Onder­staan­de tekst is door buddho.nl ver­taald uit het Engels. De Engel­se ver­sie, “Met­ta – The Phi­lo­sop­hy and Prac­ti­ce of Uni­ver­sal Love”, geschre­ven door Acha­rya Bud­dha­rak­khi­ta en oor­spron­ke­lijk uit­ge­bracht door de BPS, werd onli­ne gepu­bli­ceerd door Access to Insight (BCBS Edi­ti­on) en is hier te vin­den.

Inhoud

Intro­duc­tie
1. De Kara­niya Met­ta Sut­ta
2. De ach­ter­grond van de Met­ta Sut­ta
3. Drie Aspec­ten van Met­ta
4. De Ethiek van Met­ta
5. De Psy­cho­lo­gie van Met­ta
6. Met­ta Medi­ta­tie
7. De Zege­nin­gen van Met­ta
8. De kracht van Met­ta
Over de auteur

Introductie

Het Pali woord met­ta is een term met meer­vou­di­ge bete­ke­nis. Het bete­kent zowel liefde-vriendelijkheid, vrien­de­lijk­heid, goe­de wil, wel­wil­lend­heid, kame­raad­schap, vriend­schap, een­dracht, onschul­dig­heid en geweld­loos­heid. De com­men­ta­to­ren van het Pali defi­ni­ë­ren met­ta als de ster­ke wens voor het wel­zijn en geluk van ande­ren (parahita-parasukha-kamana). In essen­tie is met­ta een altru­ïs­ti­sche hou­ding van lief­de en vrien­de­lijk­heid te onder­schei­den van op eigen­be­lang geba­seer­de bemin­ne­lijk­hed. Door met­ta wei­gert iemand bele­di­gend te zijn en wijst bit­ter­heid, wrok en vij­an­de­lijk­heid van elke vorm af en ont­wik­keld in plaats daar­van een vrien­de­lij­ke, flexi­be­le en wel­wil­len­de gemoeds­toe­stand die het wel­zijn en geluk van ande­ren tot doel heeft. Ech­te met­ta staat los van eigen­be­lang. Het roept van bin­nen een zeer war­me kame­raad­schap, sym­pa­thie en lief­de op, die door beoe­fe­ning onbe­grensd groeit en alle soci­a­le, reli­gi­eu­ze, poli­tie­ke en eco­no­mi­sche bar­ri­è­res over­wint. Met­ta is inder­daad een uni­ver­se­le, niet-egoïstische en alles­om­vat­ten­de lief­de.

Met­ta maakt je een pure bron van wel­be­vin­den en vei­lig­heid voor ande­ren. Net zoals een moe­der haar eigen leven geeft om haar kind te bescher­men, zo geeft met­ta alleen maar en wil daar nooit iets voor terug. De eigen belan­gen behar­ti­gen is een fun­da­men­te­le moti­va­tie van de men­se­lij­ke natuur. Wan­neer deze drang getrans­for­meerd wordt in de wens om de het belang en het geluk van ande­ren te bevor­de­ren, is niet alleen de basa­le drang van zelf-vervulling over­won­nen, maar wordt de mind ook uni­ver­seel door zijn eigen belang over­een te laten komen met het belang van alle wezens. Door deze ver­an­de­ring te maken wordt ook je eigen wel­zijn op de best moge­lij­ke manier bevor­derd.

Met­ta is de bescher­men­de en enorm gedul­di­ge hou­ding van een moe­der die alle moei­lijk­he­den ver­draagdt in het belang van haar kind en het te allen tij­de beschermt, ook al mis­draagt het zich. Met­ta is ook de hou­ding van een vriend die je het bes­te wil geven om je wel­be­vin­den te bespoe­di­gen. Als deze kwa­li­tei­ten van met­ta vol­doen­de zijn ont­wik­keld door metta-bhavana – de medi­ta­tie op uni­ver­se­le lief­de – is het resul­taat de ver­wer­ving van een gewel­di­ge inner­lij­ke kracht die jezelf en ande­ren gezond houdt, beschermt en geneest.

Los van de hoge­re impli­ca­ties is met­ta van­daag de dag een prag­ma­ti­sche nood­zaak. In een wereld die wordt bedreigd door aller­lei soor­ten van ver­niel­zucht, levert met­ta, uit­ge­drukt in daden, woor­den en gedach­ten, de eni­ge con­struc­tie­ve bij­dra­ge om een­dracht, vre­de en weder­zijds begrip te bren­gen. Met­ta is met zeker­heid het opper­ste mid­del omdat het zowel de fun­da­men­te­le hoek­steen vormt van alle hoge­re reli­gies, als ook de basis vormt van alle heil­za­me acti­vi­tei­ten die bedoeld zijn om het wel­zijn van de mens­heid te bevor­de­ren.

Deze tekst is erop gericht om de ver­schil­len­de facet­ten van met­ta te onder­zoe­ken zowel in the­o­rie als beoe­fe­ning. Het onder­zoek van de dog­ma­ti­sche en ethi­sche kant van met­ta zal wor­den voort­ge­zet door een stu­die van de popu­lai­re Kara­niya Met­ta Sut­ta, “Hym­ne van Uni­ver­se­le Lief­de“ van de Boed­dha. In rela­tie tot dit the­ma zul­len we ook kij­ken naar ver­schei­de­ne ande­re tek­sten die over met­ta gaan. De uit­leg over metta-bhavana, de medi­ta­tie over uni­ver­se­le lief­de, zal de prak­ti­sche instruc­ties geven om dit type van con­tem­pla­tie te ont­wik­ke­len zoals beschre­ven in de belang­rijk­ste medi­ta­tie tek­sten van de The­ra­va­da Boed­dhis­ti­sche tra­di­tie, te weten  de Visud­dhimag­ga, de Vimut­timag­ga en de Pati­samb­hi­da­mag­ga.

1. De Karaniya Metta Sutta: Hymne van  Universele Liefde

  1. Kara­niyam att­ha­k­usa­le­na
    Yan tam san­tam padam abhi­sa­mec­ca
    Sak­ko uju ca suju ca
    Suva­co c’assa mudu ana­ti­ma­ni

    Dege­ne die zijn wel­zijn wil bevor­de­ren,
    Door een glimp van de staat van per­fec­tie te heb­ben gezien
    Zou kun­dig moe­ten zijn, eer­lijk en oprecht,
    Vrien­de­lij­ke spre­kend, zacht­moe­dig en niet trots.
  1. San­tus­sa­ko ca sub­ha­ro ca
    Appakic­co ca sal­la­hu­ka­vut­ti
    Sant­in­driyo ca nipa­ko ca
    Appa­gabb­ho kule­su ana­nu­gid­dho

    Tevre­den, zou hij mak­ke­lijk te onder­hou­den moe­ten zijn,
    Niet te druk, en een­vou­dig levend.
    Zijn zin­tui­gen tot rust gebracht, laat hem voor­zich­tig zijn,
    En niet bru­taal, maar ook niet slaafs naar zijn fami­lie
  1. Na ca khud­dam sam­a­ca­re kin­ci
    Yena viñ­ñu pare upa­va­deyyum
    Suk­hi­no va khe­mi­no hon­tu
    Sab­be sat­ta bha­van­tu suk­hi­tat­ta

    Ook moet hij zich ont­hou­den van elke actie,
    Die de wij­ze aan­lei­ding geeft om hem te bekri­ti­se­ren
    (Laat hem dan de gedach­te ont­wik­ke­len:)
    Mogen alle wezens gezond en vei­lig zijn
    Mogen alle wezens geluk­kig zijn!
  1. Ye keci panabhut’atthi
    Tasa va tha­va­ra va ana­va­se­sa
    Dig­ha va ye mahan­ta va
    Maj­j­hi­ma ras­sa­kanu­kat­hu­la

    Wat voor soort leven­de wezens er ook zijn,
    Zon­der uit­ge­zon­de­rin­gen, zwak of sterk,
    Lang, groot of gemid­deld van vorm,
    Of kort, klein of gezet,
  1. Dit­t­ha va yeva adi­t­t­ha
    Ye ca dure vasan­ti avi­d­ure
    Bhu­ta va samb­ha­ve­si va
    Sab­be sat­ta bha­van­tu suk­hi­tat­ta

    Zicht­baar of onzicht­baar,
    Zij die dicht­bij leven of ver weg,
    Zij die gebo­ren zijn en zij die gebo­ren wil­len wor­den,
    Mogen alle wezens geluk­kig zijn!
  1. Na paro param nikub­be­tha
    Nati­ma­ñ­ñet­ha kat­t­ha­ci­nam kan­ci
    Bya­rosa­na patig­hasa­ñ­ña
    Nañ­ña­ma­ñ­ñas­sa duk­kham iccheyya

    Laat nie­mand zijn gezel
    Bedrie­gen of afkra­ken;
    Laat nie­mand iemand anders kwaad doen
    Uit wrok of haat.
  1. Mata yat­ha niyam put­tam
    Ayu­sa eka­put­tam anurak­khe
    Evam­pi sab­bab­hu­te­su
    Mana­sam bha­vaye apa­ri­ma­nam

    Net zoals een moe­der met haar eigen leven
    Haar eigen kind, haar enig kind beschermt,
    Laat al-omvattende gedach­ten
    Voor alle wezens de jou­we zijn.
  1. Met­tañ ca sabba-lokasmim
    Mana­sam bha­vaye apa­ri­ma­nam
    Uddham adho ca tiriyan­ca
    Asam­bad­ham averam asa­pat­tam

    Cul­ti­veer een alles­om­vat­ten­de mind van lief­de
    Voor alle wezens in het uni­ver­sum,
    In al zijn hoog­te, diep­te en breed­te –
    Lief­de die zor­ge­loos is
    En los staat van haat en vij­an­de­lijk­heid.
  1. Tit­t­hañ caram nisin­no va
    Saya­no va yavat’assa viga­ta­mid­dho
    Etam satim adhit­theyya
    Brah­mam etam viha­ram idha­ma­hu

    Ter­wijl je staat, zit of ligt,
    Zo lang als je wak­ker bent,
    Volg dit gewaar zijn met alle kracht:
    Het wordt geacht de God­de­lij­ke Staat te zijn.
  1. Dit­thi­ñ­ca anu­pa­gam­ma sila­va
    Das­sa­ne­na sam­pan­no
    Kame­su vineyya gedham
    Na hi jatu gabb­ha­seyyam punar eti’ti

    Niet meer vast­hou­dend aan onjuis­te over­tui­gin­gen,
    Met deugd en zicht op het ultie­me,
    En alle zin­tuig­lij­ke begeer­te over­won­nen heb­bend,
    Zul je nooit meer wor­den gebo­ren in een baar­moe­der.

2. De achtergrond van de Metta Sutta

De his­to­ri­sche ach­ter­grond die de Boed­dha er toe bracht de Kara­niya Met­ta Sut­ta uit te spre­ken wordt uit­ge­legd in het com­men­taar geschre­ven door Aca­riya Bud­dha­g­ho­sa, die het heeft ont­van­gen via een onon­der­bro­ken lijn van Oude­ren die terug­gaat tot aan de dagen van de Boed­dha zelf.

Het ver­haal gaat dat vijf­hon­derd mon­ni­ken instruc­ties kre­gen van de Boed­dha in spe­ci­fie­ke medi­ta­tie­tech­nie­ken geschikt voor hun indi­vi­du­e­le tem­pe­ra­men­ten. Daar­na gin­gen ze naar de voet van de Himalaya’s om er gedu­ren­de de vier maan­den van de regen­re­trai­te een leven te leven van terug­ge­trok­ken­heid en inten­sie­ve medi­ta­tie. In die dagen kwa­men mon­ni­ken van alle delen van het land  onge­veer twee maan­den voor de regen­re­trai­te zou star­ten bij elkaar om direc­te instruc­ties van de Aller­hoog­ste Leraar te ont­van­gen. Daar­na gin­gen ze terug naar hun kloos­ters, bos­hut­ten of klui­ze­naars­wo­nin­gen om een krach­ti­ge poging naar spi­ri­tu­e­le bevrij­ding te doen. Dit was hoe deze vijf­hon­derd mon­ni­ken zich wend­den tot de Boed­dha, die in Savat­ti ver­bleef in het Hof van Jeta in het kloos­ter dat was gebouwd door Anat­hapin­di­ka.

Nadat ze hun instruc­ties had­den ont­van­gen gin­gen ze op zoek naar een geschik­te plek, en in de loop van hun zoek­tocht von­den ze snel een prach­tig heu­vel­tje aan de voet van de Himalaya’s. Vol­gens de com­men­ta­ren, “leek dit heu­vel­tje op een glim­mend kris­tal van blauw kwarts; het zag er prach­tig uit met een koel dicht bos van kreu­pel­hout en een stuk grond bedekt met zand dat leek op een net van parels, of een laken van zil­ver, en het was voor­zien van een scho­ne bron met koel water.” De Bhikkhu‘s waren geboeid door het mooie uit­zicht. Er waren een paar dor­pen in de buurt als­me­de een klein stad­je met een markt, ide­aal als plek voor aal­moe­zen. De mon­ni­ken brach­ten in dat idyl­li­sche kreu­pel­hout een nacht door en de vol­gen­de mor­gen gin­gen ze naar het markt-stadje voor aal­moe­zen.

De inwo­ners waren zeer ver­heugd de mon­ni­ken te zien, omdat het zel­den voor­kwam dat een groep mon­ni­ken de retrai­te door­brach­ten in dat deel van de Himalaya’s. Deze vro­me toe­ge­wij­den gaven de mon­ni­ken te eten en smeek­ten ze om er als hun gas­ten te ver­blij­ven en beloof­den om voor ieder­een een hut dicht­bij het kreu­pel­hout op de strook met zand te bou­wen, zodat ze hun dagen en nach­ten in die­pe medi­ta­tie kon­den door­bren­gen onder de oude tak­ken van de majes­tu­eu­ze bomen. De Bhikkhu’s stem­den in en de toe­ge­wij­den van dat gebied bouw­den al gauw klei­ne hut­ten aan de rand van het kreu­pel­hout en voor­za­gen elke hut van een hou­ten bed, een stoel en kan­nen met water om te drin­ken en te was­sen.

Nadat de mon­ni­ken zich tevre­den in deze hut­ten had­den geves­tigd, koos ieder­een een boom uit om onder te medi­te­ren zowel over­dag als s’nachts. Er wordt ver­teld dat deze gro­te bomen bewoond wer­den door boom-goden die een hemels ver­blijf had­den laten bou­wen, op een pas­sen­de manier de bomen als de basis gebrui­kend. Uit ver­e­ring voor de medi­te­ren­de mon­ni­ken ston­den deze goden hun ter­zij­de met hun fami­lies. Deugd­zaam­heid werd door ieder­een ver­eerd, in het bij­zon­der door goden, en toen de mon­ni­ken onder de bomen zaten von­den de goden die een huis­hou­den had­den het niet fijn om boven hen ver­he­ven te blij­ven. De goden had­den gedacht dat de mon­ni­ken onge­veer twee dagen zou­den blij­ven en ver­doe­gen blij het onge­mak. Maar toen dag na dag ver­streek en de mon­ni­ken nog steeds de basis van de bomen in beslag namen, vroe­gen de goden zich af wan­neer ze weg zou­den gaan. Ze waren net ont­ei­gen­de dor­pe­lin­gen wiens hui­zen waren gevor­derd door de amb­te­na­ren van het bezoe­ken­de lid van het konink­lijk huis en ze ble­ven ang­stig van een afstand toe­kij­ken, zich afvra­gend

Deze ont­ei­gen­de goden bedis­cus­si­eer­den de situ­a­tie onder­ling en beslo­ten om de mon­ni­ken bang te maken door ze angst­aan­ja­gen­de objec­ten te laten zien, door vre­se­lij­ke gelui­den te maken en door een ziek­ma­ken­de stank te maken. Bij­ge­volg mate­ri­a­li­seer­den ze al deze angst­aan­ja­gen­de con­di­ties en trof­fen daar­mee de mon­ni­ken. De mon­ni­ken wer­den al gauw bleek en kon­den zich niet lan­ger op hun medi­ta­tie­ob­ject con­cen­tre­ren. Omdat de goden door­gin­gen met pes­ten ver­lo­ren ze zelfs hun basa­le opmerk­zaam­heid, en hun brei­nen leken te wor­den over­stelpt door de onder­druk­ken­de beel­den, geluid en stank. Toen de mon­ni­ken bij elkaar kwa­men om te wach­ten op de meest seni­o­re Oude­re van de groep, ver­tel­de ieder­een zijn erva­rin­gen. De Oud­ste sug­ge­reer­de: ”Broers, laten we naar de Geze­gen­de gaan en ons pro­bleem aan hem voor­leg­gen. Er zijn twee soor­ten regen­re­trai­tes – de vroe­ge en de late. Alhoe­wel we de vroe­ge afbre­ken door deze plaats te ver­la­ten, kun­nen we altijd de late oppak­ken nadat we de Heer heb­ben ont­moet. De mon­ni­ken stem­den in en gin­gen onmid­del­lijk op weg, zo wordt het ver­teld, zon­der zelfs de toe­ge­wij­den op de hoog­te te bren­gen.

In etap­pes bereik­ten ze Savat­thi, gin­gen naar de Geze­gen­de, kniel­den voor zijn voe­ten, ver­tel­den over hun angst­aan­ja­gen­de erva­rin­gen en vroe­gen op een aan­doen­lij­ke wij­ze naar een ande­re plek. Door mid­del van zijn super­nor­ma­le krach­ten ver­ken­de de Boed­dha heel India, maar omdat hij geen ande­re plek kon vin­den behal­ve dezelf­de plek waar ze spi­ri­tu­e­le bevrij­ding kon­den berei­ken zei hij tegen hen: ”Mon­ni­ken ga terug naar dezelf­de plek! Alleen door daar te stre­ven zul­len jul­lie de ver­nie­ti­ging van de inner­lij­ke ver­ont­rei­ni­gin­gen bewerk­stel­li­gen. Wees niet bang! Als jul­lie ver­lost wil­len wor­den van de pes­te­rij­en van de goden, leer deze sut­ta. Het zal een the­ma zijn voor de medi­ta­tie als­me­de een for­mu­le voor bescher­ming (parit­ta).

Toen droeg de Mees­ter de Kara­niya Met­ta Sut­ta voor – De Hym­ne van Uni­ver­se­le Lief­de – die de mon­ni­ken in de aan­we­zig­heid van de Heer uit het hoofd leer­den. Daar­na gin­gen ze terug naar dezelf­de loca­tie.

Naar­ma­te de mon­ni­ken hun hut­ten in het kreu­pel­hout nader­den ter­wijl ze de Met­ta Sut­ta reci­teer­den, wer­den de har­ten van de goden dus­da­nig gela­den met war­me gevoe­lens van vrien­de­lijk­heid dat ze zich­zelf in men­se­lij­ke vorm mate­ri­a­li­seer­den en de mon­ni­ken met gro­te eer­bied ont­vin­gen. Ze pak­ten hun bedel­nap­pen op, brach­ten hen naar hun kamers, zorg­den ervoor dat ze wer­den voor­zien van water en voed­sel en toen, ter­wijl ze hun nor­ma­le vor­men weer aan­na­men, nodig­den ze hen uit om weer aan de basis van de boom te gaan zit­ten om te gaan medi­te­ren zon­der aar­ze­ling of angst.

Daar­naast ver­zorg­den de goden tij­dens de drie maan­den van de regen­re­trai­te niet alleen de mon­ni­ken op elke moge­lij­ke manier, maar zorg­den er ook voor dat de plek hele­maal stil was. Door in vol­maak­te stil­te te kun­nen zit­ten bereik­ten alle mon­ni­ken het hoog­te­punt van de spi­ri­tu­e­le per­fec­tie. Elk van de vijf­hon­derd mon­ni­ken was een ara­hant gewor­den.

Een der­ge­lij­ke kracht ligt intrin­siek beslo­ten in de Met­ta Sut­ta. Dege­ne die de sut­ta met oprecht ver­trou­wen reci­teert en die daar­door de bescher­ming van de goden oproept en medi­teert op met­ta, zal zich­zelf niet alleen op alle moge­lij­ke manie­ren bescher­men, maar zal ieder­een om zich heen ook bescher­men en zal spi­ri­tu­e­le voor­uit­gang boe­ken die wer­ke­lijk geve­ri­fi­eerd kan wor­den. Geen kwaad of scha­de kan die­ge­ne over­ko­men die het pad van met­ta volgt.

3. Drie aspecten van Metta

De  Met­ta Sut­ta bestaat uit drie delen, waar­bij elk deel zich richt op een spe­ci­fiek aspect van met­ta. Het eer­ste deel ( regel 3 tot 10) heeft betrek­king op dat aspect dat een die­pe en sys­te­ma­ti­sche toe­pas­sing van liefde-vriendelijkheid ver­eist in iemands dage­lijks gedrag. Het twee­de deel (regel 11 tot 20) brengt liefde-vriendelijkheid als appar­te medi­ta­tie­tech­niek of ont­wik­ke­ling van de mind die tot sama­dhi leidt tot uit­druk­king – een hoger bewust­zijn dat wordt geïn­du­ceerd door absorp­tie. En het der­de deel (regel 21 tot 40) bena­drukt een tota­le toe­wij­ding aan de filo­so­fie van uni­ver­se­le lief­de en zijn per­soon­lij­ke, soci­a­le en empi­ri­sche ver­leng­stuk­ken – liefde-vriendelijkheid door mid­del van alle licha­me­lij­ke, ver­ba­le en men­ta­le acti­vi­tei­ten.

Met­ta is die spe­ci­fie­ke fac­tor die de ver­za­mel­de ver­dien­sten (pun­na) ’laat rij­pen’ die zijn ver­kre­gen door de tien manie­ren voor het ver­wer­ven van ver­dien­sten (dasapunna-kiriyavatthu), zoals de beoe­fe­ning van vrij­ge­vig­heid, deugd­zaam­heid, etc. En ook is het met­ta wat ervoor zorgt dat de tien hoog­staan­de spi­ri­tu­e­le kwa­li­tei­ten die bekend staan als “vol­maakt­he­den” (para­mi­ta) tot was­dom komen.

Het op die manier beoe­fe­nen van met­ta kan wor­den ver­ge­le­ken met het ont­staan van een gro­te boom, van­af het moment dat het zaad wordt gezaaid tot aan de tijd dat de boom zwaar bela­den is met weel­de­rig fruit en zijn zoe­te geur wijd en zijd ver­spreidt, daar­door tal­lo­ze wezens aan­trek­kend om te genie­ten van zijn sma­ke­lij­ke en voed­za­me over­vloed. Het ont­kie­men van het zaad en het groei­en van de plant wor­den als het ware zicht­baar gemaakt door het eer­ste deel van de sut­ta. In het twee­de deel is de boom, robuust en ont­wik­keld, geheel bedekt met geu­ren­de en prach­ti­ge bloe­men, alle ogen naar zich toe­trek­kend.

Als een gedrags­pa­troon zorgt het eer­ste aspect van met­ta ervoor dat iemands leven groeit als een boom, vrij­ge­vig en edel. Met­ta als medi­ta­tie heeft invloed op die spi­ri­tu­e­le bloei waar­bij iemands tota­le leven een bron van blijd­schap voor  ieder­een wordt. Het der­de deel ver­beeldt de ver­we­zen­lij­king van spi­ri­tu­e­le ont­wik­ke­ling in deze voor­stel­ling, waar­bij iemand een alles­om­vat­ten­de vorm van spi­ri­tu­e­le lief­de laat zien die op een krach­ti­ge manier de maat­schap­pij als geheel kan beïn­vloe­den en die iemand naar de hoog­ten van trans­cen­den­ta­le rea­li­sa­tie leidt.

De men­se­lij­ke mind lijkt op een mijn die een onuit­put­te­lij­ke opslag van spi­ri­tu­e­le kracht en inzicht bevat. Dit immen­se inner­lij­ke poten­ti­eel van ver­dien­ste kan alleen door de beoe­fe­ning van met­ta ten vol­le ont­wik­keld wor­den, zoals dui­de­lijk wordt uit de beschrij­ving van met­ta als die “ont­wik­ke­lings­kracht” die de sla­pen­de ver­dien­sten laat rij­pen. In de Man­ga­la Sut­ta wordt ver­teld dat pas nadat je een ver­hef­fen­de per­soon­lij­ke rela­tie bent aan­ge­gaan (bv je in goed gezel­schap bege­ven, etc.) je de juis­te omge­ving hebt geko­zen om de ver­dien­sten van het ver­le­den tot rij­ping te laten komen. Dit tot rij­ping laten komen is pre­cies wat met­ta doet. Het lou­ter ver­mij­den van slecht gezel­schap en het leven in een gecul­ti­veer­de omge­ving is niet genoeg: de mind moet gecul­ti­veerd wor­den door met­ta. Van­daar de ver­wij­zing naar de ver­we­zen­lij­king van ver­dien­sten uit het ver­le­den.

4. De ethiek van Metta

In de Boed­dis­ti­sche con­text is ethiek juist gedrag, wat geluk en gemoeds­rust brengt en nooit aan­lei­ding geeft tot spijt, pie­ke­ren of onrust. Dit is het onmid­del­lij­ke psy­cho­lo­gi­sche voor­deel. Juist gedrag leidt ook tot een geluk­ki­ge weder­ge­boor­te, die de aspi­rant in staat stelt voor­uit­gang te boe­ken op het pad naar spi­ri­tu­e­le bevrij­ding. Het is ook de basis voor voor­uit­gang in de Dham­ma in het hier en nu. Met ande­re woor­den zorgt de juis­te spraak, juis­te actie en juis­te manier van leven uit het Ede­le Acht­vou­di­ge Pad van de Boed­dha in de bes­te zin voor het juis­te gedrag.

Boed­dhis­ti­sche ethiek is twee­vou­dig: Het vol­bren­gen van bepaal­de deug­den (carit­ta), en leef­re­gels voor ont­hou­ding (varit­ta). Carit­ta, zoals te vin­den in de Met­ta Sut­ta luidt als volgt:

[Hij] zou kun­dig moe­ten zijn, eer­lijk en oprecht,
Vrien­de­lij­ke spre­kend, zacht­moe­dig en niet trots.
Tevre­den, zou hij mak­ke­lijk te onder­hou­den moe­ten zijn,
Niet te druk, en een­vou­dig levend.
Zijn zin­tui­gen tot rust gebracht, laat hem voor­zich­tig zijn,
En niet bru­taal, maar ook niet slaafs naar zijn fami­lie
Varit­ta wordt beschre­ven in de vol­gen­de vers:
Ook moet hij zich ont­hou­den van elke actie,
Die de wij­ze aan­lei­ding geeft om hem te bekri­ti­se­ren

Carit­ta en varit­ta wor­den op deze manier beoe­fend door met­ta mid­dels licha­me­lijk han­de­len en spraak; het resul­te­ren­de inner­lij­ke geluk en de altruis­ch­ti­sche drang wor­den weer­ge­ge­ven door met­ta mid­dels men­taal han­de­len, zoals gevon­den wordt aan het ein­de van het cou­plet:

Moge alle wezens gezond en vei­lig zijn,
Moge alle wezens geluk­kig zijn!

De ethiek van met­ta voor­ziet niet allen in een sub­jec­tief wel­be­vin­den, of de gele­gen­heid om voor­uit­gang te boe­ken in de Dham­ma in het hier en nu en van een geluk­ki­ge weder­ge­boor­te te genie­ten in de toe­komst, maar het bete­kent ook de gift van onbe­vreesd­heid en vei­lig­heid – abhayada­na and khe­mada­na.

Een ana­ly­se van het gedrags­pa­troon en de karak­ter­trek­ken die door de Met­ta Sut­ta wor­den aan­be­vo­len voor een bete­ke­nis­vol­le inter­ac­tie, zowel ten aan­zien van indi­vi­du­e­le per­so­nen als naar de maat­schap­pij als geheel, biedt vol­op inzicht in de gro­te gevol­gen van de sut­ta voor men­ta­le gezond­heid.

Bekwaam­heid is niet alleen lou­ter effi­ci­ën­tie of vaar­dig­heid, maar bete­kent iets goed doen, de ande­ren in acht nemend, zo dat je geen onge­mak ver­oor­zaakt bij ande­ren. Omdat een ver­mo­gend iemand erg hoog­moe­dig kan wor­den wordt de beoe­fe­naar gead­vi­seerd om “eer­lijk en oprecht” te zijn, en tege­lij­ker­tijd “op een vrien­de­lij­ke manier te pra­ten, zacht­moe­dig en niet trots”- inder­daad een per­fec­te syn­the­se en een even­wicht van eigen­schap­pen.

Dege­ne die tevre­den is is “gemak­ke­lijk te onder­hou­den.” Bru­ta­li­teit, gezien van­uit reke­ning hou­den met ande­ren, is geen nobe­le eigen­schap. De mate waar­in je je eigen behoef­ten kunt mini­ma­li­se­ren als voor­beeld voor ande­ren en als mid­del om hen geen over­last te bezor­gen, in die de mate laat je ver­fij­ning zien. Hoe grof­fer en mate­ri­a­li­ti­scher iemand wordt, des te meer nemen zijn behoef­ten toe. De maat­staf om de men­ta­le gezond­heid van een bepaal­de maat­schap­pij te beoor­de­len is dan ook de ver­min­de­ring van behoef­ten, dat wil zeg­gen het ele­ment van tevre­den­heid.

Een mate­ri­a­lit­sich en ego­cen­trisch leven wordt niet alleen geken­merkt door een toe­na­me van behoef­ten maar ook door onrust, zich mani­fes­te­rend door druk en hyper­ac­tief zijn en het ont­bre­ken van mati­ging en zelf­be­heer­sing. Met­ta, wat het wel­zijn van allen bevor­dert, moet van­zelf­spre­kend gebouwd zijn op zul­ke kwa­li­tei­ten van sober huma­nis­me zoals die weer­spie­geld wor­den in het heb­ben van een paar bete­ke­nis­vol­le en geko­zen taken die aan het maxi­ma­le wel­zijn van alle betrok­ke­nen bij­dra­gen.

Een sim­pel leven lei­den als een uit­druk­king van met­ta bete­kent een her­o­ri­ën­ta­tie van je ver­wach­tin­gen en gedrag, zelfs in onze com­pe­ta­tie­ve, plezier-zoekende en op bezit gerich­te wereld. Iemand die een sim­pel leven leidt is vrien­de­lijk en tege­lij­ker­tijd effi­cient en effec­tief, heeft con­tro­le over zijn zin­tui­gen, is beschei­den, sober en beheersd. Voor een der­ge­lijk per­soon wordt men­ta­le ont­wik­ke­ling door mid­del van medi­ta­tie natuur­lijk en moei­te­loos: daar­om het ken­merk “zijn zin­tui­gen tot rust gebracht.”

Met­ta heb­ben in gedrag omvat de beoe­fe­ning van voor­zich­tig­heid, dat wil zeg­gen prak­ti­sche wijs­heid. Alleen een ver­stan­dig en wijs iemand kan echt met­ta, in al zijn geva­ri­eer­de vor­men in het dage­lijks leven en in alle typen van inter­men­se­lij­ke rela­ties, beoe­fe­nen. Zelf­in­ge­no­men­heid, wat voort­komt uit een gevoel van beter en meer toe­ge­wijd zijn dan een ander, kan vaak (en is ook vaak) een faca­de zijn van spi­ri­tu­e­le beoe­fe­ning. Om “niet bru­taal, maar ook niet slaafs te zijn naar fami­lie” is een aan­wij­zing voor de per­soon die met­ta beoe­fent om zich niet in zelf­in­ge­no­men­heid van eni­ge vorm te laten mee­sle­pen.

Daar­naast wordt de beoe­fe­naar van met­ta gead­vi­seerd zich te ont­hou­den van elke actie, zelfs ten aan­zien van soci­a­le con­ven­ties, op grond waar­van een wijs man hem zou bekri­ti­se­ren voor het ont­bre­ken van voor­zich­tig­heid of gepast­heid. Het is niet goed genoeg om enkel goed te zijn, maar je moet ook goed over­ko­men, reke­ning hou­dend met het eigen wel­be­vin­den en dat van ande­ren. Een voor­beel­dig leven dient geleeft te wor­den zodat het ten goe­de komt aan ieder­een, voor het wel­zijn van de maat­schap­pij.

Iemand die op die manier leeft stort zich op de beoe­fe­ning van de alles-omvattende mind van met­ta door mid­del van medi­ta­tie­tech­nie­ken zoals weer­ge­ge­ven in het over­ge­ble­ven deel van de sut­ta.

Met­ta wordt ook een parit­ta genoemd – een spi­ri­tu­e­le for­mu­le die in staat is om je wel­zijn in stand te hou­den, je beschermt tegen alle geva­ren en je uit inci­den­ten en onge­luk­ken redt.

Toen de mon­ni­ken niet in dat pra­chi­ge bos voor­zien van alle gemak­ken kon­den blij­ven om te medi­te­ren omdat de goden vij­an­dig naar hun waren, moesten ze de plek ver­la­ten. En toen ze beschik­ten over de bescher­ming van de Met­ta Sut­ta die ze reci­teer­den en waar­op ze medi­teer­den tij­dens hun reis, waren de goden vrien­de­lijk en ston­den ze hun al op te wach­ten tegen de tijd dat ze de plek bereik­ten. Vij­an­dig­heid was ver­an­derd in gast­vrij­heid.

De bescher­ming van parit­ta werkt zowel sub­jec­tief als objec­tief. Sub­jec­tief omdat ter­wijl met­ta de mind rei­nigt en ver­sterkt het de sla­pen­de poten­ties doet ont­wa­ken, wat resul­teert in spi­ri­tu­e­le trans­for­ma­tie van de per­soon­lijk­heid. Getrans­for­meerd door met­ta wordt de mind niet lan­ger gekweld door begeer­te, haat, lust, jal­ou­zie en ande­re mind-vervuilende fac­to­ren die je ech­te vij­an­den zijn en een bron van onge­luk.

Objec­tief gezien is met­ta een men­ta­le kracht die in staat is om elke mind over­al te beroe­ren, ont­wik­keld of niet. De stra­ling van met­ta kan iemand niet alleen kal­me­ren of de pij­len van haat bin­nen­in ver­wij­de­ren, maar in som­mi­ge geval­len kan het zelfs ern­sti­ge ziek­tes gene­zen. Het is een gewo­ne erva­ring in boed­dhis­ti­sche lan­den om te zien hoe men­sen van aller­lei ziek­tes gene­zen en bevrijd wor­den van onge­luk door het reci­te­ren van parit­ta. Met­ta is dus een ech­te gene­zen­de kracht. Op deze manier gedraagt met­ta zich als parit­ta, een gene­zen­de for­mu­le die bor­ging biedt.

5. De psychologie van Metta

De pali-commentatoren leg­gen uit dat je van alle wezens houdt door:

(a) geen scha­de toe te bren­gen aan alle wezens en op die manier ver­mijdt om scha­de toe te bren­gen;
(b) niet aan­stoot­ge­vend te zijn (naar alle wezens) en op die manier ver­mijdt om aan­stoot te geven;
© het niet kwel­len (van alle wezens) en op de manier ver­mijdt om te kwel­len;
(d) het niet ver­nie­ti­gen (van elke vorm van leven) en op die manier ver­mijdt om te ver­nie­ti­gen;
© niet te erge­ren (aan alle wezens) en op die manier ver­mijdt om te erge­ren;
(f) door de gedach­te te pro­jec­te­ren, “Moge alle wezens vrien­de­lijk zijn en niet vij­an­dig”;
(g) door de gedach­te te pro­jec­te­ren, “Moge alle wezens geluk­kig zijn en niet onge­luk­kig”;
(h) door de gedach­te te pro­jec­te­ren, “Moge alle wezens well­zijn erva­ren en niet bezorgd te zijn.”

Op deze acht manie­ren hou je van alle wezens; daar­om wordt het uni­ver­se­le lief­de genoemd. En omdat je deze kwa­li­teit van lief­de van bin­nen oproept, is het afkom­stig van de mind. En omdat deze mind vrij is van elke gedach­te van kwa­de wil wordt het aggre­gaat van lief­de, mind en vrij­heid gede­fi­ni­eerd als de uni­ver­se­le lief­de die leidt naar de vrij­heid van de mind.

Uit de boven­lig­gen­de pas­sa­ge kan wor­den opge­maakt dat met­ta kan lei­den tot het “ont­groei­en” van nega­tie­ve trek­ken door actief de gecor­re­leer­de posi­tie­ve deug­den in prak­tijk te bren­gen. Pas wan­neer je actief beoe­fent om geen scha­de toe te bren­gen aan alle wezens, kun je de nei­ging ont­groei­en om scha­de toe te bren­gen aan ande­ren. Op ver­ge­lijk­ba­re manier werkt het voor de ande­re kwa­li­tei­ten van geen aan­stoot geven, het niet kwel­len, het niet ver­nie­ti­gen en geen erger­nis te ver­oor­za­ken in daden, woor­den en gedach­ten, waar­door je de nega­tie­ve trek­ken van aan­stoot geven, het kwel­len van ande­ren, van ver­niel­zucht en geïr­ri­teerd­heid kan ont­groei­en. Boven­op der­ge­lijk posi­tief gedrag en een prin­ci­pa­le manier van leven ont­wik­kel je de mind ver­der door die spe­ci­fie­ke tech­niek die metta-bhavana wordt genoemd, waar­mee krach­ti­ge gedach­ten van spi­ri­tu­e­le lief­de wor­den gege­ne­reert die gren­ze­loos groei­en en het bewust­zijn zelf onein­dig en uni­ver­seel maken.

Gedach­ten die alle wezens toe­wen­sen om vrien­de­lijk te zijn en nooit vij­an­dig, geluk­kig en nooit onge­luk­kig, om te genie­ten van wel­zijn en nooit ver­ont­rust te zijn, houdt niet alleen ver­he­ven­heid en onbe­grensd­heid in, maar ook een com­ple­te men­ta­le vrij­heid. Daar­om de toe­pas­send­heid van de uit­druk­king “uni­ver­se­le lief­de die leidt tot men­ta­le vrij­heid.

Wat de bete­ke­nis van de vijf aspec­ten die tegen­over met­ta staan betreft, is scha­de doen de wens om iemand te onder­druk­ken of te bescha­di­gen; aan­stoot­ge­vendh zijn is de nei­ging om te kwet­sen of te ver­won­den; kwel­len is een syno­niem voor de sadis­ti­sche nei­ging om te pij­ni­gen, ande­ren bloot te stel­len aan pijn en ellen­de; ver­nie­ti­gen is er een ein­de aan maken, de nei­ging van de extre­mist of de beel­den­stor­mer; erge­ren is om te belas­ten, pro­ble­men ver­oor­za­kend en ervoor zor­gend dat ande­ren zich zor­gen maken of gespan­nen raken. Elk van deze nei­gin­gen is gewor­teld in anti­pa­thie en kwaad­wil­lend­heid en zorgt voor een con­trast met met­ta, zowel als een vorm van gedrag en als psy­cho­lo­gi­sche zijns­toe­stand of men­ta­le hou­ding.

Het ver­van­gen van een nega­tief ken­merk door de tegen­over­lig­gen­de posi­tie­ve rich­ting houdt een in hoge mate ont­wik­kel­de en vol­was­sen bena­de­ring van het leven in. Het ver­mo­gen om geen scha­de te doen, niet aan­stoot­ge­vend, niet te kwel­len, niet te ver­nie­ti­gen en niet te erge­ren bete­kent een erg ver­fijnd, mooi en lief­de­vol gedrag in een wereld waar inter­ac­tie tus­sen men­sen zoveel span­ning en ellen­de ver­oor­zaakt.

Vol­gens de Visud­dhimag­ga, is met­ta een “oplos­mid­del” dat niet alleen iemand’s eigen psy­chi­sche­ver­vui­lin­gen van boos­heid, wrok en aan­stoot­ge­vend­heid “weg­smelt”, maar ook dat van ande­ren. Omdat het de bena­de­ring van vriend­schap kiest, wordt zelfs de vij­and ver­an­derd in een vriend.

Het zal uit deze ana­ly­se dui­de­lijk wor­den dat alleen wan­neer men geneigd is het goe­de in men­sen te zien en het wel­zijn van ande­ren ver­kiest en dien­over­een­kom­stig goed­aar­dig is (om elke vorm van irri­ta­tie of kwel­ling te ver­wij­de­ren) en actief wel­zijn bevor­derd, met­ta als een oplos­sing func­ti­o­neert. Er wordt gezegd dat het uit­ein­de­lij­ke doel van met­ta is om tran­cen­den­taal inzicht te berei­ken, en als dat niet moge­lijk is zal het op zijn minst een weder­ge­boor­te in de sublie­me sfeer van de Brah­ma wereld tot gevolg heb­ben, naast dat het in het hier en nu een inner­lij­ke vre­de en een gezon­de mind brengt. Daar­om de ver­ze­ke­ring van de Boed­dha in de Met­ta Sut­ta:

Niet meer vast­hou­dend aan onjuis­te over­tui­gin­gen,
Met deugd en zicht op het ultie­me,
En elke vorm van sen­su­e­le begeer­te te heb­ben over­won­nen,
Zal hij nooit meer in een baar­moe­der gebo­ren wor­den.

Lief­de wendt kwa­de wil af, wat van alle emo­ties de meest bescha­di­gen­de is. Daar­om wordt er gezegd: “Want dit is de ont­snap­ping van kwa­de wil, vrien­den, dat wil zeg­gen, de vrij­heid van geest tot stand gebracht door uni­ver­se­le liefde”(Digha Nikaya, III.234).

Bij de beoe­fe­ning van met­ta is het belang­rijk om die emo­ties te begrij­pen die met­ta teniet doen, ofwel door over­een­kom­stig te zijn of door te ver­schil­len. De Visud­dhimag­ga noemt ze “de twee vij­an­den – dicht­bij en ver­weg.” Begeer­te, lust, wereld­se affec­tie, sen­su­a­li­teit – alle­maal wor­den ze “de dicht­bije vij­an­den” genoemd omdat ze ver­ge­lijk­baar zijn in ten­den­sen. Dege­ne met lust ziet ook de “mooie kant” of “schoon­heid” en raakt daar­door betrok­ken. Lief­de zou erte­gen moe­ten wor­den beschermd op dat de ver­mom­ming van deze emo­ties de beoe­fe­naar niet mis­lei­den.

Kwa­de wil, boos­heid en haat, wat ander­soor­ti­ge emo­ties zijn, vor­men de “ver­re vij­and.” De ver­re vij­and kan gemak­ke­lijk wor­den onder­schei­den, dus nie­mand hoeft er bang voor te zijn, maar je moet ze over­win­nen door een hoge­re kracht te pro­jec­te­ren, die van lief­de. Maar je moet op je hoe­de zijn voor de dicht­bije vij­and, omdat het zelf-illusie cre­ëert, het erg­ste dat iemand kan over­ko­men.

Er wordt gezegd dat met­ta alleen begint wan­neer er ijver is in de vorm van een wens om te han­de­len. Nadat je begon­nen bent met oprech­te inspan­ning, kan je alleen door­gaan als de vijf hin­der­nis­sen – zin­tui­ge­lij­ke begeer­te, kwa­de wil, duf­heid en sla­pe­rig­heid, onrust en pie­ke­ren, en twij­fel – zijn gestopt. Met­ta bereikt ver­vol­ma­king met het berei­ken van absorp­tie (jha­na).

6. Metta Meditatie

Er zijn ver­schil­len­de manie­ren om metta-bhavana, de medi­ta­tie op uni­ver­se­le lief­de, te beoe­fe­nen. Drie van de belang­rijk­ste metho­den zul­len hier wor­den uit­ge­legd. Deze instruc­ties, die zijn geba­seerd op canoi­sche bron­nen en com­men­ta­ren, zijn bedoeld om de metta-meditatie op een dui­de­lij­ke, een­vou­di­ge manier uit te leg­gen zodat ieder­een die echt van plan is om de beoe­fe­ning op te pak­ken geen twij­fel hoeft te heb­ben over hoe het moet wor­den gedaan. Voor de vol­le­di­ge instruc­ties over de the­o­rie en de beoe­fe­ning van metta-bhavana wordt ver­we­zen naar de Visud­dhimag­ga, Hoofd­stuk IX.

Methode 1

Ga op in een com­for­ta­be­le hou­ding op een stil­le plek zit­ten – een altaar kamer, een stil­le kamer, een park, of elke ande­re plek die pri­va­cy en stil­te biedt. Ter­wijl je de ogen geslo­ten houdt, her­haal je het woord “met­ta” een paar keer en roep men­taal de bete­ke­nis ervan op – lief­de als het tegen­over­ge­stel­de van haat, wrok, kwaad­wil­lend­heid, onge­duld, trots en arro­gan­tie en als een diep gevoel van wel­wil­lend­heid, sym­pa­thie en vrien­de­lijk­heid, dat het geluk en wel­zijn van ande­ren bevor­derd.

Ver­vol­gens visu­a­li­seer je je eigen gezicht in een geluk­ki­ge en stra­len­de gemoeds­toe­stand. Elke keer wan­neer je je gezicht in de spie­gel ziet, zie jezelf dan in een geluk­ki­ge gemoeds­toe­stand en breng jezelf tij­dens medi­ta­tie in deze gemoeds­toe­stand. Iemand in een geluk­ki­ge gemoeds­toe­stand kan niet boos wor­den en kan geen nega­tie­ve gedach­ten en gevoe­lens heb­ben. Nadat je jezelf in een geluk­ki­ge gemoeds­toe­stand hebt gevi­su­a­li­seerd, laad jezelf dan op met de gedach­te: “Moge ik vrij mag zijn van vij­an­dig­heid, vrij van aan­doe­nin­gen, vrij van leed; moge ik geluk­kig leven.” Als je jezelf op deze wij­ze over­giet met de posi­tie­ve gedach­te­kracht van lief­de, wordt je als een gevuld vat waar­van de inhoud klaar is om in alle rich­tin­gen te over­stro­men.

Ver­vol­gens visu­a­li­seer je je medi­ta­tie­le­raar, als die nog leeft; zo niet, kies dan een ande­re leven­de leraar of geres­pec­teerd per­soon. Zie hem ter­wijl hij geluk­kig is en pro­jec­teer de gedach­te: “Moge hij vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van aan­doe­nin­gen, vrij van leed; moge hij geluk­kig leven.”

Denk daar­na aan ande­re men­sen die geres­pec­teerd die­nen te wor­den, en die ook nog in leven zijn – mon­ni­ken, lera­ren, ouders en oude­ren en ver­spreid naar elk van hen intens de gedach­te van met­ta op de al eer­der ver­mel­de manier: “Mogen ze vrij mogen zijn van vij­an­dig­heid, vrij van aan­doe­nin­gen, vrij van leed; mogen ze geluk­kig leven.”

De visu­a­li­sa­tie moet hel­der zijn en de gedach­te­stra­ling moet echt “gewild” zijn. Als de visu­a­li­sa­tie gehaast gebeurd of als het toe­wen­sen in een vluch­ti­ge of mecha­ni­sche manier wordt gedaan, dan zal de beoe­fe­ning wei­nig nut heb­ben omdat het dan een lou­ter intel­lec­tu­eel tijd­ver­drijf van het naden­ken over met­ta zal zijn. Je moet goed begrij­pen dat naden­ken over met­ta een ding is, en het met­ta geven om actief de gedach­te­kracht van liefde-vriendelijkheid te pro­jec­te­ren, een geheel ander ding is.

Let op dat alleen een leven­de per­soon gevi­su­a­li­seerd wordt, niet een over­le­den iemand. De reden hier­voor is dat een over­le­den per­soon, die van vorm is ver­an­derd, bui­ten de focus ligt van de metta-projectie. Het object van met­ta is altijd een levend wezen, en de gedach­te­kracht zal inef­fec­tief wor­den wan­neer het object niet meer leeft.

Nadat je stra­len­de gedach­ten van met­ta in de volg­or­de zoals die al eer­der is ver­meld – jezelf, de medi­ta­tie­le­raar en ande­re eer­bied­waar­di­ge per­so­nen – hebt gestuurd – moet je ver­vol­gens één voor één je dier­ba­ren visu­a­li­se­ren te begin­nen met je fami­lie, ter­wijl je ieder­een met uit­bun­di­ge stra­len van liefde-vriendelijkheid over­spoelt. Lief­da­dig­heid begint thuis: als je je eigen men­sen niet kunt lief­heb­ben, zul je ook niet in staat zijn ande­ren lief te heb­ben.

Ter­wijl je met­ta naar je fami­lie stuurt moet je aan het ein­de van deze reeks voor­zich­tig zijn met het den­ken aan iemand die je erg dier­baar is, zoals je man of vrouw. De reden hier­voor is dat de inti­mi­teit tus­sen man en vrouw het ele­ment van wereld­lij­ke lief­de intro­du­ceert wat met­ta ver­vuilt. Spi­ri­tu­e­le lief­de moet het zelf­de zijn naar ieder­een. Op een zelf­de manier geldt dat als je een tij­de­lijk mis­ver­stand of ruzie met een fami­lie­lid of  bloed­ver­want hebt gehad, hij of zij in een later sta­di­um moet wor­den gevi­su­a­li­seerd om te voor­ko­men dat de je aan de onple­zie­ri­ge omstan­dig­he­den wordt her­in­nerd.

Daar­na moet je neu­tra­le per­so­nen visu­a­li­se­ren, men­sen die je noch mag noch niet mag, zoals je buren, collega’s op het werk, opper­vlak­ki­ge ken­nis­sen, etc. Nadat je lief­heb­ben­de gedach­ten hebt gestuurd naar ieder­een in de neu­tra­le cir­kel, moet je nu de per­so­nen visu­a­li­se­ren die je niet mag, waar je vij­an­dig­heid voor voelt of een voor­oor­deel tegen hebt, zelfs die men­sen waar­mee je een tij­de­lijk mis­ver­stand hebt. Ter­wijl je de per­so­nen die je niet mag visu­a­li­seert moet je naar ieder­een men­taal her­ha­len: ”Ik voel geen vij­and­schap naar hem/haar, moge hij/zij dat ook niet naar mij toe voe­len. Moge hij/zij geluk­kig zijn!”

Op die manier visu­a­li­seer je men­sen uit ver­schil­len­de cir­kels en ver­breek je de bar­ri­è­re die wordt ver­oor­zaakt door sym­pa­thie­ën en anti­pa­thie­ën, gehecht­heid en haat. Wan­neer je in staat bent een vij­and zon­der boos­heid te bezien en met dezelf­de hoe­veel­heid vrien­de­lijk­heid die je hebt voor een goe­de vriend, ver­werft met­ta een sublie­me onpar­tij­dig­heid die de mind opwaarts en naar bui­ten toe in een spi­ra­le bewe­ging van steeds gro­te­re  cir­kels ver­heft, tot­dat het alles-omvattend wordt.

Met visu­a­li­sa­tie wordt het “in je mind oproe­pen” of visu­a­li­se­ren van bepaal­de objec­ten bedoeld, zoals een per­soon, een bepaald gebied of een rich­ting of een cate­go­rie van wezens. Met ande­re woor­den bete­kent het het voor­stel­len van men­sen naar wie we gedach­ten van lief­de gaan pro­jec­te­ren of ver­sprei­den. Stel je bij­voor­beeld je vader voor en visu­a­li­seer zijn gezicht in een geluk­ki­ge en stra­len­de gemoeds­toe­stand en pro­jec­teer de gedach­te naar het gevi­su­a­li­seer­de beeld, ter­wijl je men­taal zegt: “Moge hij geluk­kig zijn! Moge hij vrij zijn van ziek­te of narig­heid! Moge hij een goe­de gezond­heid heb­ben.” Je mag elke gedach­te gebrui­ken die zijn wel­zijn bevor­dert.

Met stra­ling wordt zoals hier­bo­ven is uit­ge­legd de pro­jec­tie van zeke­re gedach­ten bedoeld die het wel­zijn van de per­so­nen bevor­dert waar­op je mind gericht is. Een gedach­te van met­ta is een ster­ke gedach­te­kracht. Het is moge­lijk dat dat­ge­ne tot stand wordt gebracht wat je wil­de. Want wel­zijn toe­wen­sen is wil­len en dus cre­ë­rend han­de­len. In fei­te is alles wat men­sen tot stand heb­ben gebracht het resul­taat van wat ze heb­ben gewild, of het nu een stad is of een water­kracht­cen­tra­le, een raket die naar de maan gaat, een ver­nie­ti­gings­wa­pen, of een artis­tiek of lite­rair mees­ter­stuk. Ook de stra­len­de gedach­ten van met­ta zijn wils­kracht die wat je ook maar wilt tot stand kun­nenn bren­gen. Het is geen zeld­za­me uit­zon­de­ring om door de toe­pas­sing van de gedach­te­kracht van met­ta ziek­ten gene­zen te zien wor­den of onge­luk­ken afge­wend, zelfs van een gro­te afstand. Maar deze gedach­te­kracht moet op een erg spe­ci­fie­ke en wils­krach­ti­ge manier wor­den gege­ne­reerd door een bepaal­de volg­or­de te han­te­ren.

De for­mu­le die hier wordt gebruikt om met­ta uit te stra­len komt uit de oude Pati­samb­hi­da­mag­ga: “Mogen ze vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van aan­doe­nin­gen, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn” (ave­ra hon­tu, aby­a­pa­j­j­ha hon­tu, anig­ha hon­tu, suk­hi atta­nam pari­ha­ra­n­ogen­tu). De uit­leg uit het com­men­taar over deze ter­men is van groot belang. “Vrij van vij­an­dig­heid (ave­ra) bete­kent de afwe­zig­heid van vij­an­dig­heid, of die nu wordt opge­roe­pen door jezelf of door ande­ren of door jezelf van­we­ge ande­ren of door ande­ren van­we­ge jezelf of ande­ren. De boos­heid naar jezelf kan de vorm van zelf­me­de­lij­den aan­ne­men, spijt of een gevoel van schuld waar­on­der je gebukt gaat. Het kan wor­den gecon­di­ti­o­neerd door de inter­ac­tie met ande­ren. Vij­an­dig­heid com­bi­neert boos­heid met vij­and­schap. “Vrij van aan­doe­nin­gen” (aby­a­pa­j­j­ha) bete­kent vrij zijn van pijn en fysiek lij­den. “Vrij van leed” (anig­ha) bete­kent de afwe­zig­heid van men­taal lij­den, kwel­ling of angst, die vaak op vij­an­dig­heid of licha­me­lij­ke aan­doe­nin­gen vol­gen. Pas wan­neer je vrij bent van vij­an­dig­heid, aan­doe­nin­gen en leed kun je “geluk­kig zijn”, dat wil zeg­gen dat je je op je gemak voelt en geluk­kig bent. Op deze manier zijn al deze ter­men met elkaar ver­bon­den.

Met in volg­or­de van wordt het visu­a­li­se­ren van objec­ten bedoeld, één voor één, door in een gra­du­e­le volg­or­de het pad te nemen van de min­ste weer­stand, die de cir­kel pro­gres­sief ver­wijd en daar­door ook de mind zelf. De Visud­dhimag­ga is stel­lig over deze volg­or­de. Vol­gens Aca­riya Bud­dha­g­ho­sa moet je de medi­ta­tie begin­nen door jezelf te visu­a­li­se­ren, en daar­na een eer­bied­waar­dig per­soon, daar­na je dier­ba­ren, dan neu­tra­le men­sen en daar­na vij­an­di­ge men­sen. Ter­wijl je gedach­ten van lief­de in die volg­or­de uit­straalt slecht de mind de bar­ri­è­res tus­sen jezelf, een res­pec­ta­bel iemand, een dier­ba­re, een neu­traal iemand en een vij­an­de­lijk iemand. Ieder­een wordt met het oog van liefde-vriendelijkheid op dezelf­de manier beke­ken.

In de Visud­dhimag­ga geeft Aca­riya Bud­dha­g­ho­sa een erg toe­pas­se­lij­ke ana­lo­gie voor het bre­ken van de bar­ri­è­res: stel dat ban­die­ten naar de beoe­fe­naar komen die samen zit met eer­bied­waar­dig per­soon, een dier­ba­re, een neu­traal per­soon en een vij­an­de­lijk of gemeen iemand en vraagt: ”Vriend we wil­len een van jul­lie als een men­se­lijk offer.” Als de beoe­fe­naar zou den­ken, neem deze of die, dan zou­den de bar­ri­è­res niet gebro­ken zijn. En zelfs als hij zou den­ken, “laat nie­mand geno­men wor­den, maar laat ze mij nemen”, zelfs dan zul­len de bar­ri­è­res niet gebro­ken zijn omdat hij zijn eigen onheil zoekt, en metta-meditatie bete­kent het wel­zijn van ieder­een. Maar wan­neer hij geen nood­zaak ziet om iemand aan de ban­die­ten te geven en zon­der aan­zien des per­soons met­ta uit­straalt naar ieder­een, inclu­sief de ban­die­ten, dat is het moment waar­op de bar­ri­è­res zijn afge­bro­ken.

Methode 2

De eer­ste metho­de om met­ta medi­ta­tie te beoe­fe­nen maakt gebruik van de pro­jec­tie van lief­de­vol­le gedach­ten naar spe­ci­fie­ke indi­vi­du­en in toe­ne­men­de afstand tot jezelf. De twee­de metho­de toond een onper­soon­lij­ke manier om met­ta uit te stra­len waar­door de mind alles-omvattend wordt, zoals door de Pali term metta-cetovimutti, “de bevrij­ding van de mind door uni­ver­se­le lief­de”, wordt gesug­ge­reerd. De niet bevrij­de mind wordt gevan­gen gehou­den bin­nen de muren van ego­ïs­me, begeer­te, haat, illu­sie, jaloers­heid en gemeen­heid. Zolang de mind in de greep van deze ver­vui­len­de men­ta­le fac­to­ren is, net zo lang blijft het geï­so­leerd en gegij­zeld. Door deze ban­den te ver­bre­ken, bevrijdt met­ta de mind en de bevrij­de mind groeit gren­ze­loos en onme­te­lijk. Net zoals de aar­de niet als “zon­der aar­de” kan wor­den weer­ge­ge­ven, op dezelf­de manier kan de mind met met­ta niet begrensd wor­den.

Nadat het uit­stra­len van met­ta naar gese­lec­teer­de per­so­nen is afge­rond, wan­neer de mind de bar­ri­è­res tus­sen zich­zelf en de eer­bied­waar­di­gen, gelief­den, vrien­den, neu­tra­le en vij­an­di­ge men­sen heeft geslecht, begint de beoe­fe­naar aan de gro­te reis van onper­soon­lijk stra­len, net zoals een oceaan-waardig schip over de onme­te­lij­ke oce­aan vaart en des­al­niet­te­min ook een rou­te en een doel heeft. De tech­niek is als volgt.

Stel je de men­sen die in je huis ver­blij­ven voor als een groep, en sluit ze alle­maal in je hart, de vol­gen­de metta-gedachten uit­stra­lend: “Moge ieder­een die in dit huis ver­blijft vrij zijn van vij­an­de­lijk­heid, vrij van aan­doe­nin­gen en vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.” Nadat je je eigen huis op deze manier hebt gevi­su­a­li­seerd, moet je nu het vol­gen­de huis met al zijn inwo­ners visu­a­li­se­ren en dan het vol­gen­de huis en zo ver­der, tot­dat alle hui­zen in die straat bestre­ken zijn met alles­om­vat­ten­de liefde-vriendelijkheid. Nu moet de beoe­fe­naar de vol­gen­de straat oppak­ken en de vol­gen­de, tot­dat de hele buurt of dorp is bestre­ken. Daar­na moet uit­brei­ding na uit­brei­ding richting-gewijs dui­de­lijk gevi­su­a­li­seerd en met metta-stralen in over­vloe­di­ge mate bestre­ken wor­den. Op die manier moet de gehe­le stad of gemeen­te bestre­ken wor­den; dan het dis­trict en de gehe­le staat moet bestre­ken en door­straald woor­den met gedach­ten van met­ta.

Next, one should visu­a­li­ze sta­te after sta­te, star­ting with one’s own sta­te, then the rest of the sta­tes in the dif­fe­rent direc­ti­ons, the east, south, west and north. Thus one should cover the who­le of one’s coun­try, geo­grap­hi­cally visu­a­li­zing the peo­p­le of this land regard­less of class, race, sect or reli­gi­on. Think: “May eve­ry­o­ne in this gre­at land abi­de in pea­ce and well-being! May the­re be no war, no stri­fe, no mis­for­tu­ne, no mala­dies! Radi­ant with friend­liness and good for­tu­ne, with com­pas­si­on and wis­dom, may all tho­se in this gre­at coun­try enjoy pea­ce and plen­ty.”

Daar­na moet je staat na staat visu­a­li­se­ren, te begin­nen bij je eigen staat, dan de rest van de sta­ten in de ver­schil­len­de rich­tin­gen, het oos­ten, het zui­den, het wes­ten en het noor­den. Op die manier moet je hele land bestrij­ken, door de inwo­ners van het land geo­gra­fisch te visu­a­li­se­ren onge­acht klas­se, ras of reli­gie. Denk: “Moge ieder­een in dit gro­te land in vre­de en wel­zijn leven! Moge er geen oor­log zijn, geen ruzie, geen onge­luk, geen ziek­tes! Stra­lend van vrien­de­lijk­heid en geluk, vol com­pas­sie en wijs­heid, moge ieder­een in dit gewel­di­ge land vre­de en voor­spoed genie­ten.”

Nu moet je het gehe­le con­ti­nent bestrij­ken, land voor land, in het oos­ten, het zui­den, het wes­ten en de noor­de­lij­ke rich­tin­gen. Ter­wijl je je elk land en hun inwo­ners in over­een­stem­ming met hun uiter­lijk geo­gra­fisch voor­stelt, moet je in over­vloe­di­ge mate gedach­ten van met­ta uit­stra­len: “Mogen ze geluk­kig zijn! Moge er geen ruzie en one­nig­heid zijn! Moge wel­wil­lend­heid en begrip over­heer­sen! Moge er vre­de zijn voor ieder­een!”

Daar­na moet je alle con­ti­nen­ten oppak­ken – Afri­ka, Azië, Austra­lië, Euro­pa, Noord en Zuid Ame­ri­ka ter­wijl je land na land en mens voor mens visu­a­li­seert, de hele wereld bestrij­kend. Stel jezelf voor hoe je op een bepaal­de plek op de wereld bent en dan krach­ti­ge stra­len met­ta pro­jec­teert, een bepaal­de rich­ting van de aard­bol omhul­lend, dan een ande­re, dan nog een ande­re en zo ver­der tot­dat de hele aard­bol over­stroomd en geheel gehuld wordt met gloei­en­de gedach­ten van uni­ver­se­le lief­de.

Dan moet je in de onein­dig­heid van de ruim­te krach­ti­ge stra­len met­ta naar alle wezens in ande­re sfe­ren pro­jec­te­ren, aller­eerst in de vier hoofd­rich­tin­gen – oost, zuid, west en noord – dan in de tus­sen­lig­gen­de rich­tin­gen – noord­oost, zuid­oost, noord­west en dan daar­bo­ven en bene­den, alle tien rich­tin­gen bestrij­kend met over­vloe­di­ge en onme­te­lij­ke gedach­ten van uni­ver­se­le lief­de.

Methode 3

Vol­gens de kos­mo­lo­gie van het boed­dhis­me zijn er ontel­ba­re wereld-systemen die bewoond wor­den door onein­dig geva­ri­eer­de cate­go­rie­ën wezens in ver­schil­len­de sta­dia van evo­lu­tie. Onze aar­de is slechts een stip­je in ons wereld­sys­teem, dat slechts een stip­je is in het uni­ver­sum met zijn ontel­ba­re wereld­sys­te­men. Je moet naar alle wezens over­al gedach­ten van gren­ze­lo­ze lief­de uit­stra­len. Dit wordt in de vol­gen­de metho­de van beoe­fe­ning ont­wik­keld, het uni­ver­seel maken van met­ta.

Het uni­ver­seel maken van met­ta kent drie spe­ci­fie­ke modi:

  1. Alge­me­ne stra­ling (anodhiso-pharana),
  2. Spe­ci­fie­ke stra­ling (odhiso-pharana),
  3. Gerich­te stra­ling (disa-pharana).

Vol­gens de Pati­samb­hi­da­mag­ga, wordt de alge­me­ne stra­ling van met­ta op vijf manie­ren beoe­fend, de gespe­ci­fi­eer­de stra­ling op zeven en de gerich­te stra­ling op tien. Die tien gerich­te manie­ren kun­nen, zoals we zul­len laten zien, gecom­bi­neerd wor­den met de vijf cate­go­rie­ën van alge­me­ne stra­ling en met de zeven cate­go­rie­ën van spe­ci­fie­ke stra­ling. In elk van deze manie­ren van beoe­fe­ning kun­nen elk van de vier zin­nen van de stan­daard met­ta for­mu­le: “Mogen ze vrij zijn van vij­and­schap, vrij van aan­doe­nin­gen, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn” gebruikt wor­den als de gedach­te van stra­ling. Op die manier kun­nen vier typen gedach­ten wor­den toe­ge­past op vijf, zeven of 120 objec­ten van met­ta, lei­dend tot 528 modi van stra­ling. Elk van deze kan als een voer­tuig die­nen om absorp­tie (jha­na) te berei­ken door­mid­del van de tech­niek van metta-bhavana (Zie Vism. IX, 58.)

Algemene straling

De vijf manie­ren van alge­me­ne stra­ling zijn als volgt:

  1. Mogen alle wezens (sab­be sat­ta) vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  2. Moge al dat wat ade­mend (sab­be pana)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  3. Moge al dat wat gebo­ren is (sab­be bhu­ta)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig mogen zijn.”
  4. Mogen alle indi­vi­du­en (sab­be pug­ga­la)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  5. Moge al dat wat een lichaam heeft (sab­be attab­ha­va­pa­riy­a­pan­na)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

Specifieke straling

De zeven manie­ren van spe­ci­fie­ke stra­ling zijn:

  1. Mogen alle vrou­wen (sab­be itthiyo)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.
  2. Mogen alle man­nen (sab­be puri­sa)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  3. Mogen alle Nobe­len (sab­be ariya)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  4. Mogen alle wereld­bur­gers (sab­be ana­riya)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  5. Mogen alle deva’s (sab­be deva)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  6. Mogen alle men­sen (sab­be manus­sa)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  7. Moge alle wezens in de ellen­di­ge bestaans­ge­bie­den (sab­be vini­pa­ti­ka)vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

Gerichte straling

De tien manie­ren van gerich­te stra­ling behel­sen het stu­ren van gedach­ten van met­ta naar alle wezens in de tien rich­tin­gen. In zijn basa­le vorm wordt deze metho­de toe­ge­past op de klas­se van wezens (sat­ta), de eer­ste van de vijf gege­ne­ra­li­seer­de objec­ten van met­ta. Zoals we zul­len zien, kan het ver­der wor­den ont­wik­keld door het uit­brei­den van met­ta vol­gens de vijf manie­ren van alge­me­ne stra­ling en de zeven manie­ren van spe­ci­fie­ke stra­ling.

I.
  1. Mogen alle wezens in het oos­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  2. Mogen alle wezens in het wes­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  3. Mogen alle wezens in het noor­den vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  4. Mogen alle wezens in het zui­den vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  5. Mogen alle wezens in het noord­oos­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  6. Mogen alle wezens in het zuid­wes­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  7. Mogen alle wezens in het noord­wes­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  8. Mogen alle wezens in het zuid­oos­ten vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  9. Mogen alle wezens bene­den (in de neer­waart­se rich­ting) vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
  10. Mogen alle wezens boven (in de opwaart­se rich­ting) vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”
II.

1–10. “Moge al dat wat ade­men­de in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

III.

1–10. “Moge al dat wat gebo­ren is in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

IV.

1–10. “Mogen alle indi­vi­du­en in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

V.

1–10. “Moge al dat wat een lichaam heeft in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

VI.

1–10. “Mogen alle vrou­wen in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

VII.

1–10. “Mogen alle man­nen in de het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

VIII.

1–10. “Mogen alle wezens Nobe­len in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

IX.

1–10. “Mogen alle wereld­bu­re­gers in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

X.

1–10. “Mogen alle deva’s in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

XI.

1–10. “Mogen alle men­sen in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

XII.

1–10. “Mogen alle wezens in de ellen­di­ge bestaans­ge­bie­den in het oos­ten… boven vrij zijn van vij­an­dig­heid, vrij van ziek­te, vrij van leed; mogen ze geluk­kig zijn.”

Uitleg

In deze tech­niek van uni­ver­se­le met­ta ver­wijst elk van de vijf cate­go­rien van alge­me­ne stra­ling naar de tota­le dimen­sie van levend, bewust of orga­nisch bestaan, horend bij de drie alle­daag­se sfe­ren, name­lijk de kama­lo­ka, het bestaans­ge­bied van zin­tui­ge­lijk bestaan waar begeer­te de pri­mai­re drijf­veer is; de rupa­lo­ka, het bestaans­ge­bied van de stra­len­de Brah­ma goden die een sub­tie­le vorm heb­ben; en de aru­pa­lo­ka, het bestaans­ge­bied van de wezens zon­der vorm, wiens leven puur men­taal is. Of er nu spra­ke is van een “wezen”, iets wat “ademt”, “gebo­ren” is, een “indi­vi­du” is of een “lichaam” heeft – het ver­wijst alle­maal naar het totaal van levend bestaan, waar­bij het onder­scheid erin ligt dat elke term in detail een bepaald aspect van het leven ten opzich­te van het geheel uit­drukt.

Ter­wijl je elke cate­go­rie visu­a­li­seert moet je den­ken aan het spe­ci­fi­ke aspect dat door de naam­ge­ving tot uit­druk­king wordt gebracht. Als je de mind traind met de eer­ste twee metho­den als een “men­ta­le oefe­ning” zal de bete­ke­nis van de vijf onge­spe­ci­fi­ceer­de of alge­me­ne ter­men dui­de­lijk wor­den. Tegen de tijd dat je de twee metho­den hebt afge­rond zal het bewust­zijn vol­doen­de ont­wik­keld en alles-omvattend zijn. En met een der­ge­lijk bewust­zijn, wan­neer elk van de uni­ver­se­le con­cep­ten wordt begre­pen, is de uni­ver­sa­li­sa­tie moei­te­loos. Er kan op wor­den gewe­zen dat de visu­a­li­sa­tie van elk van deze niet lan­ger de indi­vi­du­e­le objec­ten betreft maar een con­cept dat totaal en alles­om­vat­tend is. In dit geval wordt de stra­ling een in over­vloe­di­ge mate “naar bui­ten” stro­men­de lief­de naar het gecon­cep­tu­a­li­seer­de men­ta­le object – alle wezens, al dat wat gebo­ren is, etc.

Elk van de zeven cate­go­rie­ën van spe­ci­fie­ke stra­ling bevat een onder­deel van het leven als geheel en druk­ken in com­bi­na­tie met de ande­ren het geheel uit. Itthi ver­wijst in het alge­meen naar het vrou­we­lij­ke prin­ci­pe, waar­mee alle vrou­wen onder de deva’s, men­sen, die­ren, demo­nen, gees­ten en bewo­ners van de hel werel­den wor­den bedoeld. Puri­sa bete­kent dui­de­lijk het man­ne­lij­ke prin­ci­pe in alle sfe­ren van het bestaan en itthi en puri­sa bei­den geza­men­lijk vor­men het geheel. Nog­maals, van­af een ande­re hoek gezien vor­men de ariya’s of de spi­ri­tu­eel getrans­for­meer­de zie­ners en de anariya’s teza­men het geheel. Ariya’s zijn die­ge­nen die het tran­cen­den­ta­le pad heb­ben betre­den; ze wor­den gevon­den in de men­sen­we­reld en de hemel­se werel­den en daar­om vor­men ze de top van de pyra­mi­de van zin­tui­ge­lijk bestaan. Wereld­bur­gers zijn in alle sfe­ren van het bestaan aan­we­zig en vor­men de basis van de pyra­mi­de om het zo maar eens uit te druk­ken. Op dezelf­de manier vor­men de drie cate­go­rie­ën van deva’s, men­sen en vini­pa­ti­ka – goden, men­sen en dege­nen die in ellen­di­ge bestaans­ge­bie­den terecht zijn geko­men – vor­men samen het geheel in ter­men van kos­mo­lo­gi­sche sta­tus. Deva’s, de stra­len­de hemel­se wezens, vor­men de boven­ste laag, men­sen de mid­del­ste en vinipatika’s de onder­ste laag van de kos­mo­lo­gi­sche heu­vel.

De “men­ta­le oefe­ning” wat gerich­te stra­ling betreft, de stra­ling van met­ta naar de boven beschre­ven twaalf cate­go­rie­ën wezens in de tien rich­tin­gen, zorgt ervoor dat het uni­ver­seel maken van met­ta een enorm opwin­den­de erva­ring is. Als je jezelf men­taal in een bepaal­de rich­ting plaatst en dan lief­de laat stro­men en dat gehe­le gebied laat omvat­ten, trans­por­teer je de mind let­ter­lijk naar de meest sublie­me hoog­tes die lei­den naar sama­dhi, gecon­cen­treer­de absorp­tie van de mind.

Wan­neer je deze tota­le wens pro­jec­teert dat ande­ren geluk­kig mogen zijn, vrij van vij­an­dig­heid, ziek­te en leed, ver­hef je jezelf niet alleen naar een niveau waar echt geluk de boven­toon voert, maar breng je ook krach­ti­ge vibra­ties in bewe­ging die bij­dra­gen aan geluk, vij­and­schap ver­min­de­ren, aan­doe­nin­gen en leed afwen­den. Het zal daar­om blij­ken dat uni­ver­se­le lief­de tege­lij­ker­tijd wel­zijn en geluk teweeg brengt, en het men­ta­le en fysie­ke lij­den ver­wij­dert dat wordt ver­oor­zaakt door de men­ta­le ver­vui­lin­gen van vij­an­de­lijk­heid, vij­and­schap en boos­heid.

7. De Zegeningen van Metta

 “Mon­ni­ken, wan­neer de uni­ver­se­le lief­de die leidt tot bevrij­ding van de mind krach­tig wordt beoe­fend, ont­wik­keld, er onaf­la­tend toe­vlucht in nemend, het als voer­tuig han­te­rend en het tot het fun­da­ment van het leven makend, vol­le­dig tot uit­voer bren­gend, goed gecon­so­li­deerd en geper­fec­ti­o­neerd, dan mogen de vol­gen­de elf zege­nin­gen wor­den ver­wacht. Wel­ke elf?

Je slaapt geluk­kig in; je wordt geluk­kig wak­ker; je lijdt niet aan kwa­de dro­men; je bent geliefd onder men­sen; je bent geliefd onder niet-menselijke wezens; je wordt beschermd door de goden; je kunt niet in gevaar komen door vuur of ver­gif of wapens; je mind raakt snel gecon­cen­treerd; de uit­druk­king op je gezicht is sereen; je gaat onver­stoord dood; en als je er niet in slaagt om de hoge­re sta­ten te berei­ken, bereik je op zijn minst de staat van de Bra­ha­ma wereld.” (AN 11:16)

Met­ta cetovi­mut­ti – uni­ver­se­le lief­de die leidt tot de bevrij­ding van de mind – bete­kend de berei­king van sama­dhi, absorp­tie die is geba­seerd op de medi­ta­tie op met­ta. Omdat met­ta de mind bevrijdt van het juk van haat en boos­heid, ego­ïs­me, begeer­te en illu­sie, zorgt het voor een staat van bevrij­ding. Iede­re keer dat je met­ta beoe­fent, hoe kort ook, ervaar je een zeke­re mate van vrij­heid in je mind. Onme­te­lij­ke vrij­heid kan ech­ter alleen wor­den ver­wacht als met­ta vol­le­dig is ont­wik­keld tot sama­dhi.

De ver­schil­len­de toe­pas­sin­gen van met­ta, zoals aan­ge­ge­ven door de ter­men “beoe­fend, ont­wik­keld, enz.” bete­ke­nen een goed gestruc­tu­reer­de kracht die niet alleen door een spe­ci­fiek aan­tal uren medi­ta­tie tot stand wordt gebracht, maar ook door al je daden, woor­den en gedach­ten om te zet­ten in acties van met­ta.

Met “beoe­fend” (ase­vi­ta) wordt de krach­ti­ge beoe­fe­ning van met­ta bedoeld, niet als een lou­te­re intel­lec­tu­e­le oefe­ning, maar door jezelf er met geheel je hart aan te com­mit­ten en het tot een lei­den­de filo­so­fie in het leven te maken, iets wat je hou­ding, je kijk op het leven en je gedrag con­di­ti­o­neert.

Met “ont­wik­keld” (bha­vi­ta) wor­den de ver­schil­len­de pro­ces­sen van je inner­lij­ke cul­ti­ve­ring en men­ta­le inte­gra­tie bedoeld die door de beoe­fe­ning van medi­ta­tie op uni­ver­se­le lief­de beïn­vloed wordt. Omdat medi­ta­tie de een­wor­ding van de mind tot stand brengt door de ver­schil­len­de ver­mo­gens te inte­gre­ren, wordt het de ont­wik­ke­ling van de mind genoemd. De Boed­dha leer­de dat de gehe­le men­ta­le wereld wordt ont­wik­keld door de beoe­fe­ning van medi­ta­tie op uni­ver­se­le lief­de, lei­dend tot de bevrij­ding van je mind en de trans­for­ma­tie van de per­soon­lijk­heid.

Er onaf­la­tend toe­vlucht in nemen” (bahu­li­ka­ta) bena­drukt de her­haal­de beoe­fe­ning van met­ta tij­dens de uren dat je wak­ker bent, in daden, woord en gedach­te, en het tij­dens de dag hand­ha­ven van het tem­po van metta-opmerkzaamheid. Her­haal­de daden bete­ke­nen het gene­re­ren van kracht. Alle vijf spi­ri­tu­e­le krach­ten, name­lijk ver­trou­wen, ener­gie, mind­ful­ness, con­cen­tra­tie en wijs­heid wor­den beoe­fend en gecul­ti­veerd door de her­haal­de beoe­fe­ning van met­ta.

Het als voer­tuig han­te­ren” (yani­ka­ta) bete­kent een “totaal com­mit­ment” aan het ide­aal van met­ta als de eni­ge vali­de metho­de voor de oplos­sing van pro­ble­men tus­sen men­sen en als een instru­ment voor spi­ri­tu­e­le groei. Wan­neer met­ta de eni­ge “manier van com­mu­ni­ca­tie” is, het eni­ge voer­tuig, wordt het leven van­zelf een “hemel­se ver­blijf­plaats” zoals dat ver­meld staat in de Met­ta Sut­ta.

Het tot een fun­da­ment van het leven maken” (vat­thi­ka­ta) bete­kent met­ta in elk opzicht de basis maken van je bestaan. Het wordt de belang­rijk­ste ver­blijf­plaats, de haven, de toe­vluchts­oord van je leven, op die manier wordt het toe­vlucht zoe­ken in de Dham­ma een rea­li­teit.

Vol­le­dig ten uit­voer bren­gend” (anut­thi­na) refe­reert aan een leven dat ste­vig gewor­teld is in met­ta, ver­an­kerd is in met­ta onder alle omstan­dig­he­den. Wan­neer met­ta moei­te­loos beoe­fend wordt, zul je zelfs niet per onge­luk de wet­ten van uni­ver­se­le lief­de over­tre­den.

Goed gecon­so­li­deerd” (pari­ci­ta) bete­kent dat je zo ver­trouwd bent met met­ta dat je er moei­te­loos in onder­ge­dom­peld blijft, zowel in de medi­ta­tie als in je dage­lijk­se gedrag van dag tot dag.

Geper­fec­ti­o­neerd” (sus­ama­rad­dha) geeft een indi­ca­tie van vol­le­dig­heid door tota­le inspan­ning en ont­wik­ke­ling, lei­dend tot die totaal geïn­te­greer­de staat waar­in je een vol­maakt wel­zijn en spi­ri­tu­eel geluk geniet zoals aan­ge­ge­ven in de pas­sa­ge over de elf zege­ning van met­ta.

De voor­de­len van met­ta zijn inder­daad groots en uit­g­breid. Voor een vol­ge­ling van de Boed­dha is dit een hoog­waar­dig instru­ment dat over­al tot voor­deel kan wor­den gehan­teerd.

8. De kracht van Metta

Het sub­jec­tie­ve voor­deel van uni­ver­se­le lief­de is meer dan dui­de­lijk. De vreug­de van wel­zijn, goe­de gezond­heid, rust, een stra­len­de gelaats­uit­druk­king en de gene­gen­heid en wel­wil­lend­heid van een ieder zijn inder­daad gro­te zege­nin­gen in het leven, voort­ko­mend uit de beoe­fe­ning van metta-meditatie. Maar wat nog ver­won­der­lij­ker is, is de impact die met­ta heeft op de omge­ving en op ande­re wezens, inclu­sief die­ren en deva’s, zoals de Pali geschrif­ten en com­men­ta­ren laten zien door een aan­tal gedenk­waar­di­ge ver­ha­len.

Op een zeker moment kwam de Boed­dha terug van zijn bedel­ron­de teza­men met een gevolg van mon­ni­ken. Toen ze dich­ter bij een gevan­ge­nis kwa­men liet de beul als tegen­pres­ta­tie voor steek­pen­nin­gen van Deva­dat­ta, de kwaad­aar­di­ge en ambi­ti­eu­ze neef van de Boed­dha, de enor­me oli­fant Nala­gi­ri los, die werd gebruikt voor de exe­cu­tie van cri­mi­ne­len. Toen de bedwelm­de oli­fant naar de Boed­dha ren­de, ter­wijl hij angst­aan­ja­gend trom­pet­ter­de, pro­jec­teer­de de Boed­dha krach­ti­ge gedach­ten van meta naar hem. De eer­waar­de Anan­da, de die­naar van de Boed­dha, was zo diep bezorgd over de vei­lig­heid van de Boed­dha dat hij voor de Boed­dha uit­ren­de om hem te bescher­men, maar de Boed­dha vroeg hem opzij te stap­pen omdat de pro­jec­tie van lief­de met zeker­heid vol­doen­de zou zijn. De impact van de metta-straling van de Boed­dha was zo onmid­del­lijk en over­wel­di­gend dat tegen de tijd dat het dier de Boed­dha had bereikt het com­pleet tam was gewor­den, als­of een dron­ken stak­ker opeens nuch­ter was gewor­den door de magi­sche kracht van een spreuk. Er werd gezegd dat de oli­fant met de gro­te slag­tan­den in ver­e­ring boog, op de manier waar­op getrain­de oli­fan­ten dat doen in een cir­cus.

De Visud­dhimag­ga ver­telt het ver­haal van een land­heer uit Pata­li­pu­t­ra (het moder­ne Pat­na), Visak­ha gehe­ten. Het schijnt dat hij had gehoord dat het eiland Sri Lanka een waar hof van Dham­ma was, met de enor­me aan­tal­len altaars en stupa’s die het eiland sier­den. En geze­gend met een aan­ge­naam kli­maat, waren de men­sen enorm recht­scha­pen, ter­wijl ze de Lerin­gen van de Boed­dha met vurig­heid en oprecht­heid volg­den.

Visak­ha besloot om Sri Lanka te bezoe­ken en daar de rest van zijn leven door te bren­gen als een mon­nik. Aldus, maak­te hij zijn enor­me for­tuin over aan zijn vrouw en kin­de­ren en ver­liet zijn thuis met een enkle gou­den munt. Hij stop­te eni­ge tijd bij de haven­stad Tam­ra­li­pi (het moder­ne Tam­luk) wach­tend op een schip en gedu­ren­de die tijd deed hij wat zaken en ver­dien­de dui­zend gou­den mun­ten.

Uit­ein­de­lijk bereik­te hij Sri Lanka en ging op weg naar de hoofd­stad Anurad­ha­pu­ra. Daar ging hij naar het beroem­de Maha­vi­ha­ra en vroeg de abt toe­stem­ming om zich bij de San­ga voe­gen. Toen hij naar de  kapel­zaal werd geleid voor de ordi­na­tie cere­mo­nie, viel zijn beurs met dui­zend goud­stuk­ken uit zijn riem. Toen hem werd gevraagd, “Wat is dit?” zei hij , “Ik wil ze niet bezit­ten, maar ik wil­de ze uit­de­len aan ieder­een die was geko­men voor de cere­mo­nie.” Aldus open­de hij zijn beurs en strooi­de hij de goud­stuk­ken over de vloer van de kapel, ter­wijl hij zei: “Laat nie­mand die is geko­men om getui­ge te zijn van de ordi­na­tie van Visak­ha met lege han­den ver­trek­ken.”

Nadat hij vijf jaar had door­ge­bracht bij zijn leraar besloot hij naar het befaam­de Cit­ta­la­pab­ba­ta bos te gaan waar een flink aan­tal mon­ni­ken met boven­na­tuur­lij­ke krach­ten woon­den. Aldus ging hij op weg naar het Cit­ta­la­pab­ba­ta kloos­ter. Op zijn weg kwam hij bij een split­sing en hij stond stil ter­wijl hij zich afvroeg wel­ke kant hij op moest. Omdat hij vast­hou­dend metta-mediatie had beoe­fend, vond hij een deva die daar in een rots woon­de, zijn hand uit­ste­kend om hem de weg te wij­zen. Nadat hij het Cit­ta­la­pab­ba­ta kloos­ter had bereikt betrok hij een van de hut­ten.

Nadat hij daar vier maan­den was ver­ble­ven, den­kend dat hij de vol­gen­de mor­gen zou ver­trek­ken, hoor­de hij iemand hui­len, en toen hij vroeg: ”Wie is dat?” zei de deva die aan het ein­de van de weg in de mani­la boom woon­de: “Eer­waar­de heer, Ik ben Mani­liya (i.e. horend bij de mani­la boom).”

Waar­om huil je?”

Omdat u er over denkt om van hier te ver­trek­ken.”

Wat voor goeds doet het jou als ik hier leef?”

Eer­waar­de heer, zo lang als u hier woont behan­de­len de deva’s en ande­re niet men­se­lij­ke wezens elkaar met vrien­de­lijk­heid. Als u weg bent, zul­len ze weer begin­nen met hun gedoe en ruzies.”

Nou, als het hier wonen ervoor zorgt dat jul­lie in vre­de leven, is het goed.” En zo bleef hij daar nog vier maan­den. Er werd ver­teld dat toen hij er weer over nadacht om te gaan, de deva weer ging hui­len. En dus bleef deze Oude­re daar per­ma­nent en bereik­te er Nir­va­na. Dat is de impact die metta-bhavana op ande­ren kan heb­ben, zelfs op onzicht­ba­re wezens.

Er is ook het beken­de ver­haal van de koe. Het schijnt dat een koe in het bos melk aan haar kalf aan het geven was. Een jager die haar wil­de doden gooi­de een speer. Toen deze haar lichaam raak­te kets­te hij af als een palm-blad. Zo mach­tig is met­ta – liefde-vriendelijkheid. Dit is niet de situ­a­tie waar­in iemand metta-samadhi heeft ont­wik­keld. Het is een een­vou­di­ge zaak van het bewust­zijn van lief­de voor het nage­slacht.

Inder­daad, de kracht van met­ta kan niet genoeg wor­den her­haald. De com­men­ta­ren in de Pali canon staan vol van ver­ha­len, niet allen over mon­ni­ken, maar ook over gewo­ne men­sen die aller­lei geva­ren te boven kwa­men, met inbe­grip van wapens en ver­gif, door de pure kracht van met­ta – onvoor­waar­de­lij­ke lief­de,.

Maar laat met­ta niet ver­ward wor­den met slechts een gevoel. Het is de kracht van de ster­ken. Als de lei­ders van ver­schil­len­de levens­pa­den met­ta een eer­lij­ke kans zou­den geven, zou er geen prin­ci­pe of richt­lijn voor daden gevon­den kun­nen wor­den met een gro­te­re effi­ci­ën­tie en vrucht­baar­heid in alle sfe­ren.

In alles is de mens uit­ein­de­lijk de bepa­len­de fac­tor. Als men­sen zou­den beslui­ten om agres­sie en kwa­de wil in te rui­len voor met­ta als een gedrags­lijn voor daden, zou de wereld in een ver­blijf­plaats van vre­de ver­an­de­ren. Want alleen wan­neer de mens vre­de zal heb­ben in zich­zelf en gren­ze­loos wel­wil­lend zal zijn naar ande­ren zal de vre­de in de wereld echt en blij­vend wor­den.

Over de auteur

De eer­waar­de Acha­rya Bud­dha­rak­khi­ta is oprich­ter en pre­si­dent van de Maha Bodhi Soci­e­ty in Ban­galo­re, India. In 1956 was hij lid van de redac­tie­raad van de Zes­de Boed­dhis­ti­sche Con­ci­lie in Rangoon die een com­ple­te edi­tie van de Pali canon uit­brach­ten. Sinds­dien heeft hij tal­rij­ke boe­ken en ver­ta­lin­gen van boed­dhis­ti­sche tek­sten geschre­ven die in veel lan­den zijn gepu­bli­ceerd. Het meest bekend is zijn klas­sie­ke Engel­se ver­ta­ling van de Dham­ma­pa­da, gepu­bli­ceerd door de BPS onder de titel The Dham­ma­pa­da: The Buddha’s Path of Wis­dom. Hij bewerkt en publi­ceert ook Dham­ma, een maan­de­lijks tijd­schrift.

Als inter­na­ti­o­naal erken­de medi­ta­tie­mees­ter heeft hij in het bui­ten­land geleefd en onder­we­zen en de Bud­dhay­o­ga Medi­ta­tie Soci­ë­teit in de Ver­e­nig­de Sta­ten opge­richt. Ook heeft hij Boed­dho­lo­gie onder­we­zen aan het Nalan­da Pali Post­gra­du­a­te Insti­tu­te, Bihar Uni­ver­si­ty. Geheel toe­ge­wijd om de boed­dhis­ti­sche prin­ci­pes in prak­tijk te bren­gen, heeft hij een onder­schei­ding gekre­gen voor de vele facet­ten van huma­ni­tai­re acti­vi­tei­ten in zijn geboor­te­land India.


Opmer­king van de uit­ge­ver

De Bud­dhist Publi­ca­ti­on Soci­e­ty is een goed­ge­keur­de lief­da­dig­heids­in­stel­ling die zich ten doel stelt de Leer van de Boed­dha ken­baar te maken, wat een belang­rij­ke bood­schap bevat voor alle men­sen van  alle reli­gies.

Opge­richt in 1958, heeft de BPS een bre­de vari­ë­teit  aan boe­ken en bro­chu­res gepu­bli­ceerd die een groot sca­la aan onder­wer­pen beslaat.

Haar publi­ca­ties bevat betrouw­ba­re gean­no­teer­de ver­ta­lin­gen van de leer­re­des van de Boed­dha, stan­daard refe­ren­tie­wer­ken, als ook ori­gi­ne­le heden­daag­se uit­een­zet­tin­gen van het boed­dhis­ti­sche gedach­te­goed en beoe­fe­ning. Deze wer­ken laten het Boed­dhis­me zien zoals het wer­ke­lijk is – een dyna­mi­sche kracht die gedu­ren­de de afge­lo­pen 2500 jaar de minds die daar­voor open­staan heeft beïn­vloed en van­daag nog steeds even rele­vant is als wan­neer het voor de eer­ste keer ver­scheen.

Bud­dhist Publi­ca­ti­on Soci­e­ty
P.O. Box 61
54, Sang­ha­ra­ja Mawat­ha
Kan­dy, Sri Lanka

©1989 Bud­dhist Publi­ca­ti­on Soci­e­ty.

Terug naar de Blog