Een woord zoals Cit­ta (bewust­zijns­mo­ment) of Ceta­si­ka (men­ta­le fac­tor) kan vrij abstract zijn. Je eigen erva­ring is (zo neem ik aan) niet los­se Cit­ta maar het dyna­mi­sche karak­ter van het cognitieve-proces. Cit­ta en Ceta­si­ka komen dan ook meer tot leven als je naar het pro­ces kijkt dat zich in ons dage­lijks leven afspeelt. Mis­schien denk je dat je al vol­doen­de over de wer­king van je bewust­zijn weet, immers maak je het toch dage­lijks mee! Toch is het goed om de hier vol­gen­de uit­leg eens aan­dach­tig door te lezen en er gedu­ren­de de dag af en toe over na te den­ken.

Juiste-zienswijze is name­lijk niet altijd intu­ï­tief. Dit komt omdat onze ziens­wij­ze gecon­di­ti­o­neerd is door een enor­me reeks aan Akusa­la (onheil­za­me) Cit­ta. De mees­ten van ons zul­len waar­schijn­lijk niet meer dan 0,01% van de tijd Kusa­la (heil­za­me) Cit­ta mee­ma­ken. We base­ren onze ziens­wij­ze dan ook op de ove­ri­ge 99,9% Akusa­la Cit­ta. De Abhi­d­ham­ma kan hel­pen om scheur­tjes in deze verkeerde-zienswijze aan te bren­gen zodat deze in toe­komst ver­van­gen kan wor­den door de bevrij­den­de juiste-zienswijze. Voor­dat ik naar het cog­ni­tie­ve pro­ces ga is het han­dig om dit punt nader toe te lich­ten. Dit bena­drukt name­lijk het nut van het bestu­de­ren van de Abhi­d­ham­ma. Ik wil dit doen aan de hand van drie stap­pen die gezet kun­nen wor­den in het recht­zet­ten van een vorm van verkeerde-zienswijze, name­lijk de verkeerde-zienswijze dat er een “ik” is.

Nage­noeg ieder­een heeft de ver­keer­de ziens­wij­ze dat er een “ik” , een “zelf” en een “van mij” bestaat. Deze ver­keer­de ziens­wij­ze zit diep in ons gewor­teld. Er zijn drie gra­da­ties van deze verkeerde-zienswijze te onder­schei­den voor­dat juiste-zienswijze wordt bereikt.

Ieder­een staat wel eens stil staat bij de ‘waar­om’ vraag van het leven of in het ver­leng­de daar­van bij ‘wie’ of ‘wat’ je nou eigen­lijk bent. Niet ieder­een gaat hier mee door tot­dat een nauw­keu­rig gede­fi­ni­eer­de the­o­rie ont­staat, maar een idee zul je er wel over heb­ben. Dit idee is het ‘filo­so­fi­sche’ kader waar je het ‘ik’ aan ophangt. Je zou bij­voor­beeld kun­nen den­ken dat je niets meer dan mate­rie bent, immers ben je een hoop cel­len die op een gege­ven moment dood gaat. Je kunt dan ook den­ken dat er na de dood niets meer is en dat er voor je geboor­te niets was. Met deze mening heb je al een heel sys­teem bedacht waar je je ‘zelf’ aan kop­pelt. Een refe­ren­tie­ka­der. Som­mi­gen zul­len hier uit­ge­brei­de the­o­ri­ën van voor­aan­staan­de natuur­kun­di­gen, filo­so­fen of the­o­lo­gen op naslaan. Ande­ren zeg­gen “zo is het gewoon” en zijn er dan klaar mee. De inten­si­teit maakt voor mijn ver­haal niet zo veel uit. Wat belang­rij­ker is, is dat dit idee, dit kader, een ziens­wij­ze is. Een ziens­wij­ze die je zelf hebt bedacht. Met de nadruk op ‘bedacht’! Het is niets meer dan een con­cept, een idee, een the­o­rie, en heeft niets te maken met de rea­li­teit. Immers weet je het niet zeker. Als je de rea­li­teit uit eigen erva­ring mee maakt, dan zou je het zeker weten. Nu geloof je door dit ver­zon­nen kader hele­maal dat er een “ik” is. Dit diep gewor­tel­de, bedach­te geloof is de eer­ste en erg­ste gra­da­tie van de verkeerde-zienswijze dat er een “ik” bestaat. Je zou het de ziens­wij­ze “dit ben ik” kun­nen noe­men, omdat je een idee hebt over wat je bent.

Nu dan, als je je met het Boed­dhis­me bezig gaat hou­den, zul je mer­ken dat vaak over ‘niet-zelf’ wordt gespro­ken. Ook wordt er vaak aan­ge­ge­ven dat je eigen waar­ne­ming zeer sub­jec­tief is en dat je voor­al moet uit­kij­ken om daar te voor­ba­rig con­clu­sies uit te trek­ken. Zelfs het trek­ken van con­clu­sies op basis van die­pe medi­ta­tie­ve erva­ring moet met een kor­rel zout wor­den geno­men. Men kan name­lijk in de valkuil val­len te den­ken al vol­le­di­ge wijs­heid ver­wor­ven te heb­ben ter­wijl men maar een klei­ne stap heeft gezet. Daar­om is een leraar van zo groot belang. Zon­der leraar die zelf de nodi­ge erva­ring op de weg heeft kan je mak­ke­lijk op een zij­spoor gera­ken of ergens blij­ven han­gen omdat het zo fijn ver­toe­ven is, ter­wijl je het doel, de vol­le­di­ge bevrij­ding, nog niet hebt bereikt. Wat wel kan, is dat vol­doen­de erva­ring in de medi­ta­tie, bij­voor­beeld het buddho-systeem, ver­trou­wen geeft. Ver­trou­wen in de Dham­ma, de weg van de Boed­dha. Je merkt dat de medi­ta­tie je in je dage­lijks leven helpt en stap­je voor stap­je merk je dat din­gen die je hebt gele­zen in Boed­dhis­ti­sche boe­ken ook op jou van toe­pas­sing zijn. Dit kan ervoor zor­gen dat je stopt met het maken van the­o­rie­ën over een “zelf”. Niet dat je gelijk ziet dat alles niets meer dan gecon­di­ti­o­neer­de ver­gan­ke­lij­ke momen­ten zijn, maar je accep­teert op basis van een begin­nen­de eigen erva­ring in de medi­ta­tie, dat je waar­ne­ming en dus je idee over een “ik” wel eens fout zou kun­nen zijn. Als je stopt met het maken of aan­han­gen van een the­o­rie of filo­so­fie over een “ik” heb je de erg­ste vorm van verkeerde-zienswijze over een zelf ach­ter je gela­ten. Je hebt een stapt rich­ting juiste-zienswijze gezet, maar je hebt nog geen eigen erva­ring met het niet-zelf. Dit is de twee­de gra­da­tie van de verkeerde-zienswijze dat er een “ik” bestaat. Je zou het de ziens­wij­ze “ik ben” kun­nen noe­men, omdat je alleen nog accep­teert dat je bent.

Door met ener­gie en vol­har­ding te blij­ven wer­ken met het medi­ta­tie­sys­teem komt er van­zelf een moment waar­op je een eer­ste erva­ring krijgt met niet-zelf. Je door­ziet, voor enke­le momen­ten, dat je een samen­raap­sel van los­se Cit­ta en Ceta­si­ka bent die tel­kens ver­schij­nen en ver­gaan, geba­seerd op con­di­ties. Dit ver­nie­tigt het idee van een “ik” meer dan voor­heen maar je bent er nog niet! Als je uit de medi­ta­tie opstaat en de wij­de wereld in kijkt dan zie je met je ogen, ruik je met je neus, proef je met je tong. Je weet dat op basis van eigen erva­ring dat er geen “ik” is, maar in het dage­lijks leven ‘voelt’ het als­of een “ik” de din­gen waar­neemt. Dit is de der­de en meest sub­tie­le vorm van verkeerde-zienswijze. Je zou het de ziens­wij­ze “ik” kun­nen noe­men, omdat je op de meest sub­tie­le manie­ren nog denkt dat het “zelf” waar­neemt, maar ook niet meer dan dat.

Geluk­kig heb je een leraar die je erop wijst dat zelfs het ‘gevoel’ van waar­ne­ming door een “zelf” een illu­sie is. En door ver­der te stre­ven komt er een moment dat zelfs deze meest sub­tie­le vorm van ik-denken ver­nie­tigd wordt en elke vorm van ver­lan­gen en hech­ting naar een zelf is opge­ge­ven. Dat is het moment waar­op juiste-zienswijze over niet-zelf is bereikt. Dit is onder­deel van Arahant-schap, het eind­doel van het boed­dhis­ti­sche pad.

Als je dit ver­haal tot hier hebt gele­zen kun je je mis­schien voor­stel­len hoe hard­nek­kig het idee dat er een “ik” bestaat is. Als de essen­tie, de die­pe bete­ke­nis van de Abhi­d­ham­ma echt begint door te drin­gen kun­nen de eer­ste haar­scheur­tjes in het “zelf” beeld ont­staan. De Abhi­d­ham­ma leert name­lijk dat alles gecon­di­ti­o­neer­de ver­gan­ke­lij­ke momen­ten zijn. Dat er geen “ik”, geen “zelf” geen “van mij” is. Een mooi aan­vul­ling en ver­die­ping van de eigen medi­ta­tie­ve erva­ring!

Dit lijk me een mooi moment om naar het cognitieve-proces te gaan kij­ken. Aan­ge­zien het cognitieve-proces uit een aan­een­scha­ke­ling van Cit­ta bestaat is het han­dig om te her­ha­len wat we tot nu toe over Cit­ta te weten zijn geko­men:

  1. Een Cit­ta (bewust­zijns­mo­ment) is een Paramattha-dhamma (ultie­me rea­li­teit)
  2. Cit­ta is één van de vier cate­go­rie­ën waar­in de Abhi­d­ham­ma de ultie­me wer­ke­lijk­heid ver­deelt. De ande­re drie zijn Ceta­si­ka (men­ta­le fac­to­ren), Rupa (mate­rie) en Nib­ba­na (Nir­va­na)
  3. Cit­ta is:
    1. Men­taal
    2. Gecon­di­ti­o­neerd
    3. Ver­gan­ke­lijk
    4. Zon­der Zelf
  4. Cit­ta en Ceta­si­ka:
    1. Komen samen op (ver­schij­nen tege­lij­ker­tijd)
    2. Gaan samen onder (ver­dwij­nen tege­lij­ker­tijd)
    3. Heb­ben het­zelf­de object
    4. Heb­ben dezelf­de basis
  5. Cit­ta kent het object, neemt het object waar. Ceta­si­ka ver­vul­len de func­ties in het waar­ne­mings­pro­ces. Cit­ta is als de koning, Ceta­si­ka als zijn gevolg dat hem altijd ver­ge­zelt.
  6. Cit­ta bestaat in drie ethi­sche vari­an­ten:
    1. Heil­zaam
    2. Onheil­zaam
    3. Onbe­paald
  7. Cit­ta kun­nen werelds en boven-werelds[1] zijn
  8. Cit­ta ver­schij­nen en ver­dwij­nen met een onge­lo­fe­lij­ke snel­heid. Er pas­se­ren mil­jar­den Cit­ta in de tijd van een blik­sem­flits of het knip­pe­ren van de ogen

Ik denk dat we de term Cit­ta vol­doen­de heb­ben gede­fi­ni­eerd om naar het cog­ni­tie­ve pro­ces te kun­nen gaan kij­ken. Wel wil ik van te voren nog een kant­te­ke­ning plaat­sen en de ver­wach­tin­gen wat bij­scha­ven. Ahba heeft wel eens aan­ge­ge­ven gemaakt dat men zich niet te veel met de los­se Cit­ta bezig moet hou­den. Hij geeft aan dat het anders te abstract blijft. Het is mis­schien beter om niet teveel bezig te zijn met din­gen die (nog) erg ver van de erva­rings­we­reld lig­gen ter­wijl er zoveel te leren valt over din­gen die we wel mee­ma­ken. Hoe­veel stap­jes het men­ta­le pro­ces nou pre­cies heeft en wel­ke Cit­ta pre­cies wel­ke func­tie uit­voert en hoe die zich onder­ling ver­hou­den is op dit moment dan ook van onder­ge­schikt belang. Ik ga hier dan ook alleen de essen­ties of con­clu­sies pro­be­ren te ver­woor­den die je aan de hand van de uit­leg in de Abhi­d­ham­ma over je bewust­zijn kunt trek­ken. Wie naar meer details smacht ver­wijs ik naar de boe­ken[2].

Er zijn een paar prin­ci­pes die han­dig zijn als ach­ter­grond­in­for­ma­tie. Één cognitief-proces bestaat vol­gens de Com­men­ta­ren uit 17 Cit­ta. Wel­ke 17 en wat voor func­tie deze in het pro­ces ver­vul­len is, zoals gezegd, nu niet van belang. Wat wel van belang is, is dat deze 17 na elkaar opko­men en weer ver­gaan. Dus de eer­ste Cit­ta komt op en ver­gaat, dan de twee­de, dan de der­de, en zo voort. Een cognitief-proces bestaat dus uit alle­maal los­se bewust­zijns­mo­men­ten die elkaar razend­snel opvol­gen.

Wat ook han­dig is om te weten, is dat het Boed­dhis­me altijd over zes zin­tui­gen spreekt. Naast de regu­lie­re vijf (ogen, oren, neus, tong en tast) die wij in het wes­ten ken­nen vind ook ‘bewust­zijn’ hier zijn plaats. Het zin­tuig (mentaal)bewustzijn neemt men­ta­le objec­ten waar net als de ogen zicht­ba­re din­gen als object en de oren geluid als object waar­ne­men.

Tijd om te begin­nen over het cog­ni­tie­ve pro­ces. Er zijn grof­weg 2 soor­ten. Het eer­ste pro­ces is zin­tuig­lijk. Een van de vijf licha­me­lij­ke zin­tui­gen (ogen, oren, neus, tong of tast) wordt in con­tact gebracht met een cor­res­pon­de­rend object en er ont­staat auto­ma­tisch, als aan alle voor­waar­den wordt vol­daan, een zintuiglijk-cognitief-proces op basis van dat zin­tuig. Neem als voor­beeld oog­be­wust­zijn. Als er een wer­kend oog (beter gezegd oog-sensitiviteit), een zicht­baar object, licht en aan­dacht zijn, dan zijn alle voor­waar­den aan­we­zig voor een oog-cognitief-proces. Dit pro­ces vindt op dat moment hoe dan ook plaats! Hele­maal auto­ma­tisch, puur op basis van voor­waar­den en con­di­ties, zon­der dat daar een “ik” aan te pas komt.

Elk zin­tuig heeft op die manier zijn eigen pro­ces. We weten dat Cit­ta altijd ach­ter elkaar opko­men en ver­gaan, daar­uit volgt dat er zich tel­kens maar een soort cognitief-proces tege­lijk kan vol­trek­ken. Dit is de eer­ste essen­tie van het bewust­zijns­pro­ces. Hoe­wel wij den­ken dat we tege­lij­ker­tijd zien, horen, rui­ken, proe­ven en voe­len is dit niet zo! Het gebeurt razend­snel ach­ter elkaar. Of je ziet, of je hoort, of je ruikt, of je proeft of je voelt. Net als een film eigen­lijk uit alle­maal los­se beel­den bestaat die met mini­maal 24 beel­den per secon­de wor­den afge­speeld om de illu­sie van een vloei­en­de bewe­ging te geven pre­sen­te­ren zich de Cit­ta, en in hun ver­leng­de de cognitieve-processen, als een vloei­end geheel. Alleen door zeer hoge con­cen­tra­tie kan dit met eigen erva­ring tot in de klein­ste delen gea­na­ly­seerd wor­den. Tot zover kort over het eer­ste soort, het zintuiglijk-cognitief-proces.

De aler­te lezer heeft vast al opge­merkt dat het zes­de zin­tuig, het (mentale)bewustzijn, nog niet is genoemd. Het mentale-cognitieve-proces is name­lijk het twee­de soort cogntief-proces. Dit pro­ces kan in twee­ën wor­den gedeeld. Ten eer­ste het pure mentale-cognitieve-proces, bij­voor­beeld tij­dens abstract naden­ken over din­gen. Ook dit pro­ces wordt geac­ti­veerd door het aan­we­zig zijn van voor­waar­den. In dit geval is dat de hart-basis, het men­ta­le object, levens­con­ti­nu­üm en aan­dacht. Als aan deze voor­waar­den wordt vol­daan dan wordt het men­ta­le object gekend.

Ten twee­de komen mentale-cognitieve-processen (let op de meer­voud) ook voor na een zintuiglijk-bewustzijns-proces. Nadat er con­tact plaats vindt tus­sen object en zin­tuig en er aan alle voor­waar­den vol­daan is gaat een zintuiglijk-cogntief-proces van start. Zoals het boven­ge­noem­de oog-cogntieve-proces. Dit kent het zin­tuig­lijk object. In prin­ci­pe is dit een hele zui­ve­re waar­ne­ming van het object waar nog geen con­cep­ten aan zijn toe­ge­voegd. Direct na dit zintuiglijk-cognitieve pro­ces vin­den enke­le mentale-cognitieve pro­ces­sen ach­ter elkaar plaats die invul­ling gaan geven aan wat er door het zin­tuig is waar­ge­no­men. Ech­ter doet een mentaal-cognitief-proces dit niet met het wer­ke­lij­ke ‘exter­ne’ feno­meen als object maar met een men­ta­le kopie! Ik zal een voor­beeld geven.

Als zich een oog-cognitief-proces heeft afge­speeld omdat er aan de voor­waar­den voor dit pro­ces is vol­daan is het zicht­ba­re object waar­ge­no­men. Een zicht­baar object is ech­ter enkel kleur, geen vorm, mate­ri­aal, naam, en zo voort. Waar­om niet? Neem vorm als voor­beeld. Je kunt vorm niet zien. Vorm voel je. Denk maar aan al die leu­ke visu­e­le illu­sies die met pen en papier gemaakt kun­nen wor­den. Plot­se­ling lijkt een twee-dimensioneel vel­le­tje papier diep­te te heb­ben als je er naar kijkt. Dat is ech­ter hele­maal niet waar. Als je het papier voelt weet je ook dat dit niet waar is. Vorm voel je. Wat je ziet is kleur en con­trast en op basis van onder ande­re eer­de­re erva­ring kop­pelt je bewust­zijn hier een bepaal­de vorm aan. Vorm waar­ne­men op basis van zien met de ogen is een afge­lei­de. Daar­om gaat het fout met visu­e­le illu­sies. Je mentale-cognitieve pro­ces kop­pelt iets aan de kleur die je ziet ter­wijl dat er in wer­ke­lijk­heid niet is! Het­zelf­de geld uiter­aard voor een naam. Je ziet geen sinaas­ap­pel. Wat je ziet is oran­je. Het heeft de vorm van een ron­de bol, maakt je bewust­zijn daar­van. Ver­de­re ana­ly­se geeft dan de naam “sinaas­ap­pel”. Als je nog nooit eer­der een sinaas­ap­pel hebt gezien kun je die naam er niet aan geven, dan stop het bij ‘een oran­je bol’. Het bizar­re van dit geheel is dat alleen dat eer­ste zintuiglijke-cognitieve-proces daad­wer­ke­lijk het object (bij­voor­beeld de kleur oran­je) waar­neemt. Daar­na wordt een men­ta­le kopie gemaakt van dit object dat dan als men­taal object voor de ver­de­re ana­ly­se tij­dens de mentale-cognitieve-processen wordt gebruikt. Alle (men­ta­le) ana­ly­se wordt dus op een con­cept uit­ge­voerd en niet op het wer­ke­lij­ke object! Kijk je bij­voor­beeld naar een mooie roos dan ervaar je niet de roos als mooi, maar het men­ta­le con­cept van ‘roos’. Want wat je ziet is enkel kleur (mis­schien rood). De vorm ‘bloem’ en de naam ‘roos’ zijn con­cep­ten toe­ge­voegd aan de men­ta­le kopie (en niet aan het wer­ke­lij­ke exter­ne object). Dus is het woord ‘mooi’ van toe­pas­sing op een con­cept, niet op de wer­ke­lijk­heid.

Waar­om is dit belang­rijk? Omdat wij hier hele­maal in op gaan. Omdat we hier­mee door dra­ven. Plot­se­ling vin­den we van alles. We vin­den het een mooie, lek­ker ogen­de, rijp uit­zien­de sinaas­ap­pel die we heel graag zou­den wil­len eten. Of we vin­den het een lelij­ke, ver­groei­de, onrijp ogen­de sinaas­ap­pel die we zeer zeker niet wil­len eten. Er komt ver­lan­gen[3] op. Zodra er ver­lan­gen in het spel is ont­staan er pro­ble­men. Als je de lek­ke­re sinaas­ap­pel niet krijgt ben je ver­drie­tig, als je de vie­ze sinaas­ap­pel wel moet eten ben je ver­drie­tig. En het ple­zier dat je ervaart door het vol­doen aan je ver­lan­gens, door het eten van de sinaas­ap­pel, is ver­gan­ke­lijk en maar van kor­te duur en daar­door eigen­lijk ook ver­drie­tig. Met­een na dat ple­zier van vol­doen aan je ver­lan­gen zijn er weer tal van ande­re din­gen die je wel of niet wil. Net als een klein kind in een speel­goed­win­kel. Het kind wil één speel­tje. Altijd zeurt het daar­om. Als het kind het speel­tje krijgt is het een paar dagen of weken blij aan het spe­len, maar voor­dat je het weet ligt het speel­tje alweer ergens ver­ge­ten in een hoek en is er een ander ‘één speel­tje’ dat het kind wil.

En dit door­dra­ven, dit erin opgaan, dit ver­lan­gen is alle­maal puur op basis van con­cep­ten, men­ta­le kopie­ën. Niet op basis van de rea­li­teit. Alleen als je con­cen­tra­tie heel hoog is kun je snel genoeg ingrij­pen om te voor­ko­men dat je onte­recht opgaat in de illu­sies van je bewust­zijn en kun je voor­ko­men dat ver­lan­gen en dus pro­ble­men ont­staan. Je dringt zo door tot ware natuur van de din­gen. “Wat saai” zou je kun­nen den­ken. Maar dat is onzin. Je zult dan geen ver­lan­gen meer heb­ben en dus geen ellen­de. Geen ellen­de, maar wel ple­zier. Je kunt de sinaas­ap­pel nog steeds eten en er nog steeds van genie­ten, maar als het anders zou zijn is dat niet erg. Zoals Ahba zegt:

Ver­lan­gen is het pro­bleem. Stel er is iets dat je heel graag wilt, dat je heel graag cadeau wil krij­gen. Maar je krijgt het niet. Dan ben je ver­drie­tig of boos of teleur­ge­steld. Als je con­cen­tra­tie hebt heb je geen ver­lan­gen meer. Mis­schien is er nog steeds iets dat je graag wil heb­ben. Als je dat krijgt ben je geluk­kig. Maar als je dat niet krijgt ben je ook geluk­kig! Het maakt dan niet meer uit. Het is geen pro­bleem meer. Alles is dan mak­ke­lijk!”

Dit is de twee­de belang­rij­ke essen­tie van het cognitieve-proces. Dat na het zui­ve­re zintuiglijke-cognitieve-proces een men­ta­le kopie wordt gemaakt waar we mee van­door gaan. Dat alles wat we van din­gen vin­den niet meer dan sub­jec­tie­ve men­ta­le toe­voe­gin­gen zijn. Dat we hier­door ver­lan­gen iets wel of niet te heb­ben en dat we daar­door alle pro­ble­men in ons leven hele­maal zelf ver­oor­za­ken.

Je kunt het voor­gaan­de lezen en voor lief nemen, maar dat zou jam­mer zijn. Het heeft pas zin als je er af en toe over na denkt. Wat zijn de con­se­quen­ties hier­van? Wat bete­kent dit? Als ik iets wil of niet wil? Als ik iets ergens over vind? Als ik boos of ver­drie­tig ben? Of blij? Ken­nis over het cog­ni­tie­ve pro­ces kan zo bij­dra­gen aan het inzicht dat alles gecon­di­ti­o­neerd is, ver­gan­ke­lijk is en zon­der zelf is. En zo voor de eer­der genoem­de haar­scheur­tjes in de verkeerde-zienswijze zor­gen, zodat plaats kan wor­den gemaakt voor de bevrij­den­de juiste-zienswijze.

[1] Boven-werelds wil zeg­gen dat ze Nir­va­na als object heb­ben. Je zou het “ver­lich­ting” Cit­ta kun­nen noe­men. Alle ande­re Cit­ta zijn werelds.

[2] Bij­voor­beeld de Abhi­d­ham­mat­t­ha Sangaha, de Visud­dhimag­ga of de Att­hasa­li­ni. Het is trou­wens het noe­men waard dat in de oor­spron­ke­lij­ke 7 boe­ken van de Abhi­d­ham­ma ook niet tot in detail over dit cog­ni­tie­ve pro­ces wordt gespro­ken. Het zit er wel in ver­werkt (net als in de Sut­ta), maar de nadruk wordt er pas in de Com­men­ta­ren (bij­voor­beeld in de Abhi­d­ham­mat­t­ha Sangaha) op gelegd.

[3] Iets ‘wel wil­len’ is net zo goed ver­lan­gen als iets ‘niet wil­len’. Het Boed­dhis­me kent drie aspec­ten van ver­lan­gen: ver­lan­gen naar zin­tuig­lij­ke genoe­gens (kāma­taṅhā), ver­lan­gen naar voort­ge­zet bestaan (bha­va­taṅhā) en ver­lan­gen naar ver­nie­ti­ging van het eigen leven (vib­ha­va­taṅhā).

 

Schrijf je in voor nieuws en updates!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak (het kost geen geld, wel eigen inspanning).

Is de stap naar meditatie nog te groot? Kom dan bijvoorbeeld langs voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven? Waar staat spanning op de boog?