• 12min

Het Boeddhisme draait om het bevrijden van de mind. Om dit te bewerkstelligen onderwees de Boeddha zijn weg van moraliteit (sila), concentratie (samadhi) en wijsheid (pañña).

Deze drie trainingen ondersteunen en versterken elkaar. Het is door middel van pañña dat de beoefenaar uiteindelijk uit eigen ervaring doorziet dat alles in deze wereld veranderlijk, onbevredigend en zonder een onderliggend zelf is, maar je kunt niet enkel pañña ontwikkelen.

De mentale kracht en zuiverheid die nodig is voor pañña komt voort uit samadhi en sila. Zo belangrijk zijn deze twee pilaren dat de gehele leer van de Boeddha in de Dhammapada wordt samengevat met (vers 183):

“Afzien van het kwade, het goede ontwikkelen, de mind zuiveren – dat is de leer van de Boeddhas”

Afzien van het kwade en het ontwikkelen van het goede verwijzen naar het ontwikkelen van sila. Het zuiveren van de mind verwijst naar de zuiverende werking van samadhi. Het is in een zuivere geconcentreerde mind dat wijsheid kan ontstaan. Pañña begint bij het eerste inzicht in de onderlinge afhankelijkheid van deze factoren (oftewel het gehele Achtvoudige Pad) en het besef dat het belangrijk is elk aspect in balans met elkaar te ontwikkelen. Voor een ieder die stappen wil zetten op het pad dat de Boeddha onderrichtte is het echt noodzakelijk om ook de training in moraliteit een nadrukkelijke plaats te geven in de eigen beoefening.

Een leven gefundeerd in moraliteit is een leven vrij van onrust en piekern als gevolg van wroegingen en spijt. Voor wie vrij is van wroegingen en spijt is samadhi een stuk dichterbij. Als je samadhi hebt kan paññā ontstaan, en met pañña en samadhi neemt te wens om sila te ontwikkelen verder toe. De wens, of noem het intentie, gericht op heilzaam moreel gedrag neemt toe en wint aan kracht omdat op basis van eigen ervaring duidelijk wordt dat sila een bijdrage levert aan liefde en compassie, aan innerlijke en externe vrede. Dat laatste door het stimuleren van de extern gerichte angst voor de gevolgen van moreel wangedrag (ottapa) en de innerlijke schaamte ten aanzien van moreel wangedrag (hiri), in het Boeddhisme bekend als de ‘beschermers van de wereld’. Je moreel gedragen wordt op die manier plezierig en niet een ‘moeten’ houden aan regeltjes. Zo ontstaat een krachtige opwaartse spiraal.

De beoefening van sila levert op diverse manieren een heilzame bijdrage op de weg naar bevrijding. Zo staat sila in zeer nauw verband met de beoefening van sati (mindfulness). Want voor hoge moraliteit is een hoge mate van aandacht nodig om de mind, spraak en handelen continue te bewaken. Sati is die mentale waakzaamheid waarmee je te allen tijde weet waar je mind zich mee bezig houdt, van moment op moment. Je hebt hele hoge sati nodig om je ervan te weerhouden ook maar het geringste en subtielste wangedrag te vertonen. Sati is op zich weer een voorwaarde voor samadhi, waardoor het meditatie proces verder wordt ondersteund. Omgekeerd is een gebrek aan sila een aanwijzing dat sati nog maar zwak is en dat de concentratie niet meer dan oppervlakkig kan zijn. Wijsheid kan dan niet ontstaan.

Sila is ook bij uitstek een middel tegen verlangen. Verlangen is, zoals we weten, de oorzaak van al het leed in de wereld, van al onze problemen. Als je sila een plaats geeft in je leven dan zijn er dingen die je misschien wel vanuit verlangen wil doen maar die je toch laat omdat je weet dat ze op de lange termijn enkel leed met zich mee dragen. Zo helpt sila in je dagelijkse leven je verlangen te beteugelen. Verlangen is een hindernis voor diepe samadhi. Als je verlangen omlaag gaat, zal je meditatie gemakkelijker zijn, en als je meditatie gemakkelijk gaat en samadhi verdiept, wordt het weer makkelijker om verder los van te komen van verlangen.

Ahba heeft wel eens gezegd dat als je van verlangen houdt je beter niet kunt gaan mediteren. Als je van een hoog en vrij bewustzijn houdt, dan moet je mediteren, want met meditatie maak je langzaam maar zeker een einde aan verlangen.

Als je de voorwaarden voor verdieping in je meditatie wil creëren, dan maakt sila daar een wezenlijk onderdeel van uit. Er is geen einde aan de beoefening van sila waarna je kunt zeggen dat je er niet meer mee bezig hoeft te zijn, dat je door kunt gaan naar een volgende stap. Sila is altijd belangrijk, sterker nog, hoe verder je bent op de weg hoe belangrijker het wordt.

Een praktisch handvat, de vijf leefregels

Maar wat is nou moreel gedrag in het Boeddhisme? Als praktische houvast voor leken gaf de Boeddha vijf morele leefregels (pañca-sila, ook te vertalen als vijf deugden). De Boeddha adviseerde keer op keer:

  1. Af te zien van doden
  2. Af te zien van stelen
  3. Af te zien van seksueel wangedrag
  4. Af te zien van verkeerd spreken
  5. Af te zien van het gebruik van bedwelmende middelen die voor onoplettendheid zorgen

Deze leefregels zijn niets anders dan de factoren Juist Handelen, Juist Spreken en Juist Levensonderhoud die de Boeddha in het Achtvoudige Pad onderwees. Het zijn leefregels en geen geboden omdat de Boeddha ze niet oplegt of je beveelt je er aan te houden. Dat is ook niet mogelijk, de wens om je aan de leefregels te houden is een interne wens.

Misschien dat de leefregels in eerste instantie simpel lijken en een gevoel opwekken van ‘daar hou ik me toch wel aan’. Als je ze echter een tijdje een plek geeft in je beoefening dan zul je merken dat ze helemaal niet gemakkelijk zijn. Ze kennen heel veel verdieping, en naast het afzien van bepaald gedrag behelzen ze ook het ontwikkelen van heilzame kwaliteiten.

Intentie

Bij alle leefregels, net als bij het gehele boeddhistische pad, ligt de nadruk op de onderliggende intentie. Dat wil niet zeggen dat je je kunt beroepen op onwetendheid of onoplettendheid om wangedrag goed te praten. Je kunt niet stellen dat je het goed bedoelde of niet beter wist en dat het dus wel moreel was. Veel meer wil het zeggen dat je mind de voorloper van je handelen is en dat de consequenties van je handelen hierop volgen, zoals de Dhammapada (vers 1) mooi stelt:

“De mind is de voorloper van alle dingen, de mind is hun leider, ze zijn door de mind gemaakt. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden, zoals het wiel de hoef van de os volgt”

De beoefening van sila begint bij het afzien van dingen waarvan je misschien niet goed weet waarom dat zo moet. Het zijn dan nog gewoon regeltjes waar je je aan houdt. Later, als je meer verdieping in je beoefening hebt gevonden kun je je mind steeds beter zien en zo aan de bron werken.

Wij zullen nu bij de verschillende aspecten van elk van de leefregels stilstaan om te proberen iets van de mooie diepgang te delen. Uiteindelijk kun je de positieve effecten van deze leefregels echter alleen ervaren door ze in je dagelijks leven in te bouwen

1. Afzien van Doden

De eerste leefregel is afzien van doden. Misschien denk je dat dit gemakkelijk is, je was toch niet van plan om iemand te vermoorden. Het gaat echter niet alleen om mensen maar om alle levende wezens. Ook alle wezens uit de boeddhistische lagere werelden waaronder bijvoorbeeld de dieren, insecten en dergelijke. Het afzien van zelfmoord valt hier ook onder.

De nadruk op intentie komt bij deze leefregel mooi naar voren. Als je over straat loopt en je stapt op een mier die je niet hebt gezien dan levert dit geen wroeging of onheilzaam karma op. Zie je de mier echter wel dan stap je er bewust omheen als je je aan deze leefregel houdt. Een ander leuk voorbeeld is een mug die je prikt. Misschien ben je geneigd de mug te pletten. Sterker nog, het zou een bijna onbewuste reactie op de prik kunnen zijn. Dat laatste biedt naast het uitbreiden van de leefregel naar alle levende wezens nog een ander aanknopingspunt voor verdieping. Want het is zaak om bewust door het leven te gaan en je te weerhouden van dit soort primaire reacties waarin je levende wezens doodt. Dit is een aspect van sati.

Hierboven worden voorbeelden van lichamelijk gedrag gegeven. Maar iemand anders verbaal de opdracht geven om te doden is niet anders dan het doden zelf, immers zit ook daar de intentie om te doden achter. In dit licht is een veel voorkomende vraag of een Boeddhist vegetarisch moet eten. Elders schreven wij uitgebreider over het Boeddhisme en vegetarisme. De Boeddha zelf was in ieder geval geen  vegetariër en de monniken destijds ook niet.

De derde en meest subtiele vorm is het je houden aan de leefregel met je mind. Dat wil zeggen, geen gedachten hebben die richting het doden van wezens gaan, en nog subtieler, geen kwaadwillende gedachten herbergen. Dus niet alleen het niet erop handelen maar de eerste mentale intentie langzaam maar zeker doen afnemen.

Dit brengt ons naar de actieve kant van deze leefregel. Want is het voorgaande de passieve kant, het iets niet doen, dan moet de actieve kant worden ontwikkeld om de mind te beschermen. Afzien van doden is op een subtieler niveau geen schade berokkenen uit kwade wil. De positieve kracht die dit tegen gaat is liefde-vriendelijkheid (metta). Om je te houden aan niet doden helpt het om metta te ontwikkelen. Als je dit doet dan hoeven andere wezens zich geen zorgen meer te maken in jou omgeving. Je wordt een veilige haven, een baken van vrede voor alle wezens, volledig geweldloos (ahimsa).

2. Afzien van Stelen

De tweede leefregel is afzien van stelen. Dat lijkt gemakkelijk, gewoon niet inbreken of beroven en dergelijk. Deze leefregel gaat echter verder dan dat. Een betere vertaling zou wellicht zijn ‘niet nemen wat niet gegeven is’. Het veronderstelt een diep respect voor het eigendom van anderen. Niet zomaar ervan uitgaan dat je iets kan lenen. niet zomaar dingen van iemand anders verplaatsen. Je kunt het verder door trekken naar eigendom dat minder tastbaar is. Bijvoorbeeld persoonlijke ruimte of tijd. In die context betekend het bijvoorbeeld niet zinloos iemands tijd verdoen.

Ook hier geldt dan iemand anders de opdracht geven om iets te stelen ook niet in overeenstemming met de leefregel is. De subtielere mentale kant van deze leefregel richt zich op het tegengaan van de mentale hebzucht naar eigendom van anderen, en in essentie de eerste mentale onderliggende intentie van hebzucht in het algemeen.

De actieve kant van deze leefregel, datgene dat ontwikkeld moet worden, is vrijgevigheid (dāna). Dāna kent veel verschillende aspecten, bijvoorbeeld het geven van materiële dingen, immateriële dingen zoals de Dhamma en het geven van je eigen leven. Dāna helpt om los te komen van het idee dingen intrinsieke waarde hebben, dat iets ‘van mij’ of ‘van jou’ is ,en zo helpt het om haarscheurtjes aan te brengen in de onderliggende verkeerde zienswijze dat er een ‘zelf’ is.

3. Afzien van Seksueel Wangedrag

Hoewel de Boeddha en zijn monniken celibaat leefden en de Boeddha keer op keer aangeeft dat verlangen de oorzaak voor de onbevredigdheid van het bestaan is, spreekt hij zich voor leken niet uit tegen seksuele handelingen in het algemeen.

De Boeddha spreekt zich wel uit tegen seksueel wangedrag. Hij noemt als voorbeeld voor seksueel wangedrag onder andere seksuele handelingen met iemand die nog onder de bescherming van moeder of vader valt, met iemand die al een standvastige relatie heeft (vreemdgaan), en ongewenste of strafbare seksuele handelingen (misbruik). In essentie gaat het om elke vorm van seksueel handelen dat de ander schade toebrengt. Het opdracht geven tot seksueel wangedrag is natuurlijk ook onheilzaam.

Seksueel wangedrag komt voort uit zintuigelijk verlangen. Het verlangen naar plezierige ervaringen dat zo groot kan zijn dat het elk oog voor het welzijn van jezelf en de ander verliest. Dit verlangen kan ons volledig beheersen. Het is in eerste instantie zaak om de controle terug te krijgen, dat doe je door te mediteren, door samatha meditatie (concentratie meditatie) te beoefenen en je aan morele gedragsregels te houden.

Uiteindelijk is nekkhama (verzaking) de actieve tegenpool van seksueel wangedrag die ontwikkeld moet worden. Nekkhama betekend bijna letterlijk vrij zijn van zintuigelijk verlangen. Het ontwikkelen van Nekkhama is het zien en opgeven en loslaten van verlangen telkens als dit in de mind boven komt. Het maakt onderdeel uit van Juiste Intentie in het Achtvoudige pad en helpt om in diepe tevredenheid te kunnen leven. Naast Nekkhama zijn actieve kanten van deze leefregel het ontwikkelen van respect voor de ander en trouw naar je partner.

4. Afzien van Verkeerd Spreken

De vierde leefregel is afzien van verkeerd spreken. Dit is een hele moeilijke in het dagelijks leven. Onder niet verkeerd spreken vallen:

  • Niet liegen
  • Niet op een manier spreken die verdeeldheid veroorzaakt
  • Geen grove taal hanteren
  • Niet aan kletspraat doen (slap ouwehoeren)

Eigenlijk betekent deze regel dat je niet met je collega’s bij de koffie automaat over niks gaat staan praten, dat je niet roddelt en niet vloekt. Kijk maar eens naar de meeste gespreken die je voert en je zult zien hoe moeilijk dit is. Geen verdeeldheid veroorzaken betekent dat je geen dingen zegt die tweedracht zaait tussen mensen of groepen. En dan is er nog niet liegen, wat ook leugentjes om bestwil inhoudt.

De Boeddha stelt liegen gelijk aan het stilstaan op de weg en het weggooien van alles dat je hebt bereikt. Alleen iemand die de waarheid spreekt, zo stelt hij, kan ook de waarheid doorzien. In een stukje tekst over Juist Spreken als onderdeel van het Achtvoudige Pad hebben wij een deel van de sutta die hierover gaat vertaalt, zeer de moeite waard.

Hoewel het om afzien van verkeerd spreken gaat valt elke vorm van communicatie hieronder, ook non-verbale of schriftelijke communicatie. Het mentale aspect is het afzien van valse en grove gedachten, het jezelf voor de gek houden en de mentale illusies over de werkelijkheid die zich aan onze ongetrainde mind voordoen.

De actieve kant van deze leefregel is het ontwikkelen van eerlijkheid of waarachtigheid (sacca). Wie in eerlijkheid leeft en de waarheid spreekt richt zich op de werkelijkheid. Als je je aan deze leefregel houdt breng je bovendien harmonie in het eigen leven en bij de mensen om je heen, je krijgt een zachte en vriendelijke mind, en bent betrouwbaar. Het wordt dan fijn en inspirerend om naar je te luisteren, en anderen hoeven zich nooit zorgen te maken over wat je zegt, of ze er nou bij zijn of niet. Zo lever je een bijdragen aan rust en vrede in de wereld.

5. Afzien van het Gebruik van Bedwelmende Middelen die voor Onoplettendheid Zorgen

De laatste leefregel is afzien van het gebruik van bedwelmende middelen die voor onoplettendheid zorgen. Een hele mond vol. Het stukje ‘die voor onoplettendheid zorgen’ is van wezenlijk belang. Deze leefregel gaat namelijk specifiek over het afzien van middelen die sati tegen gaan. Alcohol is hiervan de meest gebruikte. Alcohol verdeelt de mind en maakt sati en samadhi onmogelijk. Wie alcohol drinkt brengt zijn mind onherroepelijk in een staat die niet verenigbaar is met de leer van de Boeddha.

Deze leefregel is er vooral op gericht te voorkomen dat je mind dusdanig verzwakt raakt en de controle verliest dat je de andere leefregels breekt. Als je mind namelijk niet meer in staat is om sati te waarborgen dan is het risico dat ook sila uiteen valt heel groot. Kijk maar eens hoeveel schadelijk gedrag het gevolg is van alcohol en soortgelijke middelen en je begrijpt het belang van deze regel.

Wie sila tot in de puntjes wil ontwikkelen maakt hier geen uitzonderingen op. Dat wil zeggen ook niet dat ene glaasje wijn. Het afzien van dit stukje Boergondisch leven is tegelijk weer het tegengaan van verlangen door niet altijd te doen waar je zin in hebt. Mocht je deze leefregel toch breken, hou jezelf dan op zijn minst niet voor de gek met gedachten als ‘dit moet gewoon kunnen’, hemel het niet op met de illusie dat je een ‘vrije geest’ bent of als bizar bewijs dat je nog onderdeel uitmaakt van de normale maatschappij en toch echt niet zweverig bent. Accepteer dan gewoon dat je nog te veel verlangen hebt om je aan deze leefregel te houden.

Leuk is om nog even naar de mentale kant van deze leefregel te kijken. Je zou namelijk kunnen stellen dat de mind ook bedwelmd kan raken zonder dat daar externe middelen aan te pas komen. Denk maar eens aan een flink verlangen of een diepe afkeer naar iets. Als een heel groot verlangen of afkeer zich in je mind manifesteert verlies je net zo goed de interne rust en controle.

Het zal niet verbazen dat de actieve kant van deze leefregel de nadruk nog meer op sati legt. Het is de ontwikkeling van sati die onze mind in balans houdt. Het is sati dat aan de basis van alle leefregels staat net als dat het ontbreken van sati aan de basis van het breken van alle leefregels staat.