nu zijn ze wiebelend, misschien heb je een kunstgebit. Je ogen, oren, neus, tong – alles probeert te vertrekken omdat dit niet hun thuis is. Je kunt geen onvergankelijk thuis maken in een saṅkhāra; je kunt er een korte tijd verblijven en dan moet je vertrekken. Het is als een huurder die toezicht houdt op zijn minuscuul kleine huisje met gebrekkige ogen. Zijn tanden zijn niet zo sterk, zijn oren zijn niet zo goed, zijn lichaam is niet zo gezond, alles vertrekt.

Dus je hoeft je nergens zorgen over te maken, want dit is niet je echte thuis, het is gewoon een tijdelijk onderdak. Als je in deze wereld bent gekomen, moet je de aard ervan overwegen. Alles wat er is, bereidt zich voor om te verdwijnen. Kijk naar je lichaam. Is daar iets dat nog zijn oorspronkelijke vorm heeft? Is jouw huid zoals die was? En je haar? Het is niet hetzelfde, is het niet zo? Waar is alles gebleven? Dit is natuurlijk, de manier waarop dingen zijn. Wanneer hun tijd voorbij is, gaan geconditioneerde verschijnselen hun eigen weg. In deze wereld is niets waar je op kunt vertrouwen – het is een eindeloze ronde van verstoring en problemen, plezier en pijn. Er is geen vrede.

Wanneer we geen echt thuis hebben zijn we als een doelloze reiziger onderweg, dan weer deze weg gaand en dan weer die weg, tijdelijk stoppend en dan opnieuw vertrekkend. Totdat we terugkeren naar ons echte thuis zullen we ons slecht op ons gemak voelen, wat we ook doen, net als iemand die zijn dorp heeft verlaten om op reis te gaan. Alleen wanneer hij opnieuw thuis is kan hij werkelijk ontspannen en zich op zijn gemak voelen.

Nergens in de wereld kan enige echte vrede worden gevonden. De armen hebben geen vrede en ook de rijken niet. Volwassenen hebben geen vrede, kinderen hebben geen vrede , de slecht opgeleiden hebben geen vrede en ook de hoger opgeleiden niet . Er is nergens vrede. Dat is de aard van de wereld.

Degenen met weinig bezittingen lijden en dit geldt ook voor degenen met veel bezittingen. Kinderen, volwassenen, de ouderen, iedereen lijdt. Het lijden van oud zijn, het lijden van jong zijn, het lijden van welgesteld zijn en het lijden van arm zijn, het is allemaal niets dan lijden.

Wanneer je over deze zaken nagedacht hebt op deze manier, zul je anicca, vergankelijkheid, en dukkha, onbevredigendheid zien. Waarom zijn dingen vergankelijk en onbevredigend? Dat is zo omdat zij anattā, niet-zelf zijn.

Zowel je lichaam dat hier ziek en pijnlijk ligt als de geest die zich bewust is van zijn ziekte en pijn, worden dhamma’s genoemd. Datgene dat vormeloos is, de gedachten, gevoelens en percepties, wordt nāmadhamma genoemd. Datgene dat gekweld wordt door pijnen en kwalen wordt rūpadhamma genoemd. Het materiële is dhamma en het immateriële is dhamma. Dus leven we met dhamma’s, in dhamma, we zijn dhamma. In werkelijkheid is er geen zelf dat ergens kan worden gevonden, er zijn slechts dhamma’s die continu verschijnen en verdwijnen, conform hun aard. Elk moment ondergaan we geboorte en dood. Dit is de manier waarop de dingen zijn.

Als we denken aan de Heer Boeddha, hoe waarachtig hij sprak, voelen we hoe waardig hij is voor begroeting, eerbied en respect. Wanneer we de waarheid van iets zien, zien we zijn leringen, ook al hebben we nog nooit de Dhamma beoefend. Maar ook al hebben we kennis van zijn leringen, ze bestudeerd en beoefend, maar nog steeds hun waarheid niet inzien, dan zijn we nog steeds zonder thuis.

Dus begrijp dit standpunt dat alle mensen, alle wezens, op het punt van vertrek staan. Wanneer wezens een passende tijd hebben geleefd dan gaan ze hun eigen weg. De rijken, de armen, de jongeren, de ouderen, alle wezens moeten deze verandering ondergaan.

Wanneer je je realiseert dat dit de manier is waarop de wereld in elkaar steekt, zul je voelen dat het een vermoeiende plek is. Als je ziet dat er niets stabiels of wezenlijks is waarop je kunt vertrouwen, zul je je moe en ontgoocheld voelen. Je ontgoocheld voelen wil overigens niet zeggen dat je vermijdend bent. De geest is helder. Het ziet dat er niets kan worden gedaan om deze stand van zaken te verhelpen, het is slechts de aard van de wereld. Als je op deze manier kennis hebt kun je gehechtheid loslaten, loslaten met een bewustzijn dat noch gelukkig noch verdrietig is, maar in vrede met saṅkhāra’s doordat hun vergankelijke natuur met wijsheid wordt ingezien.

Anicca vata saṅkhāra - alle sankhara’s zijn vergankelijk. Om het simpel te formuleren: vergankelijkheid is de Boeddha. Als we een vergankelijk verschijnsel echt helder beschouwen, zullen we zien dat het permanent is, permanent in de zin dat zijn onderwerping aan verandering onveranderlijk is. Dit is de permanentie die levende wezens bezitten. Er is continu transformatie, vanaf kindertijd via jeugdjaren naar ouderdom, en die specifieke vergankelijkheid, die aard om te veranderen, is permanent en vaststaand. Als je het zo beschouwt zal je hart rustig zijn. Jij bent niet de enige die dit moet doorstaan, het betreft iedereen.

Wanneer je zaken zo beschouwt, zul je ze zien als vermoeiend en zal ontgoocheling ontstaan. Jouw genot in de wereld van zintuiglijk genoegens zal verdwijnen. Je zult zien dat wanneer je een heleboel dingen bezit, je een heleboel achter moet laten; als je weinig dingen bezit zul je weinig dingen hoeven achter te laten. Rijkdom is slechts rijkdom, een lang leven is slechts een lang leven, ze zijn niet bijzonder.

Wat belangrijk is, is dat we zouden moeten doen zoals de Heer Boeddha onderwees en ons eigen thuis bouwen, het bouwen conform de methode die ik je heb uitgelegd. Bouw je thuis. Laat gaan. Laat gaan totdat het bewustzijn de kalmte bereikt die vrij is van toenemen, vrij van terugtrekken en vrij van stilvallen. Genot is niet ons thuis, pijn is niet ons thuis. Genot en pijn nemen allebei af en vallen weg.

De Grote Leraar zag dat alle saṅkhāra’s vergankelijk zijn en dus leerde hij ons om onze gehechtheid eraan los te laten. Wanneer we het einde van ons leven bereiken zullen we sowieso geen keuze hebben, we zullen niet in staat zijn om iets mee te nemen. Dus zou het dan niet beter zijn om voor die tijd dingen los te laten? Ze zijn slechts een zware last om rond te dragen; waarom deze last niet op dit moment afgooien? Waarom de moeite nemen om ze rond te slepen? Laat los, ontspan en laat je familie voor je zorgen.

Degenen die de zieken verzorgen groeien in goedheid en deugd. Degene die ziek is en anderen deze kans geven zou het niet moeilijk voor hen moeten maken. Als er pijn is of het een of andere probleem, laat ze dat weten en houd de geest in een gezonde conditie. Degene die ouders verzorgt zou zijn of haar geest moeten vullen met warmte en vriendelijkheid, niet door aversie moeten worden bevangen. Dit is het enige moment waarop je je schuld aan hen kunt terugbetalen. Vanaf je geboorte en door je kinderjaren, terwijl je opgroeide, was je afhankelijk van je ouders. Dat we vandaag hier zijn is vanwege onze moeders en vaders die ons op zoveel mogelijk manieren hebben geholpen. We zijn hen ongelooflijk veel dankbaarheid verschuldigd.

Dus vandaag hebben al je kinderen en familieleden zich verzameld, zie hoe je ouders je kinderen zijn geworden. Eerder waren jullie hun kinderen, nu worden zij de jouwe. Ze worden ouder en ouder totdat ze weer kinderen zijn geworden. Hun herinneringen vervagen, hun ogen zien niet zo goed en hun oren horen niet, soms haspelen zij hun woorden door elkaar. Raak er niet door van streek. Een ieder van jullie die zieken verzorgt moet weten hoe los te laten. Houd geen dingen vast, laat slechts gaan en laat ze hun eigen weg volgen. Wanneer een jong kind ongehoorzaam is geven ouders het soms zijn zin, alleen maar om de vrede te bewaren, om het gelukkig te maken. Jouw ouders zijn nu als dat kind. Hun herinneringen en percepties zijn verward. Soms verwarren ze jullie namen, of jullie vragen hen om jullie een kopje te geven en zij brengen een bord. Het is normaal, raak er niet door verstoord.

Laat de patiënt zich de vriendelijkheid herinneren van degenen die hem verzorgen en pijnlijke gevoelens geduldig verdragen. Oefen jezelf mentaal, laat het bewustzijn niet verstrooid en geagiteerd worden en maak de zaken niet moeilijk voor degenen die voor je zorgen. Laat de degenen die verzorgen hun geest vullen met deugd en vriendelijkheid. Heb geen aversie tegen het onaantrekkelijke van de taak, om etter en slijm schoon te maken, of urine en uitwerpselen. Doe je best. Iedereen in de familie helpt mee.

Dit zijn de enige ouders die je hebt gekregen. Ze gaven je het leven, ze waren je leraren, je verpleegsters en je artsen – ze zijn alles voor je geweest. Dat ze je hebben opgevoed, hun rijkdom met je deelden en jullie hun erfgenamen maakten is de grote verdienste van ouders. Bijgevolg onderwees de Boeddha de deugden van kataññu en kataved, van het besef van onze schuld van dankbaarheid en om te proberen deze terug te betalen. Deze twee deugden vullen elkaar aan. Als onze ouders behoeftig zijn of problemen hebben, is het onze plicht om ze te helpen. Dit is kataññu-kataved, het is een deugd, die de wereld ondersteunt. Het voorkomt dat gezinnen uit elkaar gaan, het maakt ze stabiel en harmonieus.

Vandaag heb ik je de Dhamma gebracht als een geschenk in deze tijd van ziekte. Ik heb geen materiële zaken om je te geven; het lijkt dat erop dat er al genoeg van in dit huis aanwezig zijn, dus geef ik je de Dhamma, iets dat een blijvende waarde heeft, iets dat je nooit zult kunnen uitputten. Omdat je het van mij hebt ontvangen kun je het doorgeven aan zoveel anderen als je wilt, en het zal nooit uitgeput raken. Dat is de aard van de waarheid. Ik ben blij dat ik in staat was om je dit geschenk van ‘Dhamma’ te geven en ik hoop dat het je kracht zal geven om met je pijn om te gaan.


Ajahn Chah werd geboren in een groot en welgesteld gezin in een landelijk dorp in het noordoosten van Thailand. Hij werd in zijn vroege jeugdjaren als novice gewijd en op twintigjarige leeftijd nam hij een hogere wijding als monnik aan. Als jonge monnik bestudeerde hij enige elementaire Dhamma, Discipline en geschriften. Later beoefende hij meditatie onder de begeleiding van verschillende plaatselijke meditatiemeesters in de ascetische ‘woudtraditie’. Hij zwierf gedurende een aantal jaren rond in de stijl van een ascetische monnik, slapend in de bossen, grotten en op crematieplaatsen en bracht een korte maar verhelderende periode door bij Ajahn Mun, één van de meest bekende en gerespecteerde Thaise meditatiemeesters van deze eeuw.

Na vele jaren van reizen en beoefening, werd hij uitgenodigd om zich te vestigen in een dichtbegroeid bos in de buurt van het dorp van zijn geboorte. Dit bos was onbewoond, bekend als een plaats van cobra’s , tijgers en geesten, en was dus, zoals hij zei, de perfecte locatie voor een bosmonnik. Rondom Ajahn Chah vormde zich een groot klooster, naarmate meer en meer monniken, nonnen en leken kwamen om zijn leringen te horen en te blijven om met hem te oefenen. Op dit moment zijn er meer dan veertig aftakkingen van berg en bos tempels in heel Thailand en ook in Engeland en Australië.

Bij het betreden van Wat Pah Pong is het waarschijnlijk dat men monniken aantreft die water uit een bron halen en een bord op het pad waarop staat: “Jij daar, wees stil ! We proberen te mediteren.” Hoewel er twee keer per dag een groepsmeditatie is, is de manier van leven de kern van de meditatie. Monniken doen handmatig werk, kleuren en naaien hun eigen gewaden, maken het grootste deel van hun eigen gereedschap zelf en houden de kloostergebouwen en het terrein in onberispelijke vorm. De leefwijze van de monniken hier is zeer eenvoudig, volgens de ascetische voorschriften van één keer per dag eten vanuit een bedelaarsnap en het beperken van hun bezittingen en gewaden. Verspreid door het bos zijn individuele hutten waar monniken teruggetrokken leven en mediteren, en waar ze hun loopmeditatie doen op schoongemaakte paden onder de bomen.

De discipline is uiterst streng waardoor men in staat wordt gesteld om een simpel en zuiver leven te leiden in een harmonieuze, gereguleerde gemeenschap waar deugd, meditatie en wijsheid vakkundig en doorlopend kunnen worden ontwikkeld.

Ajahn Chah’s eenvoudige maar diepgaande stijl van lesgeven heeft een bijzondere aantrekkingskracht voor Westerlingen, en velen zijn gekomen om met hem te studeren en te oefenen, waarvan velen voor vele jaren. In 1975 werd Wat Pah Nanachat opgericht in de buurt van Wat Pah Pong als een speciaal opleidingsklooster voor het groeiende aantal Westerlingen die geïnteresseerd waren in het volgen van de kloostertraining. Sinds dat moment is een groot aantal Westerse senior discipelen begonnen met het verspreiden van de Dhamma in het Westen. Ajahn Chah zelf reisde twee keer tussen Europa en Noord-Amerika en hij heeft een bloeiend afdelingsklooster gevestigd in Sussex, Engeland.

Wijsheid is een manier van leven en zijn en Ajahn Chah heeft getracht om de eenvoudige levensstijl te behouden zodat heden ten dage mensen de Dhamma kunnen bestuderen en beoefenen.

Ajahn Chah’s heerlijk eenvoudige stijl van lesgeven kan bedrieglijk zijn. Het is vaak zo dat pas nadat men iets van hem meerdere keren heeft gehoord, iemands bewustzijn rijp is en de leer plotseling een diepere betekenis krijgt. Zijn vaardigheid in het afstemmen van zijn uitleg van de Dhamma op tijd en plaats, en op het begrip en de gevoeligheid van zijn publiek, is prachtig om te zien. Soms echter kan dit hem op papier inconsistent of zelfs tegenstrijdig doen lijken! Op zulke momenten moet de lezer niet vergeten dat deze woorden een registratie zijn van levende ervaring. Als op vergelijkbare wijze de leringen soms lijken te variëren al naar gelang de traditie, moet men in gedachten houden dat de eerwaarde Ajahn altijd vanuit het hart sprak, vanuit de diepten van zijn eigen mediatieve ervaring.

Bovenstaande tekst is door buddho.nl naar het Nederlands vertaald. De Engelse versie, Our Real Home staat op Access to Insight.