Het onder­staan­de betreft een infor­me­le preek gege­ven door Ajahn Chah aan een groep leken-volgelingen bij zijn kuti op een avond in 1987. De engel­se ver­sie is hier te vin­den, deze tekst is in het Neder­lands ver­taald door Buddho.nl (alle fou­ten zijn enkel aan hen toe te schrij­ven).


Er zijn twee manie­ren om het Boed­dhis­me te onder­steu­nen. Een staat bekend als āmi­s­apūjā, onder­steu­nen door mate­ri­ë­le offer­ga­ven. Het gaat hier­bij om de vier rekwi­sie­ten voed­sel, kle­ding, onder­dak en medi­cijn. Dit om het Boed­dhis­me te onder­steu­nen door mate­ri­ë­le offers te geven aan de Sang­ha van mon­ni­ken en non­nen en het hen moge­lijk te maken om in rede­lijk com­fort te leven om zo de Dham­ma te kun­nen beoe­fe­nen. Dit moe­digt de direc­te rea­li­sa­tie van de Boed­dha zijn leer aan, wat op zijn beurt zorgt voor blij­ven­de voor­spoed voor de Boed­dhis­ti­sche reli­gie.

Het Boed­dhis­me kan met een boom wor­den ver­ge­le­ken. Een boom heeft wor­tels, een stam, tak­ken, twijg­jes en bla­de­ren. Alle bla­de­ren en tak­ken, en de stam, zijn afhan­ke­lijk van de wor­tels die de voe­dings­stof­fen uit de aar­de opne­men en deze naar hun toe stu­ren. Op dezelf­de manier als de boom afhan­ke­lijk is van de wor­tels om gesteund te wor­den, zijn onze han­de­lin­gen en onze spraak net als ‘tak­ken’ en ‘bla­de­ren’, die afhan­ke­lijk zijn van de mind, de ‘wor­tel’, die voe­dings­stof­fen opneemt en deze dan naar de ‘stam’, ‘tak­ken’ en ‘bla­de­ren’ stuurt. Dit brengt op zijn beurt vruch­ten voort als onze spraak en han­de­lin­gen. Wat voor gemoeds­toe­stand de mind ook in ver­keert, bekwaam of onbe­kwaam, het brengt die kwa­li­teit tot uit­druk­king  in de vorm van onze han­de­lin­gen en spraak.

Daar­om is het onder­steu­nen van het Boed­dhis­me door de prak­ti­sche toe­pas­sing van de leer de meest belang­rij­ke vorm van onder­steu­ning. Bij­voor­beeld in de cere­mo­nie van het vast­stel­len van voor­schrif­ten op de ‘dagen van inacht­ne­ming’, beschrijft de leraar die onbe­kwa­me han­de­lin­gen die voor­ko­men die­nen te wor­den. Maar als je sim­pel­weg door de cere­mo­nie van het vast­stel­len van de voor­schrif­ten gaat zon­der over de bete­ke­nis na te den­ken, is voor­uit­gang moei­lijk. Je zult niet in staat zijn de ware beoe­fe­ning te vin­den. De ech­te onder­steu­ning van het Boed­dhis­me moet daar­om komen door pati­pat­tipūjā, de offer­ga­ve van beoe­fe­ning, het cul­ti­ve­ren van de ech­te zelf­con­tro­le, con­cen­tra­tie en wijs­heid. Dan zul je weten waar het Boed­dhis­me over gaat. Als je niet door beoe­fe­ning begrijpt dan zal je het niet weten, ook al leer je de hele Tipi­ta­ka.

In de tijd van de Boed­dha was er een mon­nik, Tuc­cho Pothi­la gehe­ten. Tuc­cho Pothi­la was heel geleerd, goed bele­zen in de geschrif­ten en tek­sten. Hij was zo beroemd dat hij over­al door men­sen ver­eerd werd en acht­tien kloos­ters onder zijn hoe­de had. Wan­neer men­sen de naam “Tuc­cho Pothi­la” hoor­den, waren zij vol ont­zag en nie­mand durf­de ook maar iets wat hij onder­wees ter dis­cus­sie te stel­len, zo zeer ver­eer­den ze zijn beheer­sing van de leer. Tuc­cho Pothi­la was een van de Boeddha’s meest geleer­de dis­ci­pe­len.

Op een dag ging hij naar de Boed­dha om zijn res­pect te betui­gen. Ter­wijl hij zijn res­pect aan het betui­gen was, zei de Boed­dha, “Ah, hal­lo, Eer­waar­de Leeg Geschrift!”… gewoon zo! Ze onder­hiel­den zich een tijd­je tot­dat het tijd was om te gaan, en toen, ter­wijl hij afscheid van de Boed­dha aan het nemen was, zei de Boed­dha, “Oh, ga je nu weg, Eer­waar­de Leeg Geschrift?”

Dat was alles wat de Boed­dha zei. Bij aan­komst, “Oh, hal­lo, Eer­waar­de Leeg Geschrift.” Toen het tijd was om te gaan, “Ah, ga je nu weg, Eer­waar­de Leeg Geschrift?” De Boed­dha licht­te het niet toe, dat was de eni­ge les die hij gaf. Tuc­cho Pothi­la, de emi­nen­te leraar, was ver­baasd, “Waar­om zei de Boed­dha dat? Wat bedoel­de hij?” Hij dacht en dacht, alles wat hij geleerd had over­we­gend, tot­dat hij zich uit­ein­de­lijk rea­li­seer­de… “ Het is waar! Eer­waar­de Leeg Geschrift – een mon­nik die stu­deert maar niet beoe­fent.” Toen hij in zijn hart keek zag hij dat hij eigen­lijk hele­maal niet ver­schil­de van de leken­vol­ge­lin­gen.  Waar zij naar streef­den daar streef­de ook hij naar, waar zij ple­zier in had­den daar had ook hij ple­zier in. Er zat geen ech­te sama­na1 in hem, geen waar­ach­tig diep­gaan­de kwa­li­teit die in staat was hem ste­vig in de Nobe­le Weg te ves­ti­gen en ware vre­de te bie­den.

Dus besloot hij om te gaan beoe­fe­nen. Maar hij kon ner­gens naar toe gaan. Alle lera­ren om hem heen waren zijn leer­lin­gen, nie­mand durf­de hem te accep­te­ren. Meest­al, als men­sen hun leraar ont­moe­ten wor­den ze timi­de en eer­bie­dig, en dus durf­de nie­mand zijn leraar te wor­den.

Uit­ein­de­lijk ging hij naar een zeke­re jon­ge novi­ce, die ver­licht was, en vroeg om onder hem te mogen beoe­fe­nen. De novi­ce zei, “Ja, natuur­lijk kan je met mij beoe­fe­nen, maar alleen als je eer­lijk toe­ge­wijd bent. Als je niet eer­lijk toe­ge­wijd bent accep­teer ik je niet.” Tuc­cho Pothi­la beloof­de zich­zelf plech­tig de leer­ling van de novi­ce  te zul­len wor­den.

De novi­ce liet hem toen al zijn gewa­den aan trek­ken. Nu was er toe­val­lig een mod­de­rig moe­ras in de buurt. Toen Tuc­cho Pothi­la net­jes al zijn gewa­den aan had getrok­ken, er waren ook dure gewa­den bij, zei de novi­ce, “Okay, ren nu dat mod­de­rig moe­ras in. Als ik niet zeg dat je mag stop­pen, stop je niet. Als ik niet zeg dat je eruit mag komen, kom je er niet uit. Okay… Ren!”

Thuc­cho Pothi­la, net­jes gekleed als hij was, dook het moe­ras in. De novi­ce liet hem niet stop­pen tot­dat hij hele­maal onder de mod­der zat. Uit­ein­de­lijk zei hij, “Je kan nu stop­pen”… dus stop­te hij. “Okay, kom er maar uit!”… en dus kwam hij er uit.

Dit liet dui­de­lijk zien dat Tuc­cho Pothi­la zijn trots had opge­ge­ven. Hij was klaar om de leer te accep­te­ren. Als hij niet klaar was om te leren, was hij niet zo het moe­ras in gerend, een zo beroem­de leraar als hij was maar hij deed het. Nadat de jon­ge novi­ce dit had gezien, wist hij dat Tuc­cho Pothi­la oprecht vast­be­ra­den was om te beoe­fe­nen.

Toen Tuc­cho Pothi­la uit het moe­ras was geko­men, gaf de novi­ce hem de leer. Hij leer­de hem zijn zin­tuig­lij­ke objec­ten te obser­ve­ren, de mind te ken­nen en de zin­tuig­lij­ke objec­ten te ken­nen, gebruik makend van de ver­ge­lij­king van de man die pro­beert een hage­dis te van­gen die zich in een ter­mie­ten hoop ver­schuilt. Als de hoop zes gaten heeft, hoe kan hij de hage­dis dan van­gen? Hij zou vijf gaten af moe­ten slui­ten en er maar een open laten. Dan hoeft hij sim­pel­weg te kij­ken en wach­ten, dat gat bewa­kend. Wan­neer de hage­dis naar bui­ten rent kan hij hem van­gen.

De mind obser­ve­ren is net zo. Door het slui­ten van de ogen, oren, neus, tong en lichaam, hou­den we alleen nog de mind over. Het “slui­ten” van de zin­tui­gen bete­kent ze beteu­ge­len en kal­me­ren, alleen de mind obser­ve­rend. Medi­ta­tie is als het van­gen van de hage­dis. We gebrui­ken opmerk­zaam­heid (sati) om de adem­ha­ling op te mer­ken. Sati heeft de kwa­li­teit van her­in­ne­ring, zoals het jezelf vra­gen, “Wat ben ik aan het doen?” Sam­pa­ja­ñ­ña is de bewust­wor­ding dat “nu ben ik dit en dit aan het doen.” We obser­ve­ren de in- en uit­a­de­ming met sati en sam­pa­ja­ñ­ña.

(Sam­pa­ja­ñ­ña laat zich het bes­te ver­ta­len als het con­stan­te diep­gaan­de begrip van de ver­gan­ke­lijk­heid der din­gen)

Deze kwa­li­teit van her­in­ne­ring is iets dat voort­komt uit beoe­fe­ning, het is niet iets dat uit boe­ken geleerd kan wor­den. Ken de gevoe­lens die opko­men. De mind kan een tijd­je vrij inac­tief zijn en dan komt een gevoel op. Sati werkt samen met deze gevoe­lens, ze her­in­ne­rend. Er is sati, de her­in­ne­ring dat “Ik zal spre­ken, ”Ik zal gaan,” “Ik zal zit­ten” en zo voort, en dan is er sam­pa­ja­ñ­ña, de bewust­wor­ding dat “Nu loop ik,” “Nu lig ik,” “Ik ervaar zo en zo een stem­ming.” Met deze twee din­gen, sati en sam­pa­ja­ñ­ña, kun­nen we onze mind ken­nen in dit moment. We zul­len weten hoe de mind rea­geert op zin­tuig­lij­ke indruk­ken.

Dat wat zich bewust is van zin­tuig­lij­ke objec­ten noe­men we “mind.” Zin­tuig­lijk objec­ten “dwa­len naar” de mind. Bij­voor­beeld, er is een geluid, zoals de elek­tri­sche schaaf-machine hier. Het komt bin­nen door het oor en reist ver­der naar de mind, die erkent dat het het geluid van een elek­tri­sche schaaf­ma­chi­ne is. Dat wat het geluid erkent noe­men we “mind.”

Nu, deze mind die het geluid erkent is nog rede­lijk ele­men­tair. Het is alleen maar de gemid­del­de mind. Mis­schien ver­schijnt  irri­ta­tie  bin­nen deze mind die dat erkent. We moe­ten “dege­ne die erkent” ver­der trai­nen om “dege­ne die weet” in over­een­stem­ming met de waar­heid te wor­den – bekend als Bud­dho. Als we niet hel­der weten in over­een­stem­ming met de waar­heid, raken we geïr­ri­teerd aan gelui­den van men­sen, auto’s, elek­tri­sche schaaf­ma­chi­nes en zo voort. Dit is alleen maar de gewo­ne, onge­train­de mind, die geluid met irri­ta­tie erkent. Hij weet in over­een­stem­ming met zijn voor­keu­ren, niet in over­een­stem­ming met de waar­heid. We moe­ten het ver­der trai­nen om te weten met visie en inzicht, ñāna­das­sa­na3, de kracht van de ver­fijn­de mind, zo dat hij het geluid sim­pel­weg als geluid kent. Als we ons niet aan geluid vast­klam­pen is er geen irri­ta­tie. Het geluid komt op en we bemer­ken het sim­pel­weg. Dit noe­men we het wer­ke­lijk ken­nen van het opko­men van zin­tuig­lij­ke objec­ten. Als we Bud­dho ont­wik­ke­len, dui­de­lijk het geluid  als geluid rea­li­se­rend, dan irri­teert het ons niet. Het komt op in over­een­stem­ming met con­di­ties, het is geen wezen, geen indi­vi­du, geen zelf, geen “ons” of “zij.” Het is gewoon geluid. De mind laat los.

Dit weten noe­men we Bud­dho, het weten dat hel­der en door­drin­gend is. Met deze ken­nis kun­nen we het geluid sim­pel­weg geluid laten zijn. Het ver­stoort ons niet behal­ve als wij het ver­sto­ren door te den­ken, “Ik wil dat geluid niet horen, het is irri­tant.” De onbe­vre­di­gend­heid der din­gen door deze manier van den­ken. Pre­cies hier ligt de oor­zaak van de onbe­vre­di­gend­heid der din­gen, dat we de waar­heid van deze zaak niet ken­nen, we heb­ben Bud­dho nog niet ont­wik­keld. We zijn nog niet hel­der, nog niet wak­ker, nog niet bewust. Dit is de rau­we, onge­train­de mind. Deze mind is nog niet echt nut­tig voor ons.

Daar­om onder­wees de Boed­dha dat deze mind getraind en ont­wik­keld moet wor­den. We moe­ten de mind ont­wik­ke­len net als dat we het lichaam ont­wik­ke­len, maar we doen het op een ande­re manier. Om het lichaam te ont­wik­ke­len moe­ten we het bewe­gen, jog­gen in de och­tend en avond en zo voort. Dit is het trai­nen van het lichaam. Als gevolg wordt het lichaam leni­ger, ster­ker, het ademhalings- en zenuw­stel­sel wor­den effi­ci­ën­ter. Om de mind te trai­nen, hoe­ven we hem niet te bewe­gen, maar moe­ten we hem tot stop­pen bren­gen, hem tot rust bren­gen.

Bij­voor­beeld, als we medi­ta­tie beoe­fe­nen, nemen we een object, zoals de in- en uit­a­de­ming, als ons fun­da­ment. Dit wordt de focus van onze aan­dacht en reflec­tie. We bemer­ken de adem­ha­ling. De adem­ha­ling bemer­ken bete­kent de adem­ha­ling met bewust­wor­ding vol­gen, het rit­me bemer­ken, het komen en gaan. We rich­ten onze bewust­wor­ding op de adem, de natuur­lij­ke in- en uit­a­de­ming vol­gend en al het ande­re los latend. Als gevolg van het bij een object van bewust­wor­ding blij­ven, wordt onze mind ver­frist. Als we de mind hier­over en daar­over en over de ande­re din­gen laten naden­ken, zijn er veel objec­ten van bewust­wor­ding, de mind ver­e­nigt zich dan niet, hij komt niet tot rust.

Zeg­gen dat de mind stopt bete­kent dat het voelt als­of hij stopt, hij rent niet heen en weer. Het is als­of je een scherp mes hebt. Als we het mes gebrui­ken om zon­der onder­scheid din­gen te snij­den, zoals ste­nen, hout en gras, wordt ons mes snel bot. We zou­den het alleen moe­ten gebrui­ken om er din­gen mee te snij­den waar­voor het bedoeld is. Onze mind is het­zelf­de. Als we de mind ach­ter gedach­ten en gevoe­lens die geen ech­te waar­de voor ons heb­ben aan laten gaan, wordt de mind moe en zwak. Als de mind geen ener­gie heeft, zal  wijs­heid niet ver­schij­nen, want de mind zon­der ener­gie is de mind zon­der samā­dhi.

Als de mind niet is gestopt, kan je de zin­tuig­lijk objec­ten niet hel­der zien voor wat ze zijn. De ken­nis dat de mind de mind is en zin­tuig­lij­ke objec­ten maar zin­tuig­lij­ke objec­ten zijn, is de wor­tel waar­uit het Boed­dhis­me is gegroeid en ont­wik­keld. Dit is het hart van het Boed­dhis­me

We moe­ten deze mind cul­ti­ve­ren, ont­wik­ke­len, trai­nen in kalm­te en inzicht. We trai­nen de mind om  meer terug­hou­dend­heid en wijs­heid te heb­ben door de mind te laten stop­pen en wijs­heid  te laten ver­schij­nen, door de mind de ken­nen zoals hij is.

Weet je, de manier waar­op men­sen zijn, de manier waar­op ze din­gen doen, zijn ze net als klei­ne kin­de­ren. Een kind weet niks. Voor een vol­was­se­ne die het gedrag van een kind obser­veert, de manier waar­op het speelt en heen en weer springt, lij­ken de han­de­lin­gen niet echt een doel te heb­ben. Als onze mind niet getraind is, is hij als een kind. We spre­ken zon­der bewust­zijn en han­de­len zon­der wijs­heid. We kun­nen ons­zelf ruï­ne­ren of onnoe­me­lij­ke scha­de ver­oor­za­ken en het niet eens door heb­ben. Een kind is onwe­tend, het speelt zoals kin­de­ren dat doen. Onze onwe­ten­de mind is het­zelf­de.

We moe­ten onze mind dus trai­nen. De Boed­dha onder­wees de mind te trai­nen, de mind te onder­wij­zen. Zelfs als we het Boed­dhis­me onder­steu­nen met de vier rekwi­sie­ten, is onze steun alleen opper­vlak­kig, het bereikt alleen de “schors” of het “spint­hout” van de boom. De ech­te onder­steu­ning van het Boed­dhis­me moet wor­den gedaan door de beoe­fe­ning, ner­gens anders, onze han­de­lin­gen, spraak en gedach­ten trai­nend vol­gens de leer. Dit werpt veel meer vruch­ten af. Als we eer­lijk en oprecht zijn, wijs­heid en terug­hou­dend­heid bezit­ten, zal onze beoe­fe­ning voor­spoed bren­gen. Er zal geen reden zijn voor wrok en vij­an­dig­heid. Dit is hoe onze reli­gie ons onder­wijst.

Als we de voor­schrif­ten sim­pel­weg uit tra­di­tie trouw vol­gen, dan zal zelfs als de Mees­ter de waar­heid onder­wijst onze beoe­fe­ning tekort schie­ten. We kun­nen de lerin­gen mis­schien wel bestu­de­ren en her­ha­len, maar we moe­ten ze beoe­fe­nen als we ze echt wil­len begrij­pen. Als we de beoe­fe­ning niet ont­wik­ke­len kan dit zeker een obsta­kel vor­men voor het door­drin­gen tot het hart van het Boed­dhis­me, voor vele komen­de levens. We zul­len niet de essen­tie van de Boed­dhis­ti­sche reli­gie begrij­pen.

Daar­om is de beoe­fe­ning net als een sleu­tel, de sleu­tel van medi­ta­tie. Als we de juis­te sleu­tel in onze hand heb­ben, dan onge­acht hoe dicht het slot ook zit, wan­neer we de sleu­tel pak­ken en draai­en valt het slot open. Als we geen sleu­tel heb­ben kun­nen we het slot niet ope­nen. We zul­len nooit weten wat er in de kof­fer zit.

Eigen­lijk zijn er twee soor­ten ken­nis. Iemand die de Dham­ma kent praat niet sim­pel­weg van­uit het geheu­gen, hij spreekt de waar­heid. Wereld­se men­sen spre­ken meest­al met hoog­moed. Bij­voor­beeld, stel je twee men­sen voor die elkaar al een lan­ge tijd niet heb­ben gezien, mis­schien zijn ze voor een tijd naar ver­schil­len­de pro­vin­cies of lan­den ver­huisd, en dan, op een dag, ont­moe­ten ze elkaar in de trein… “Oh! Wat een ver­ras­sing. Ik zat net te den­ken dat ik eens bij je langs moest gaan!”… Eigen­lijk is dat niet waar. In wer­ke­lijk­heid heb­ben ze hele­maal niet aan elkaar gedacht, maar ze zeg­gen dat van­uit hun opwin­ding. En zo wordt het een leu­gen. Ja, het is lie­gen van­we­ge onacht­zaam­heid. Dit is lie­gen zon­der het te weten. Het is een sub­tie­le vorm van ver­ont­rei­ni­ging, en het gebeurt heel vaak.

Dus met betrek­king tot de mind, volg­de Tuc­cho Pothi­la de instruc­ties van de novi­ce: In-ademen, Uit-ademen… Opmerk­zaam bewust van elke adem­ha­ling… Tot­dat hij de leu­ge­naar in zich­zelf zag, het lie­gen van zijn eigen mind. Hij zag de ver­ont­rei­ni­gin­gen zoals ze opkwa­men, net als de hage­dis die uit de ter­mie­ten hoop komt. Hij zag ze en nam hun ware natuur waar zodra ze opkwa­men. Hij bemerk­te hoe de mind de ene minuut een ding beraam­de, en het vol­gen­de moment iets anders.

Den­ken is een sank­ha­ta dham­ma, iets dat gecre­ëerd of beraamd is door onder­steu­nen­de con­di­ties. Het is niet asank­ha­ta dham­ma, het onge­con­di­ti­o­neer­de. De goed getrain­de mind, een met per­fec­te bewust­wor­ding, beraamt geen men­ta­le toe­stan­den. Dit soort mind dringt door tot de Nobe­le Waar­he­den en trans­cen­deert elke behoef­te om van exter­ne din­gen afhan­ke­lijk te zijn. De Nobe­le Waar­he­den ken­nen is de waar­heid ken­nen. De asso­ci­ë­ren­de mind pro­beert deze waar­heid te mij­den, zeg­gend, “dat is goed” of “dit is mooi,” maar als er Bud­dho in de mind is, kan hij ons niet lan­ger mis­lei­den, want we ken­nen de mind zoals hij is. De mind kan niet lan­ger mis­lei­den­de men­ta­le toe­stan­den cre­ë­ren, want er is de hel­de­re bewust­wor­ding dat alle men­ta­le toe­stan­den insta­biel zijn, imper­fect, een bron van lij­den voor dege­ne die aan ze vast­klampt.

Waar hij ook heen ging, dege­ne die weet was con­stant aan­we­zig in Tuc­cho Pothila’s mind. Hij obser­veer­de de ver­schil­len­de cre­a­ties en asso­ci­a­ties van de mind met begrip. Hij zag hoe de mind op zo veel ver­schil­len­de manie­ren loog. Hij begreep de essen­tie van de beoe­fe­ning, zien­de dat “Deze lie­gen­de mind is dege­ne die in de gaten moet wor­den gehou­den – dit is dege­ne die ons naar extre­men van geluk en lij­den brengt en er voor zorgt dat we ein­de­loos rond draai­en in de cyclus van samsāra, met zijn ple­zier en pijn, goed en slecht – alle­maal van­we­ge deze ene.” Tuc­cho Pothi­la rea­li­seer­de de waar­heid, en begreep de essen­tie van de beoe­fe­ning, net als een man die de staart van een hage­dis grijpt. Hij zag de wer­king van de mis­lei­den­de mind.

Voor ons geldt het het­zelf­de. Alleen deze mind is belang­rijk. Daar­om zegt men deze mind te trai­nen. Maar als de mind de mind is, waar­mee gaan we hem dan trai­nen? Door con­ti­nu sati en sam­pa­ja­ñ­ña te heb­ben zul­len we in staat zijn de mind te ken­nen. Deze gene die weet is een stap ver­der dan de mind, het is dat wat de toe­stand van de mind kent. De mind is de mind. Dat wat de mind kent als een­vou­dig­weg de mind is dege­ne die weet. Het is boven de mind. Dege­ne die weet zit boven de mind en dat maakt hoe het in staat is voor de mind te zor­gen  de mind kan leren om te weten wat goed is en wat fout. Uit­ein­de­lijk komt het alle­maal neer op deze asso­ci­ë­ren­de mind. Als de mind ver­strikt raakt in zijn asso­ci­a­ties is er geen bewust­wor­ding en is de beoe­fe­ning vruch­te­loos.

We moe­ten deze mind dus trai­nen om de Dham­ma te horen, om Bud­dho te ont­wik­ke­len, de hel­de­re stra­len­de bewust­wor­ding, dat wat boven en ver­der dan de gewo­ne mind staat en alles weet wat zich erin afspeelt. Daar­om medi­te­ren we om het woord Bud­dho, zodat we de mind ach­ter de mind  kun­nen ken­nen. Gewoon alle bewe­gin­gen van de mind obser­ve­ren, of goed of slecht, tot­dat dege­ne die weet zich rea­li­seert dat de mind sim­pel­weg de mind is, niet een zelf of een per­soon. Dit noe­men we cit­tānu­pas­sanā, de con­tem­pla­tie  van de mind4. Als we op deze manier kij­ken, zul­len we begrij­pen dat de mind ver­gan­ke­lijk, imper­fect en zon­der eige­naar is. Deze mind behoort ons niet toe.

We kun­nen het zo samen­vat­ten: De mind is dat wat zin­tuig­lij­ke objec­ten erkent; zin­tuig­lij­ke objec­ten zijn zin­tuig­lij­ke objec­ten zich onder­schei­dend van de mind; ‘dege­ne die weet’ kent zowel de mind als de zin­tuig­lij­ke objec­ten voor wat ze zijn. We moe­ten sati gebrui­ken om de mind con­stant te zui­ve­ren. Ieder­een heeft sati, zelfs een kat heeft het als hij op het punt staat een muis te van­gen. Een hond heeft het als hij tegen men­sen blaft. Dit is een vorm van sati, maar het is niet sati vol­gens de Dham­ma. Ieder­een heeft sati, maar er zijn ver­schil­len­de niveaus van, net als dat er ver­schil­len­de niveaus van naar din­gen kij­ken zijn. Zoals wan­neer ik zeg om het lichaam te con­tem­ple­ren, zeg­gen som­mi­ge men­sen, “Wat is er in het lichaam om te over­pein­zen? Ieder­een kan het zien. Kesā kun­nen we al zien, lomā kun­nen we al zien… haar, nagels, tan­den en huid kun­nen we al zien. En dan?

Dit is hoe men­sen zijn. Ze kun­nen het lichaam wel zien, maar hun zien is fou­tief, ze zien niet met Bud­dho, dege­ne die weet, de ont­waak­te. Ze zien het lichaam alleen op de gewo­ne manier, ze zien het visu­eel. Het lichaam gewoon zien is niet genoeg. Als we het lichaam alleen maar zien, zit­ten we in de pro­ble­men. Je moet het lichaam in het lichaam zien, dan wor­den de din­gen een stuk hel­der­der. Als je alleen het  lichaam gewoon ziet, wordt je erdoor in de maling geno­men, gechar­meerd door zijn ver­schij­ning. Door het niet zien van ver­gan­ke­lijk­heid, imper­fec­tie en eige­naar­loos­heid, ver­schijnt  kāma­chan­da5. Je raakt gefas­ci­neerd door vor­men, gelui­den, geu­ren, sma­ken en gevoe­lens. Op deze manier zien is zien met het wereld­se oog van vlees, de oor­zaak voor hou­den van en haten en dis­cri­mi­ne­ren in ple­zie­rig en onple­zie­rig.

De Boed­dha onder­wees dat dit niet genoeg is. Je moet met het “oog van de mind” zien. Het lichaam in het lichaam zien. Als je daad­wer­ke­lijk in het lichaam kijkt… Bah! Het is zo weer­zin­wek­kend. De din­gen van van­daag en de din­gen van gis­te­ren zijn daar­bin­nen alle­maal met elkaar ver­mengd, je kan niet zeg­gen wat wat is. Op deze manier zien is veel hel­der­der dan zien met het vle­se­lij­ke oog. Con­tem­pleer, zie met het oog van de mind, met het oog van wijs­heid.

Het begrip van men­sen ver­schilt op deze manier. Som­mi­ge men­sen weten niet wat er te con­tem­ple­ren valt in de vijf medi­ta­ties, hoofd haar, lichaams haar, nagels, tan­den en huid. Ze zeg­gen dat ze al die din­gen al kun­nen zien, maar ze kun­nen ze alleen maar zien met het vle­se­lij­ke oog, met dit “gestoor­de oog” dat alleen naar din­gen kijkt die het wil zien. Om het lichaam in het lichaam te zien moet je op een veel hel­der­de­re manier kij­ken dan dat.

Dit is de beoe­fe­ning die het vast­klam­pen aan de vijf khandas6 kan ont­wor­te­len. Gehecht­heid ont­wor­te­len is lij­den ont­wor­te­len, want hech­ten aan de vijf khandas is de oor­zaak van het lij­den. Als lij­den opkomt, is dat hier, bij het hech­ten aan de vijf khandas. Het is niet dat de vijf khandas in zich­zelf lij­den zijn, maar het vast­klam­pen aan ze als dat je hun eige­naar bent … dat is lij­den.

Als je de waar­heid van deze din­gen hel­der ziet door de beoe­fe­ning van medi­ta­tie, wordt lij­den los gewon­den, zoals een schroef of een bout. Als een bout los gewon­den wordt trekt hij zich terug. De mind wind zich op dezelf­de manier los, los­la­tend, zich terug­trek­kend van de obses­sie met goed en slecht, bezit­tin­gen, lof en sta­tus, geluk en lij­den.

Als we de waar­heid van deze din­gen niet ken­nen is het als het con­ti­nu vas­ter draai­en van de schroef. Het gaat strak­ker en strak­ker zit­ten tot­dat het je ver­plet­tert en je door van alles lijdt. Wan­neer je weet hoe de din­gen zijn dan wind je de schroef los. In Dham­ma taal noe­men we dit het ver­schij­nen van nib­bidā, het ver­bre­ken van de beto­ve­ring. Je wordt moe van din­gen en legt de fas­ci­na­tie ermee naast je neer. Als je op deze manier los windt zul je vre­de vin­den.

De oor­zaak van lij­den is het aan din­gen vast­klam­pen. We zou­den dus van de oor­zaak af moe­ten komen, de wor­tel ervan afsnij­den en het niet nog eens lij­den laten ver­oor­za­ken. Men­sen heb­ben maar een pro­bleem – het pro­bleem van vast­klam­pen. Alleen van­we­ge dit ene ding ver­moor­den men­sen elkaar. Alle pro­ble­men, of ze nou indi­vi­du­eel zijn, fami­li­air of maat­schap­pe­lijk, komen van­uit deze ene wor­tel. Nie­mand wint… Ze ver­moor­den elkaar maar uit­ein­de­lijk krijgt nie­mand iets. Ik snap niet waar­om men­sen elkaar zo zin­loos blij­ven ver­moor­den.

Macht, bezit­tin­gen, sta­tus, lof, geluk en lij­den… Dat zijn de wereld­se dham­mas. Deze wereld­se dham­mas ver­zwel­gen wereld­se wezens. Wereld­se wezens wor­den rond geleid door de wereld­se dham­mas: winst en ver­lies, bij­val en las­ter, sta­tus en ver­lies van sta­tus, geluk en lij­den. Deze dham­mas zijn onrust­sto­kers, als je niet over hun ware natuur reflec­teert zul je lij­den. Men­sen ple­gen zelfs moord ter wil­le van rijk­dom, sta­tus en macht. Waar­om? Omdat ze deze din­gen te seri­eus nemen. Ze wor­den op een posi­tie benoemd en dat stijgt ze naar hun hoofd, zoals de man die dorps-hoofd werd. Na zijn benoe­ming raak­te hij “machts-dronken”. Als een van zijn oude vrien­den hem kwam opzoe­ken zij hij, “Kom niet zo vaak langs. De din­gen zijn niet meer het­zelf­de.”

De Boed­dha onder­wees de ware natuur van bezit­tin­gen, sta­tus, lof en geluk te begrij­pen. Neem deze din­gen als ze komen maar laat ze voor wat ze zijn. Laat het niet in je hoofd stij­gen. Als je deze din­gen niet echt begrijpt wordt je voor de gek gehou­den door je macht, je kin­de­ren en je fami­lie­le­den… door alles! Als je ze hel­der begrijpt weet je dat het alle­maal ver­gan­ke­lij­ke con­di­ties zijn. Als je aan ze vast­klampt, raken ze ver­ont­rei­nigd.

Al deze din­gen komen later op. Wan­neer men­sen net gebo­ren zijn is er sim­pel­weg nāma en rūpa, dat is alles. We voe­gen daar later zaken als “Dhr. Bak­ker,” “Mevr. Smit” of wat dan ook aan toe. Dit wordt vol­gens con­ven­ties gedaan. Nog later komen daar toe­voeg­sels aan toe zoals “Kolo­nel”, “Gene­raal” en zo voort. Als we deze din­gen niet wer­ke­lijk begrij­pen den­ken we dat ze echt zijn en dra­gen we ze met ons mee. We dra­gen bezit­tin­gen, sta­tus, naam en rang met ons mee. Als je macht hebt kan je de toon bepa­len…. “Neem deze mee en exe­cu­teer hem. Neem die daar maar en gooi hem in de gevan­ge­nis”… Rang geeft macht. Dit woord “rang” hier is waar vast­klam­pen plaats vindt. Zodra men­sen een rang krij­gen begin­nen ze opdrach­ten te geven; juist of onjuist, ze han­de­len gewoon vol­gens hun stem­min­gen. Ze blij­ven dus door­gaan met dezelf­de fou­ten maken, ver­der en ver­der afwij­kend van het ware pad.

Iemand die de Dham­ma begrijpt zal zich niet zo gedra­gen. Goed en slecht zijn al aan­we­zig sinds wie weet hoe lang in de wereld… Als bezit­tin­gen en sta­tus je kant op komen, laat ze dan sim­pel­weg bezit­tin­gen en sta­tus zijn, laat ze niet je iden­ti­teit wor­den. Gebruik ze gewoon om je ver­plich­tin­gen te ver­vul­len en laat het daar­bij. Je blijft onver­an­derd. Als we op deze din­gen geme­di­teerd heb­ben, dan onge­acht wat op onze weg komt, we zul­len er niet door voor de gek gehou­den wor­den. We zul­len onbe­zorgd, onaan­ge­tast, con­stant zijn. Alles is ach­ter­af per slot van reke­ning vrij­wel het­zelf­de.

Dit is hoe de Boed­dha wil­de dat wij din­gen begre­pen Onge­acht wat je krijgt, de mind voegt er niks aan toe. Ze benoe­men je tot staats­hoofd… “Okay, dus ik ben een staats­hoofd… maar ik ben dat niet.” Ze benoe­men je tot hoofd van een groep… “Natuur­lijk ben ik dat, maar ik ben dat niet.” Wat ze ook van je maken… “Ja dat ben ik, maar ik ben dat niet!” Wat zijn wij uit­ein­de­lijk eigen­lijk? Uit­ein­de­lijk ster­ven we alle­maal gewoon. Onge­acht wat ze van je maken, uit­ein­de­lijk is het alle­maal het­zelf­de. Wat kan je zeg­gen? Als je din­gen op deze manier kunt zien zal je een soli­de ver­blijf­plaats en ware tevre­den­heid heb­ben. Niets is ver­an­derd.

Dit is niet voor de gek gehou­den wor­den door din­gen. Wat er ook op je weg komt, het zijn maar con­di­ties. Er is niets dat een der­ge­lij­ke mind kan ver­lei­den tot cre­ë­ren of asso­ci­ë­ren, hem kan ver­lok­ken tot heb­be­rig­heid, afkeer of onwe­tend­heid.

Dit is nu een ware aan­han­ger van het Boed­dhis­me zijn. Of je nou bij hen die gesteund wor­den (i.e. de Sang­ha) of bij hen die steun bie­den (de leken­vol­ge­lin­gen) hoort, als­je­blieft over­weeg dit gron­dig. Cul­ti­veer de sīla-dhamma7 in jezelf. Dit is de zeker­ste manier om het Boed­dhis­me te steu­nen. Het Boed­dhis­me steu­nen met offer­ga­ven van voed­sel, onder­dak en medi­cij­nen is ook goed, maar zul­ke offer­ga­ven berei­ken alleen het “spint­hout” van het Boed­dhis­me. Als­je­blieft ver­geet dit niet. Een boom heeft schors, spint­hout en kern­hout en deze drie onder­de­len zijn onder­ling afhan­ke­lijk. Het kern­hout moet ver­trou­wen op de schors en het spint­hout. Het spint­hout ver­trouwd op de schors en het kern­hout. Ze bestaan alle­maal in onder­lin­ge afhan­ke­lijk­heid van elkaar, net als de leer van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid8. Mora­li­teit is het ves­ti­gen van de spraak en han­de­lin­gen in recht­scha­pen­heid. Con­cen­tra­tie is het ste­vig fixe­ren van de mind. Wijs­heid is het gron­dig begrij­pen van de natuur van alle con­di­ties. Bestu­deer dit, beoe­fen dit, en je zult het Boed­dhis­me op de meest diep­gaan­de manier begrij­pen.

Als je deze din­gen niet beseft zal je voor de gek wor­den gehou­den door bezit­tin­gen, voor de gek wor­den gehou­den door rang, voor de gek wor­den gehou­den door alles waar je mee in con­tact komt. Sim­pel­weg het Boed­dhis­me steu­nen op de exter­ne manier zal nooit een ein­de maken aan het vech­ten, gekib­bel, de wrok en vij­an­dig­heid, het ste­ken en schie­ten. Als deze din­gen tot een ein­de moe­ten komen moe­ten we over de natuur van bezit­tin­gen, rang, lof, geluk en lij­den reflec­te­ren. We moe­ten onze levens beschou­wen en ze op een lijn bren­gen met de leer. We moe­ten beden­ken dat alle wezens in de wereld onder­deel zijn van een geheel. We zijn net als zij, zij zijn net als ons. Zij erva­ren geluk en lij­den net als wij dat doen. Het is alle­maal het­zelf­de. Als we op deze manier reflec­te­ren, zal vre­de en begrip ver­schij­nen. Dit is het fun­da­ment van het Boed­dhis­me.


1…samana: Iemand die zijn leven heeft gewijd aan reli­gi­eu­ze beoe­fe­ning. De term wordt ook gebruikt om aan iemand te refe­re­ren die een zeke­re hoe­veel­heid deugd­zaam­heid door zul­ke beoe­fe­nin­gen heeft ver­wor­ven. Ajahn Chah ver­taalt de term meest­al als “iemand die vre­dig is”

2…ñānadassana: Let­ter­lijk: ken­nis en inzicht (in de Vier Nobe­le Waar­he­den)

3… Mind: Een van de vier fun­da­men­ten van opmerk­zaam­heid: lichaam, gevoe­lens, mind, en dham­mas.

4…kāmachanda: Kāma­chan­da: Zin­tuig­lijk ver­lan­gen, een van de vijf hin­der­nis­sen. De ande­ren zijn kwa­de wil, traag­heid en moe­heid, onrust en pie­ke­ren, en twij­fel

5…khandhas: De vijf khandas, of “aggre­ga­ten”: vorm, gevoel, per­cep­tie, for­ma­ties, en bewust­zijn.

6…sīla-dhamma: De beoe­fe­ning van mora­li­teit

 

 

Schrijf je in voor nieuws en updates!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak (het kost geen geld, wel eigen inspanning).

Is de stap naar meditatie nog te groot? Kom dan bijvoorbeeld langs voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven? Waar staat spanning op de boog?