Fei­te­lijk leven wij in Neder­land van­daag de dag in een tijd van onge­ë­ve­naar­de mate­ri­ë­le wel­vaart, rela­tie­ve wereld­vre­de (nog nooit is er zo wei­nig oor­log geweest als van­daag), vei­lig­heid, vrij­heid van menings­ui­ting, keu­ze­vrij­heid ten aan­zien van reli­gie, spi­ri­tu­a­li­teit, sek­su­a­li­teit, en toe­gang tot onder­wijs en zorg, om maar wat te noe­men.

En toch… Kijk in je eigen omge­ving en je ziet heb­zucht, onge­duld, jaloe­zie, boos­heid en huf­te­rig gedrag. Kijk een keer­tje naar het jour­naal en je ziet wereld­wij­de armoe­de, geweld, mis­bruik en cor­rup­tie.

We zit­ten met z’n allen wel dege­lijk diep in de pro­ble­men.

Op zich is dit niets nieuws. Denk maar eens aan de afge­lo­pen tien, hon­derd of dui­zend jaar en noem een tijd waar­in het wel goed was. Die zul je niet kun­nen vin­den.

Het is ook niet enkel iets van enkel onze Wes­ter­se maat­schap­pij. Of je nou in het noor­den, oos­ten, zui­den of wes­ten kijkt, naar Neder­land, Thai­land, Myan­mar, Tibet of India, het maakt niet uit.

Dat is niet gek, want de oor­zaak voor alle pro­ble­men is terug te vin­den in onze eigen mind.

Daar­om zijn de lerin­gen van de Boed­dha over de mind voor de heden­daag­se Neder­lan­der nog net zo actu­eel als dat zij 2500 jaar gele­den in het oude India waren!

De Boed­dha vond de oor­zaak voor het per­soon­lij­ke lij­den in drie onheil­za­me men­ta­le kwa­li­tei­ten die diep in onze mind gewor­teld zit­ten: ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid.

Deze drie onheil­za­me wor­tels weten zich op aller­lei manie­ren te mani­fes­te­ren. Ze staan aan de basis van een veel­voud aan nega­tie­ve men­ta­le fac­to­ren zoals heb­be­rig­heid, jaloe­zie, boos­heid en arro­gan­tie.

Het zal niet ver­ba­zen dat een onheil­za­me mind tot onheil­zaam spre­ken en han­de­len leidt, en dat dit voor lij­den zorgt, zoals de Boed­dha zegt (Dham­ma­pa­da vers 1):

Mind is de voor­gan­ger van alle din­gen. Mind is de lei­der; ze zijn door de mind gemaakt. Als iemand met een onzui­ve­re mind spreekt of han­delt, volgt lij­den hem, als het wiel de hoef van de os.

Omdat de mind uit­ein­de­lijk aan de basis staat van ons spre­ken en han­de­len ver­sprei­den de drie wor­tels van ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid zich van­uit het per­soon­lij­ke naar de maat­schap­pij als geheel.

Wil­len we wat aan de pro­ble­men in de wereld doen dan zul­len we eerst goed moe­ten kij­ken hoe diep deze wor­tels in ons­zelf ver­an­kerd zit­ten.

Pas als we zicht heb­ben op de diep­te en reik­wijd­te van de pro­ble­men in ons­zelf kun­nen we de juis­te inspan­ning leve­ren om ons­zelf te trans­for­me­ren.

Dat is niet mak­ke­lijk. Dat is con­fron­te­rend.

Geluk­kig wees de Boed­dha ons de weg. De Dham­ma geeft de reme­die met haar gra­du­e­le ont­wik­ke­ling van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Met more­le gedrags­re­gels gesteund door mind­ful­ness bescherm je jezelf en de wereld voor je den­ken, spraak en gedrag dat voort­komt uit de onheil­za­me wor­tels. Dit is de tij­de­lij­ke oplos­sing.

Met mora­li­teit en mind­ful­ness als basis kun je con­cen­tra­tie ont­wik­ke­len.

Met con­cen­tra­tie onder­druk je de wor­tels steeds ver­der en steeds lan­ger. Je gaat met name ver­lan­gen en haat direct tegen. De wor­tels wor­den mid­dels con­cen­tra­tie ern­stig ver­zwakt maar kun­nen in prin­ci­pe nog wel grip op je krij­gen.

Met con­cen­tra­tie als voor­waar­de ont­staat er ruim­te voor direct inzicht.

Dit direc­te inzicht is in essen­tie zien dat alles ver­an­der­lijk en ver­gan­ke­lijk is. Als je de wer­ke­lijk­heid direct, uit eigen erva­ring ziet, ver­nie­tig je ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid in de kern, voor eens en altijd.

Zo wordt je tot een bron van vre­de en geluk voor de wereld.

In deze tekst zul­len we die­per bij boven­staan­de stil staan. Het is een lan­ge tekst, dat weten we, maar een onder­werp als dit ver­dient de nodi­ge aan­dacht en her­ha­ling.

Inhoud

Spirituele armoede

Mora­li­teit, geduld, ener­gie, lief­de, com­pas­sie, tevre­den­heid, con­cen­tra­tie en wijs­heid, het begint alle­maal bij jezelf, bij je eigen mind.

Tegen­woor­dig heb je rela­tief mak­ke­lijk toe­gang tot aller­lei medi­ta­tie sys­te­men, yoga, mind­ful­ness, etc. om deze kwa­li­tei­ten te ont­wik­ke­len.

Waar je 100 jaar gele­den weken moest rei­zen om in aan­ra­king te kun­nen komen met boed­dhis­ti­sche medi­ta­tie goog­le je nu of er niet iets in je eigen stad is, liefst om de hoek.

Toch is er maar wei­nig echt diep­gaan­de inte­res­se in het ont­wik­ke­len van de eigen mind om zelf een beter mens te wor­den.

Ahba zegt dat het gebrek aan inte­res­se in Neder­land komt door onze mate­ri­ë­le wel­vaart. In Neder­land ervaar je te wei­nig pro­ble­men, te wei­nig nadruk­ke­lijk lij­den.

Als het een keer niet goed gaat krijg je al snel hulp van bui­ten­af. Je voelt hier­door veel min­der urgen­tie om met jezelf aan de slag te gaan.

Het gebrek aan een gevoel van urgen­tie is een van de aspec­ten van spi­ri­tu­e­le armoe­de. Een ander pro­bleem is de zeer mati­ge kwa­li­teit van medi­ta­tie lera­ren.

Er zijn geen kwa­li­teits­ei­sen voor de titel ‘medi­ta­tie leraar’. Je kunt het gewoon van­daag nog over jezelf bewe­ren, op soci­al media, je web­si­te of je blog.

Wil je het iets ‘offi­ci­ë­ler’ aan­pak­ken dan volg je gewoon een betaal­de cur­sus tot medi­ta­tie leraar (of yoga instruc­teur) ergens in de buurt en voilà.

Dat dit niets zegt over je men­ta­le kwa­li­tei­ten en beper­kin­gen, over je stap­pen in de ont­wik­ke­ling van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid, over je ech­te eigen inzich­ten in tegen­stel­ling tot boe­ken­wijs­heid of over je ver­mo­gen om de Dham­ma over te bren­gen, dat ver­ge­ten we maar even.

Het com­mer­ci­a­li­se­ren van medi­te­ren (en mind­ful­ness) draagt bij aan de spi­ri­tu­e­le armoe­de in ons land en de wereld.

Medi­te­ren en de Dham­ma horen geen geld te kos­ten, maar vrij toe­gan­ke­lijk te zijn voor een ieder die er inte­res­se in heeft.

Ahba schudt zijn hoofd als het om lera­ren in Neder­land gaat. De mees­ten heb­ben gewoon­weg niet de nodi­ge con­cen­tra­tie om echt als leraar te kun­nen func­ti­o­ne­ren. Ze glim­la­chen en gebrui­ken mooie woor­den, maar ze heb­ben geen idee!

Een mati­ge leraar is ook niet zo onschul­dig als het lijkt.

De leraar is als een trein, zegt Ahba, en de leer­lin­gen als pas­sa­giers. Als de trein de ver­keer­de kant op gaat dan vol­gen alle pas­sa­giers onher­roe­pe­lijk!

Een mati­ge leraar loopt te allen tij­de het risi­co niets meer dan zijn eigen beper­kin­gen over te dra­gen.

Toch is ook boven­staan­de niet enkel van onze tijd. In bij­voor­beeld de 15de-eeuw­se Tibe­t­aan­se tekst Refi­ned Gold van Pema Ling­pa kun je lezen hoe er in het oude Tibet al nep lera­ren waren die zich meer richt­ten op aan­zien dan bevrij­ding.

En in onze geschie­de­nis van het Boed­dhis­me kun je lezen dat er al snel na het over­lij­den van de Boed­dha more­le cor­rup­tie onder beoe­fe­na­ren ont­stond die hier­aan ten grond­slag ligt.

Alleen de ander

Een ander pro­bleem is de hoog­moed onder men­sen die zich wel op het pad van medi­ta­tie of yoga heb­ben bege­ven.

Je doet bij­voor­beeld al een tijd­je aan yoga of medi­ta­tie en bent lief­de­vol naar ieder­een die dat ver­dient.

Je glim­lacht veel, gebruikt veel­vul­dig woor­den als mind­ful­ness, lief­de en com­pas­sie, en geeft ieder­een con­ti­nu een ‘bles­sing’ op soci­al media, het liefst gevolgd door ‘namas­te’.

De rest van de mens­heid is gewoon niet goed bezig en ver­keert in een slaap­toe­stand. Alleen dom­me, niet ver­lich­te wezens die niet spi­ri­tu­eel zijn gedra­gen zich immers onheil­zaam!

Jij bent ‘wak­ker’, vind je.

Kijk dan nog maar eens goed. Kom uit je bub­bel, uit je roze wolk en kijk eens wat die­per.

Als je diep genoeg kijkt zie je dat de oor­zaak voor de pro­ble­men in de wereld net zo goed nog steeds in jezelf zit als in de ander.

De oor­zaak zit heel diep in de mind gewor­teld.

Den­ken dat jezelf beter, ver­he­ve­ner, wak­ker­der of wat dan ook bent is voor bij­na ieder­een van ons niets meer dan mis­plaatste arro­gan­tie waar­mee we ons zelf in slaap zus­sen.

Wees waak­zaam voor de gedach­te ‘ik ben heel goed bezig, de ander moet gewoon nog veel leren’. Het is niets meer dan de vol­gen­de mani­fes­ta­tie van de onheil­za­me wor­tels.

Als je de wereld een beet­je beter wilt maken dan zal je toch echt bij jezelf moe­ten begin­nen!

Bhik­khu Bodhi schrijft heel mooi in zijn Mes­sa­ge for a Glo­ba­li­zed World:

De meest waar­de­vol­le bij­dra­ge die de leer van de Boed­dha geeft om ons te hel­pen de gro­te dilemma’s die wij van­daag de dag zien op te los­sen is twee­vou­dig: ten eer­ste, haar onbuig­za­me rea­lis­ti­sche ana­ly­se van de psy­cho­lo­gi­sche bron­nen van het men­se­lij­ke lij­den, en ten twee­de, de ethi­sche ver­hef­fen­de dis­ci­pli­ne die ze voor­stelt als oplos­sing.

De Boed­dha legt uit dat de ver­bor­gen bron­nen van het men­se­lij­ke lij­den, zowel in de per­soon­lij­ke als soci­a­le dimen­sie van ons leven, bestaan uit drie men­ta­le fac­to­ren die de onheil­za­me wor­tels wor­den genoemd.

Deze drie wor­tels – die gezien kun­nen wor­den als de drie tan­den van het ego-bewustzijn – zijn ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid.

Het doel van het boed­dhis­ti­sche spi­ri­tu­e­le pad is deze drie kwa­de wor­tels lang­zaam maar zeker te tem­pe­ren door het cul­ti­ve­ren van men­ta­le fac­to­ren die er in direc­te tegen­stel­ling aan zijn.

Dit zijn de drie heil­za­me wor­tels, name­lijk: niet-verlangen, wat tot uit­druk­king komt in vrij­ge­vig­heid, ont­hech­ting en tevre­den­heid; niet-haat, wat zich mani­fes­teert als liefde-vriendelijkheid, com­pas­sie, geduld en ver­ge­vings­ge­zind­heid; en niet-onwetendheid, wat opkomt als wijs­heid, inzicht en begrip. …

… Zo lang we door­gaan met niet bezig wil­len zijn met het naar bin­nen rich­ten van de aan­dacht naar het begrij­pen van, en mees­ter wor­den over, onze eigen mind, zul­len onze indruk­wek­ken­de pres­ta­ties in de exter­ne wereld niet hun pas­sen­de vruch­ten afwer­pen.

Ter­wijl zij op een bepaald niveau voor een vei­li­ger en com­for­ta­be­ler leven zor­gen, bren­gen zij ondanks onze bes­te inten­ties op een ander niveau in toe­ne­men­de hevig­heid en gevaar ver­der­fe­lij­ke con­se­quen­ties met zich mee.

Als de mens­heid in dit tijd­perk van glo­ba­li­se­ring wil flo­re­ren en geluk­kig en vre­dig op deze klei­ner wor­den­de pla­neet wil samen­le­ven, is de onont­koom­ba­re uit­da­ging waar wij mee wor­den gecon­fron­teerd het leren begrij­pen en trans­for­me­ren van ons­zelf.

Het is hier waar de leer van de Boed­dha voor­al van pas komt, zelfs voor die­ge­nen die niet bereid zijn om de gehe­le omvang van het boed­dhis­ti­sche reli­gi­eu­ze geloof en de filo­so­fie te omar­men.

In haar dia­gno­se van ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid als onder­lig­gen­de oor­zaak voor het men­se­lijk lij­den, maakt de Boeddha-Dhamma het voor ons moge­lijk de ver­bor­gen wor­tels van onze nete­li­ge indi­vi­du­e­le en maat­schap­pe­lij­ke posi­tie te zien.

Door het defi­ni­ë­ren van een prak­tisch pad van beoe­fe­ning dat helpt om dat­ge­ne dat scha­de­lijk is te ver­wij­de­ren en dat­ge­ne dat bevor­der­lijk is te laten groei­en, biedt de Leer ons een effec­tief mid­del tegen de pro­ble­men in de wereld op die ene plek waar ze voor ons allen toe­gan­ke­lijk zijn: in onze eigen mind.

Omdat het de last en ver­ant­woor­de­lijk­heid voor onze ver­los­sing bij ons­zelf legt zal de leer van de Boed­dha onver­mij­de­lijk een bit­ter rand­je heb­ben. Maar door het geven van een acu­te dia­gno­se van onze ziek­te en een nauw­keu­rig pad naar bevrij­ding geeft het ons in dit tijd­perk van glo­ba­li­se­ring ook een ver­hef­fen­de bood­schap van hoop.

Verlangen en Zintuiglijk Plezier als Oorzaak

Uit­ein­de­lijk begint het alle­maal bij zien waar de pro­ble­men zit­ten. Ahba legt de nadruk voor­al op ver­lan­gen.

Ver­lan­gen is de oor­zaak voor het lij­den, zegt hij. Lij­den over­komt je niet, je maakt het door ver­lan­gen.

Ver­lan­gen is als het ware de oor­zaak voor haat. Dit kan bij­voor­beeld in de vorm van afkeer, het ver­lan­gen iets niet te wil­len, maar ook sim­pel­weg als je boos wordt omdat je niet krijgt wat je wil.

Ver­lan­gen staat zoals we eer­der heb­ben genoemd niet alleen aan de bron van het eigen lij­den maar is ook een con­di­tie voor de pro­ble­men in de wereld.

De Boed­dha zelf zegt bij­voor­beeld in de mahā­nidā­na sut­ta, de gro­te lering over cau­saal ver­band (DN 15):

… als gevolg van ver­lan­gen is er stre­ven; als gevolg van stre­ven is er winst; als gevolg van winst zijn er keu­zes; als gevolg van keu­zes is er begeer­te en lust; als gevolg van begeer­te en lust is er gehecht­heid; als gevolg van gehecht­heid is er heb­zucht; als gevolg van heb­zucht is er gie­rig­heid; als gevolg van gie­rig­heid is er bescher­mings­drang; als gevolg van bescher­mings­drang ont­staan diver­se kwa­de onheil­zaam feno­me­nen – het oppak­ken van stok­ken en wapens, con­flic­ten, ruzies en geschil­len, bele­di­gen­de taal, rod­dels en leu­gens. …”

Een van de groot­ste ver­lan­gens die wij heb­ben is het ver­lan­gen naar zin­tuig­lijk ple­zier. De con­ti­nue hun­ke­ring naar aan­ge­na­me indruk­ken en gevoe­lens, de wens naar bevre­di­ging van de zin­tui­gen.

In de Maha-dukkhakhanda sut­ta, de gro­te lering over het lij­den (MN 13) legt de Boed­dha uit hoe het niet inzien van de geva­ren van zin­tui­ge­lijk ple­zier, en in essen­tie dus van ver­lan­gen, aan­lei­ding geven tot veel leed:

… En wat, mon­ni­ken, is de bevre­di­ging in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier? Mon­ni­ken, er zijn vijf sna­ren van zin­tuig­lijk ple­zier. Wat zijn de vijf? Vor­men waar­ge­no­men door het oog waar een wens naar is, ver­lan­gen naar is, aan­ge­naam, aar­dig, ver­bon­den met zin­tui­ge­lijk ver­lan­gen, een aan­lei­ding tot lust. Gelui­den waar­ge­no­men door het oor… Geu­ren waar­ge­no­men door de neus… Sma­ken waar­ge­no­men door de tong… Tast­baar­he­den waar­ge­no­men door het lichaam waar eens wens naar is, ver­lan­gen naar is, aan­ge­naam, aar­dig, ver­bon­den met zin­tuig­lijk ver­lan­gen, een aan­lei­ding tot lust. Dit zijn de vijf sna­ren van zin­tuig­lijk ple­zier. Het ple­zier en de vreug­de die opkomt afhan­ke­lijk van deze vijf sna­ren van zin­tuig­lijk ver­la­gen is de bevre­di­ging in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier.

En wat, mon­ni­ken, is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier? Hier, mon­ni­ken, van­we­ge de ambacht waar­mee een dor­pe­ling zich in levens­on­der­houd voor­ziet – of het nou con­tro­le­ren of boek­hou­den of reke­nen of land­bouw of han­del of vee­teelt of boog­schie­ten of dienst­ver­le­ning, of wel­ke ambacht dan ook is  – hij moet kou trot­se­ren, hit­te trot­se­ren, hij raakt gewond door con­tact met hor­zels, mug­gen, wind, zon, en krui­pen­de din­gen; hij ris­keert dood en hon­ger en dorst. Dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak, zin­tuig­lijk ple­zier als bron, zin­tuig­lijk ple­zier als basis, de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Als geen eigen­dom het dor­pe­ling toe­komt ter­wijl hij werkt en streeft en zich zoda­nig inspant, is hij bedroefd, ver­drie­tig, klaagt hij, weent, zijn borst in wan­hoop slaand, schreeu­wend: ‘Mijn werk is voor niets, mijn inspan­ning zin­loos!’ Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Als eigen­dom het dor­pe­ling toe­komt ter­wijl hij werkt en streeft en zich zoda­nig inspant, ervaart hij pijn en zor­gen bij het bescher­men ervan: ‘Hoe kan ik er voor zor­gen dat noch konin­gen noch die­ven mijn eigen­dom afpak­ken, noch vuur het ver­brandt, noch water het weg­voert, noch hate­lij­ke erf­ge­na­men er mee van­door gaan?’ En ter­wijl hij zijn eigen­doom beschermt en bewaakt, pak­ken konin­gen en die­ven het af, raakt het ver­brandt door vuur, weg­ge­voerd met water, en hate­lij­ke erf­ge­na­men gaan ermee van­door. En hij is bedroefd, ver­drie­tig, hij klaagt, weent, zijn borst in wan­hoop slaand, schreeu­wend: ‘Wat ik had heb ik niet meer!’ Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Ver­der, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak, zin­tuig­lijk ple­zier als bron, zin­tuig­lijk ple­zier als basis, met als oor­zaak sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier, ruzi­ën konin­gen met konin­gen, adel met adel, brah­ma­nen met brah­ma­nen, huis­hou­ders met huis­hou­ders, ruziet moe­der met zoon, zoon met moe­der, vader met zoon, zoon met vader, ruziet broer met broer, broer met zus, zus met broer, vriend met vriend. En hier in hun ruzies, vecht­par­tij­en  en one­nig­he­den val­len ze elkaar aan met vuis­ten, klui­ten, stok­ken of mes­sen, en gaan dood of lopen dode­lijk lij­den op. Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Ver­der, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak … pak­ken man­nen hun zwaar­den schil­den en beves­ti­gen hun bogen en pijl kokers, en trek­ken mas­saal in linies ten strij­de met vlie­gen­de pij­len en spe­ren en swin­gen­de zwaar­den; en daar raken zij gewond door pij­len en spe­ren, hun hoof­den wor­den afge­hakt door zwaar­den, en gaan dood of lopen dode­lijk lij­den op. Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Ver­der, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak … pak­ken man­nen hun zwaar­den schil­den en beves­ti­gen hun bogen en pijl kokers, en bestor­men glad­de bas­ti­ons, met vlie­gen­de pij­len en spe­ren en swin­gen­de zwaar­den; en daar raken zij gewond door pij­len en spe­ren er wor­den zij over­go­ten met koken­de vloei­stof­fen en ver­plet­terd onder zwa­re gewich­ten, en hun hoof­den wor­den afge­hakt met zwaar­den, en ze gaan dood of lopen dode­lijk lij­den op. Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Ver­der, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak … bre­ken man­nen hui­zen bin­nen, plun­de­ren rijk­dom, ple­gen inbraak, leg­gen hin­der­la­gen, ver­lei­den ander­mans vrou­wen, en als ze betrapt wor­den heb­ben konin­gen ver­schil­len­de manie­ren om ze te mar­te­len. De konin­gen laten ze slaan met zwe­pen, slaan met stok­ken, slaan met knup­pels; laten hun han­den afhak­ken, hun voe­ten afhak­ken, hun han­den en voe­ten afhak­ken; hun oren afsnij­den, hun neu­zen afsnij­den, hun oren en neu­zen afsnij­den; ze onder­wer­pen ze aan de ‘pap pot’, de ‘gepo­lijs­te schelp scheer­beurt’, de ‘mond van Rahu’, de ‘vuri­ge krans’, de ‘bran­den­de hand’,  de ‘gras­sprie­ten’, de ‘blaf jurk’, de ‘anti­lo­pe’, de ‘vlees haken’, de  ‘mun­ten’, het ‘loog bad’, de ‘draai­en­de pin’, het ‘rol­len­de stro­ma­tras’; en ze laten ze bespat­ten met koken­de olie, en laten ze ver­slin­den door hon­den, en laten ze levend spie­sen, en laten hun hoof­den afhak­ken met zwaar­den – en ze gaan dood of lopen dode­lijk lij­den op. Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu … de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

Ver­der, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak, zin­tuig­lijk ple­zier als bron, zin­tuig­lijk ple­zier als basis, met als oor­zaak sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier, geven men­sen zich over aan wan­ge­drag met lichaam, spraak en mind. Dit gedaan heb­bend, bij het uit­een­val­len van het lichaam, na de dood, komen ze terug in sta­ten van wan­hoop, op onge­luk­ki­ge bestem­min­gen, in ver­derf, zelfs in de hel. Ook dit is het gevaar in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, een hoop lij­den hier en nu, met zin­tuig­lijk ple­zier als oor­zaak, zin­tuig­lijk ple­zier als bron, zin­tuig­lijk ple­zier als basis, de oor­zaak is sim­pel­weg zin­tuig­lijk ple­zier.

En wat, mon­ni­ken, is de ont­snap­ping in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier? Het is het ver­wij­de­ren van ver­lan­gen en lust, het opge­ven van ver­lan­gen en lust voor zin­tuig­lijk ple­zier. Dit is de ont­snap­ping in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier.

Dat die asce­ten en brah­ma­nen die het niet begrij­pen zoals het wer­ke­lijk is, de bevre­di­ging als bevre­di­ging, het gevaar als gevaar, de ont­snap­ping als ont­snap­ping in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, zin­tuig­lijk ple­zier vol­le­dig kun­nen door­zien of ande­ren kun­nen instru­e­ren hoe zij zin­tuig­lijk ple­zier vol­le­dig kun­nen door­zien – dat is onmo­ge­lijk. Dat die asce­ten en brah­ma­nen die begrij­pen zoals het wer­ke­lijk is, de bevre­di­ging als bevre­di­ging, het gevaar als gevaar, de ont­snap­ping als ont­snap­ping in het geval van zin­tuig­lijk ple­zier, zelf zin­tuig­lijk ple­zier kun­nen door­zien of ande­ren kun­nen instru­e­ren hoe zij zin­tuig­lijk ple­zier vol­le­dig kun­nen door­zien – dat is moge­lijk. …”

De laat­ste para­graaf ver­diend extra aan­dacht in onze hui­di­ge tijd. Als je zelf niet ziet wat de geva­ren van zin­tuig­lijk ple­zier zijn, deze geva­ren niet door­ziet, dan kun je ande­ren ook niet hel­pen dit te door­zien.

Met ande­re woor­den, als je zelf niet ziet dat ver­lan­gen een pro­bleem is, wat zich kan uiten in het roe­ke­loos hier­aan toe­ge­ven, dan kun je ande­ren onmo­ge­lijk bege­lei­den op het pad.

Doe je dit wel, dan geef je enkel je ver­keer­de ziens­wij­ze door.

De Acht Wereldse Gebreken

Een van de gro­te pro­ble­men in onze wereld is het stre­ven naar winst en faam ten kos­te van ande­ren. Ook dit stre­ven is gewor­teld in ver­lan­gen.

De Boed­dha stond hier al bij stil in de Loka­vi­pat­ti Sut­ta, de lering over de Acht Wereld­se Gebre­ken (AN 8:6):

Mon­ni­ken, deze acht wereld­se con­di­ties draai­en om de wereld en de wereld draait om deze acht wereld­se con­di­ties. Wel­ke acht? Winst en ver­lies, faam en schan­de, lof en kri­tiek, en ple­zier en pijn. Deze acht wereld­se con­di­ties draai­en om de wereld en de wereld draait om deze acht wereld­se con­di­ties.

Een niet geïn­stru­eer­de gewo­ne wereld­bur­ger komt winst, ver­lies, faam, schan­de lof, kri­tiek, ple­zier en pijn tegen. Een goed geïn­stru­eer­de nobe­le dis­ci­pel komt ook winst, ver­lies, faam, schan­de, lof, kri­tiek, ple­zier en pijn tegen. Welk ver­schil, welk onder­scheid, wel­ke onder­schei­den­de fac­tor is er dan tus­sen de goed geïn­stru­eer­de nobe­le dis­ci­pel en de niet geïn­stru­eer­de gewo­ne wereld­bur­ger?”

Heer, ons onder­wijs is gewor­teld in de Geze­gen­de, met de Geze­gen­de als gids, nemen toe­vlucht in de Geze­gen­de. Het zou goed zijn als de Geze­gen­de de bete­ke­nis van deze uit­spraak zou ophel­de­ren. Het van hem gehoord heb­ben­de, zul­len de mon­ni­ken het ont­hou­den.”

Luis­ter dan mon­ni­ken en geef acht aan mijn woor­den. Ik zal spre­ken.”

Ja, heer,” ant­woor­den de mon­ni­ken en de Geze­gen­de zei dit:

Mon­ni­ken, als een niet geïn­stru­eer­de gewo­ne wereld­bur­ger winst tegen komt, dan denkt hij niet: ‘Deze winst die ik tegen ben geko­men is ver­gan­ke­lijk, is vol leed en onder­he­vig aan ver­an­de­ring.’ Hij ziet het niet zoals het wer­ke­lijk is. Als hij ver­lies tegen komt… faam… schan­de… lof… kri­tiek… ple­zier… pijn tegen komt, dan denkt hij niet: ‘deze pijn die ik tegen ben geko­men is ver­gan­ke­lijk, vol leed en onder­he­vig aan ver­an­de­ring.’ Hij ziet het niet zoals het wer­ke­lijk is.

Winst obse­deert zijn mind en ver­lies obse­deert zijn mind. Faam obse­deert zijn mind en schan­de obse­deert zijn mind. Lof obse­deert zijn mind en kri­tiek obse­deert zijn mind. Ple­zier obse­deert zijn mind en pijn obse­deert zijn mind.

Hij voelt zich aan­ge­trok­ken tot winst en voelt afkeer tegen ver­lies. Hij voelt zich aan­ge­trok­ken tot faam en voelt afkeer tegen schan­de. Hij voelt zich aan­ge­trok­ken tot lof en voelt afkeer tegen kri­tiek. Hij voelt zich aan­ge­trok­ken tot ple­zier en voelt afkeer tegen pijn.

Zoda­nig ver­wik­keld in aan­trek­king en afkeer is hij niet vrij van geboor­te, van ouder­dom en dood, van bedroefd­heid, gewee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop. Hij is niet vrij van lij­den zo zeg ik.

Maar mon­ni­ken, als een goed geïn­stru­eer­de nobe­le dis­ci­pel winst tegen komt dan denkt hij: ‘Deze winst die ik tegen ben geko­men is ver­gan­ke­lijk, vol leed en onder­he­vig aan ver­an­de­ring.’ Hij ziet het zoals het wer­ke­lijk is. Als hij ver­lies tegen komt… faam… schan­de… lof… kri­tiek… ple­zier… pijn tegen komt, dan denkt hij: ‘deze pijn die ik tegen ben geko­men is ver­gan­ke­lijk, vol leed en onder­he­vig aan ver­an­de­ring.’ Hij ziet het zoals het wer­ke­lijk is.

Winst obse­deert zijn mind niet en ver­lies obse­deert zijn mind niet. Faam obse­deert zijn mind niet en schan­de obse­deert zijn mind niet. Lof obse­deert zijn mind niet en kri­tiek obse­deert zijn mind niet. Ple­zier obse­deert zijn mind niet en pijn obse­deert zijn mind niet.

Hij voelt zich niet aan­ge­trok­ken tot winst en voelt geen afkeer tegen ver­lies. Hij voelt zich niet aan­ge­trok­ken tot faam en voelt geen afkeer tegen schan­de. Hij voelt zich niet aan­ge­trok­ken tot lof en voelt geen afkeer tegen kri­tiek. Hij voelt zich niet aan­ge­trok­ken tot ple­zier en voelt geen afkeer tegen pijn.

Zoda­nig aan­trek­king en afkeer naast zich neer gelegd heb­ben­de is hij vrij van geboor­te, van ouder­dom en dood, van bedroefd­heid, gewee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop. Hij is vrij van lij­den zo zeg ik.

Dit, mon­ni­ken, is het ver­schil, het onder­scheid, de onder­schei­den­de fac­tor tus­sen de niet geïn­stru­eer­de gewo­ne wereld­bur­gen en de goed geïn­stru­eer­de nobe­le dis­ci­pel.”

Winst en ver­lies, faam en schan­de,
lof en kri­tiek, ple­zier en pijn:
Deze con­di­ties die de mens tegen­komt
zijn ver­gan­ke­lijk, tij­de­lijk en onder­wor­pen aan ver­an­de­ring

Een wijs en mind­ful per­soon kent ze
En ziet dat ze onder­wor­pen zijn aan ver­an­de­ring.
Wen­se­lij­ke con­di­ties ver­heu­gen zijn mind niet
Noch voelt hij afkeer tegen onwen­se­lij­ke con­di­ties.

Hij heeft aan­trek­king en afkeer ver­dre­ven;
Ze zijn weg en niet lan­ger aan­we­zig.
De smet­te­lo­ze, verdriet-loze toe­stand ken­nend,
ziet hij juist en heeft het bestaan over­ste­gen.

Er zijn in de Pali Canon nog veel meer voor­beel­den te vin­den waar gewaar­schuwd wordt voor bij­voor­beeld het ver­lan­gen naar winst en faam. Lily de Sil­va schrijft in haar tekst One Foot in the World: Bud­dhist appro­a­ches to Present-day Pro­blems:

De Dham­ma­pa­da stelt dat winst en faam een ding is en het stre­ven naar de rea­li­sa­tie van Nib­ba­na een ander. Door dit hel­der te zien dient een mon­nik zich niet te ver­heu­gen in winst en faam (Dh 75).

Vol­gens de Milind­a­pan­ha (p. 377) zou, net als een schip ver­schil­len­de krach­ten zoals ster­ke stro­min­gen, stor­men en draai­kol­ken moet kun­nen weer­staan, moet een mon­nik de krach­ten van winst, faam, bekend­heid en eer­be­toon kun­nen weer­staan. Als een mon­nik hier­van geniet en een opge­bla­zen ego krijgt dan zinkt hij net als een lek schip.

De Milind­a­pah­na (p.377) geeft nog een mari­tiem voor­beeld. Het anker van een schip kan een schip ste­vig ver­an­ke­ren zon­der het af te laten drij­ven, zelfs in heel diep water. Net zo  moet een mon­nik ver­an­kerd blij­ven in zijn stre­ven naar een krach­tig karak­ter zon­der dat winst en faam dat in de nasleep van deugd­zaam­heid komt hem af laat drij­ven.

Er is geen twij­fel dat eer­be­toon en res­pect tot de taken van een leken­vol­ge­ling naar een deugd­za­me mon­nik beho­ren, net als hem voor­zien van de juis­te beno­digd­he­den. Het is de ver­ant­woor­de­lijk­heid van die mon­nik om een ver­stan­di­ge, geba­lan­ceer­de hou­ding te behou­den, zon­der te opge­to­gen te raken.

Het Boed­dhis­me stelt dat het moei­lijk is voor een man van mati­ge spi­ri­tu­e­le ont­wik­ke­ling om het genot van winst en faam te weer­staan (sak­ka­ro kapu­ri­se­na duj­ja­ho, Thag. 1053).

Er is een groot gevaar voor spi­ri­tu­e­le ero­sie als een mens toe­geeft aan de roem van faam en eer en dit koes­tert.

Je ont­wik­kelt op die manier een opge­bla­zen ego en opschep­pe­rig gedrag sluipt op de meest slink­se wij­ze in het karak­ter.

Zul­ke men­sen ont­wik­ke­len ook een afkeu­ren­de hou­ding jegens ande­ren die niet zoveel eer­be­toon krij­gen.

De Lab­has­ak­ka­ra Samyut­ta ver­ge­lijkt zo iemand op sar­cas­ti­sche wij­ze met de stront­ke­ver.

De Ana­ga­na Sut­ta (M I 29–30) toont de afschuw en wal­ging voor een mon­nik die het reli­gi­eu­ze leven en moei­lij­ke asce­ti­sche beoe­fe­nin­gen op zich neemt met popu­la­ri­teit en publie­ke­lij­ke vrij­ge­vig­heid als doel.

Een der­ge­lij­ke mon­nik wordt ver­ge­le­ken met iemand die het kar­kas van een slang of een hond in een nieu­we won­der­scho­ne gepo­lijs­te kom bewaart. De kom van het hoge­re leven (brah­ma­ca­riya) is niet bedoeld voor het bewa­ren van karkas-achtige immo­re­le inten­ties.

Mon­ni­ken wor­den op de meest nadruk­ke­lijk ter­men gead­vi­seerd zich te bescher­men tegen vreug­de in winst en faam.

De Lab­has­ak­ka­ra Samyut­ta werkt enke­le ver­ge­lij­kin­gen in groot detail uit om dit punt dui­de­lijk te maken (S II, 266–7). Een jon­ge schild­pad die tegen het advies van de oude­ren in ging wordt geraakt door een splin­ter met een touw eraan vast en zal al gauw door de jager wor­den gevan­gen. De jager in de ver­ge­lij­king is nie­mand anders dan Mara (de kwa­de) zelf. De splin­ter is winst, eer­be­toon en faam. Het touw dat aan de splin­ter vast zit is de mon­nik zijn gehecht­heid aan winst en faam.

Ook wor­den winst en faam ver­ge­le­ken met aas dat door een heb­be­ri­ge mon­nik wordt inge­slikt om zo vol­ko­men geru­ï­neerd te wor­den in de han­den van de jager Mara.

De hun­ke­ring naar winst en faam is een uiting van ver­lan­gen en iets waar de Boed­dha nadruk­ke­lijk voor waar­schuwt. Als je niet goed oplet val je hier aan ten prooi en ver­oor­zaak je veel lij­den voor jezelf en je omge­ving.

De Boed­dha waar­schuw­de ons geluk­kig niet alleen voor de pro­ble­men en de oor­zaak maar onder­wees ook een weg van bescher­ming en zelf­ont­wik­ke­ling.

De Noodzaak van Moraliteit

Moreel gedrag is de hoek­steen van de Dham­ma. Het is een voor­waar­de voor con­cen­tra­tie en zo ook een voor­waar­de voor bevrij­dend inzicht.

Zolang onze con­cen­tra­tie nog niet hoog genoeg is om de onheil­za­me wor­tels te onder­druk­ken en ze nog niet per­ma­nent ver­nie­tigd zijn door direct inzicht, is mora­li­teit de aan­ge­we­zen bescher­ming voor jezelf en de wereld.

Mora­li­teit ver­eist con­ti­nue mind­ful­ness, want alleen met gro­te aan­dacht kun­nen de meest sub­tie­le immo­re­le han­de­lin­gen, spraak en gedach­ten wor­den voor­ko­men, laat staan de gro­ve.

Wie denkt dat mora­li­teit enkel ‘din­gen niet doen’ is zit er naast. Natuur­lijk begint het bij het terug­dein­zen voor scha­de­lijk gedrag, maar in boed­dhis­ti­sche mora­li­teit zit ook heel nadruk­ke­lijk het bevor­de­ren van har­mo­nie.

Bhik­hhu Bodhi schrijft in A Bud­dhist Res­pon­se to Con­tem­po­ra­ry Dilem­mas of Human Exis­ten­ce:

… De eer­ste uit­da­ging die ik zal bespre­ken is pri­mair filo­so­fisch van aard, ech­ter wel met diep­gaan­de en ver­strek­ken­de prak­ti­sche impli­ca­ties.

Dit is de taak van het over­win­nen van de fun­da­men­te­le dicho­to­mie die het weten­schap­pe­lijk mate­ri­a­lis­me heeft gepo­neerd tus­sen het gebied van ‘wer­ke­lijk feit’, dat wil zeg­gen, onper­soon­lij­ke fysie­ke pro­ces­sen, en het gebied van waar­de.

Door het toe­schrij­ven van waar­de en spi­ri­tu­e­le ide­a­len aan per­soon­lij­ke sub­jec­ti­vi­teit dreigt het mate­ri­a­lis­ti­sche wereld­beeld elke vorm van een vei­lig objec­tief fun­da­ment voor mora­li­teit te onder­mij­nen.

Het resul­taat is de wijd ver­sprei­de more­le teloor­gang die we van­daag de dag zien. Om deze ten­dens tegen te gaan denk ik niet dat enkel more­le aan­ma­ning genoeg is.

Als mora­li­teit als een effi­ci­ën­te gids voor han­de­len moet func­ti­o­ne­ren kan het niet alleen wor­den gezet als een zich­zelf recht­vaar­di­gend voor­ne­men maar dient het inge­bed te zijn in een veel­om­vat­ten­der spi­ri­tu­eel sys­teem dat mora­li­teit grondt in een trans­per­soon­lij­ke orde.

Reli­gie moet beves­ti­gen, in de hel­der­ste bewoor­ding, dat mora­li­teit en ethi­sche waar­den niet enkel deco­ra­tie­ve fran­jes van per­soon­lij­ke menin­gen zijn, niet sub­jec­tie­ve super­struc­tuur, maar intrin­sie­ke wet­ten van de kos­mos inge­bouwd in het hart van de rea­li­teit.

In de leer van de Boed­dha is het objec­tie­ve fun­da­ment voor mora­li­teit de wet van kar­ma, en de gevolg­trek­king, de leer over weder­ge­boor­te.

Vol­gens de prin­ci­pes van kar­ma heeft ons inten­ti­o­ne­le han­de­len een inge­bouw­de poten­tie om con­se­quen­ties voor ons te ver­oor­za­ken die in over­een­stem­ming zijn met de more­le kwa­li­teit van de daden.

Onze daden wer­pen hun vruch­ten af, soms in dit leven, soms in toe­kom­sti­ge levens, die pre­cies zo op ons terug­kaat­sen als wij ver­die­nen.

Zo zijn onze moreel bepaal­de han­de­len de bouw­blok­ken voor onze lots­be­stem­ming:  uit­ein­de­lijk zul­len de vruch­ten van onze daden oog­sten en door onze more­le keu­zes en waar­den ver­oor­za­ken we ons geluk en lij­den in dit leven en in toe­kom­sti­ge levens.

In de leer van de Boed­dha is de wet van kar­ma inte­graal aan de dyna­miek van het uni­ver­sum.

De boed­dhis­ti­sche geschrif­ten spre­ken over vijf sys­te­men van kos­mi­sche wet­ten, elk geheel vali­de bin­nen zijn eigen domein: de wet van anor­ga­ni­sche mate­rie (utu­niy­a­ma), de wet­ten van leven­de orga­nis­men (bij­a­niy­a­ma), de wet­ten van het bewust­zijn (cit­ta­niy­a­ma), de wet­ten van kar­ma of more­le daden en vruch­ten (kam­ma­niy­a­ma), en de wet­ten van spi­ri­tu­e­le ont­wik­ke­ling (dham­ma­ta­niy­a­ma).

De weten­schap die in het wes­ten de over­hand heeft bloeit door de exclu­sie­ve aan­dacht voor de eer­ste twee van deze sys­te­men van wet­ten.

Als boed­dhist zou ik aan­voe­ren dat voor een com­pleet beeld van de wer­ke­lijk­heid alle vijf de sys­te­men in oog­schouw moe­ten wor­den geno­men, en dat we door tot zo een com­pleet beeld te komen de more­le en spi­ri­tu­e­le waar­den tot hun recht­ma­ti­ge plaats in het geheel kun­nen her­stel­len.

Een twee­de uit­da­ging, nauw ver­want aan de eer­ste, is het geven van con­cre­te richt­lij­nen voor juist gedrag dat ons uit ons moe­ras van more­le ver­war­ring kan ver­hef­fen.

Ter­wijl het eer­ste pro­ject dat ik noem­de op een the­o­re­tisch front werkt, is dit direc­ter en prak­ti­scher van omvang.

Hier zijn we niet zozeer gemoeid met het opzet­ten van een vali­de fun­da­ment voor mora­li­teit als met het vast­stel­len wel­ke richt­lij­nen er pre­cies voor kun­nen zor­gen dat een har­mo­ni­eu­ze en vreed­za­me rela­tie tus­sen men­sen kan bestaan.

Op dit front denk ik dat de onge­ë­ve­naar­de gids tot het ethisch goe­de nog steeds de Vijf Leef­re­gels (pan­ca­si­la) zijn die door de Boed­dha wer­den onder­we­zen.

Vol­gens de boed­dhis­ti­sche tek­sten zijn deze leef­re­gels niet uniek voor de Boed­dha Sasa­na maar vor­men ze de uni­ver­se­le prin­ci­pes van mora­li­teit die in elke cul­tuur die gericht is op deugd­zaam­heid wor­den gehand­haafd.

De Vijf Leef­re­gels kun­nen gezien wor­den in ter­men van zowel het gedrag dat zij ver­bie­den als de deug­den die ze bevor­de­ren. In de hui­di­ge tijd denk ik dat het nood­za­ke­lijk is om een gelij­ke mate van nadruk te legen op bei­de aspec­ten van de leef­re­gels, zoals de Boed­dha zelf dat deed in de Sut­tas.

Deze leef­re­gels zijn:

  1. De regel om af te zien van het nemen van leven, wat de deugd impli­ceert alle wezens met lief­de en com­pas­sie te behan­de­len.
  2. De regel om af te zien van ste­len, wat eer­lijk­heid, res­pect voor eigen­dom van ande­ren en reke­ning hou­den met de omge­ving impli­ceert.
  3. De regel om af te zien van sek­su­eel wan­ge­drag, wat ver­ant­woor­de­lijk­heid en inzet in je huwe­lijk en ande­re inter­per­soon­lij­ke rela­ties impli­ceert.
  4. De regel om af te zien van lie­gen, wat een inzet voor eer­lijk­heid in de omgang met ande­ren impli­ceert.
  5. De regel om af te zien van alco­hol, drugs en bedwel­men­de mid­de­len, wat de deugd van sober­heid en oplet­tend­heid impli­ceert.

In het voor­staan van deze leef­re­gels dient de rela­tie te wor­den gelegd dat ze, los van de kar­mi­sche lange-termijn effec­ten die een kwes­tie van geloof zijn, een bij­dra­ge leve­ren aan vre­de en geluk voor jezelf in het hier en nu, als ook aan het wel­zijn van die­ge­nen die door je gedrag wor­den beïn­vloed. …

De Vijf Leef­re­gels die Bhik­khu Bodhi hier­bo­ven beschrijft zijn de advie­zen van de Boed­dha voor leken (voor mon­ni­ken gel­den 227 regels). Elk van deze regels kent heel veel diep­gang voor wie goed kijkt, wij zul­len hier in een ander schrij­ven uit­ge­brei­der bij stil­staan.

Voor nu is het nog inte­res­sant te kij­ken wat de Boed­dha onder­wees over het fun­da­ment van mora­li­teit.

We cite­ren nog­maals Bhik­khu Bodhi, dit­maal uit Guar­dians of the World:

… Hoe­wel de zoek­tocht naar bevrij­ding door het beoe­fe­nen van de Dham­ma afhangt van per­soon­lij­ke inspan­ning, vindt deze onver­mij­de­lijk plaats bin­nen een soci­a­le omge­ving en is dus onder­wor­pen aan alle invloe­den, behulp­zaam en scha­de­lijk, die ons wor­den opge­legd door die omge­ving.

De boed­dhis­ti­sche trai­ning ont­vouwt zich in de drie sta­dia van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid, elk het fun­da­ment voor de ander: zui­ver moreel han­de­len faci­li­teert het berei­ken van zui­ve­re con­cen­tra­tie, en een gecon­cen­treer­de mind faci­li­teert het berei­ken van bevrij­den­de wijs­heid.

De basis van de gehe­le boed­dhis­ti­sche trai­ning is dus zui­ver han­de­len, en het je ferm hou­den aan de code van trainings-regels die je jezelf hebt opge­legd – de vijf voor­schrif­ten (of leef­re­gels, zie onder) in het geval van een boed­dhis­ti­sche leken­vol­ge­ling – is een nood­za­ke­lijk mid­del om de zui­ver­heid van je han­de­len te waar­bor­gen.

Levend, zoals we dat doen, in een tijd­perk waar­in we door elk beschik­baar mid­del uit­ge­daagd wor­den om van onze recht­scha­pen nor­men af te wij­ken, en waar­in soci­a­le onrust, eco­no­mi­sche ont­be­rin­gen en poli­tie­ke con­flic­ten ver­de­re ont­vlam­ba­re emo­ties voe­den, is de behoef­te aan extra bescher­ming bij­zon­der drin­gend: bescher­ming van jezelf, bescher­ming van de wereld.

De Boed­dha wijst naar twee men­ta­le kwa­li­tei­ten als onder­lig­gen­de bevei­li­ging van mora­li­teit en zodoen­de als bescher­mers van zowel het indi­vi­du als de maat­schap­pij als geheel.

Deze twee kwa­li­tei­ten wor­den in het Pali hiri en ottap­pa genoemd.

Hiri Is een diep­ge­wor­teld gevoel van schaam­te ten aan­zien van more­le over­tre­din­gen; ottap­pa is more­le vrees, de angst voor de gevol­gen van wan­da­den.

De Boed­dha noemt deze twee aspec­ten de lumi­neu­ze bewa­kers van de wereld (suk­ka loka­pa­la).

Hij geeft ze deze bena­ming omdat zolang als deze twee aspec­ten zege­vie­ren in het hart van men­sen de more­le stan­daard van de wereld intact blijft, ter­wijl de men­se­lij­ke wereld ver­valt als hun invloed afneemt in een schaam­te­lo­ze los­ban­dig­heid en geweld en zo bij­na niet meer te onder­schei­den is van het die­ren­rijk (Itiv 42).

Ter­wijl more­le schaam­te en angst voor wan­ge­drag ver­e­nigd zijn in de gemeen­schap­pe­lij­ke taak van het bescher­men van de mind voor more­le ver­ont­rei­ni­gin­gen, ver­schil­len ze in hun indi­vi­du­e­le karak­te­ris­tie­ken en wer­kings­mo­dus.

Hiri, het gevoel van schaam­te, heeft een inter­ne refe­ren­tie. Het is gewor­teld in zelf­res­pect en zorgt ervoor dat we terug­dein­zen van wan­ge­drag van­uit een gevoel van per­soon­lij­ke eer.

Ottap­pa, angst voor wan­ge­drag, is extern gericht. Het is de stem van het gewe­ten die ons waar­schuwt voor de con­se­quen­ties van more­le over­tre­din­gen: blaam en straf door ande­ren, pijn­lij­ke kar­mi­sche resul­ta­ten van kwa­de daden, de belem­me­rin­gen voor onze wens tot bevrij­ding van het lij­den.

Aca­riya Bud­dha­g­ho­sa illu­streert het ver­schil tus­sen de twee met het voor­beeld van een ijze­ren staaf die aan een ein­de besmeerd is met ont­las­ting en heet gloei­end is aan het ande­re ein­de: hiri is als de eigen afkeer voor het vast­pak­ken van de kant waar de ont­las­ting zit, ottap­pa is als onze angst voor het vast­pak­ken van de kant die rood gloei­end is.

In de heden­daag­se wereld met haar secu­la­ri­sa­tie van alle waar­den zul­len idee­ën als schaam­te en angst het ver­keerd te doen al snel ver­ou­derd over­ko­men, reli­kwie­ën van een puri­teins ver­le­den toen bij­ge­loof en dogma’s onze rech­ten tot onge­hin­der­de zelf­ex­pres­sie in bedwang hiel­den.

De nadruk die de Boed­dha legt op het belang van hiri en ottap­pa was ech­ter geba­seerd op een diep inzicht in de ver­schil­len­de moge­lijk­he­den van de men­se­lij­ke natuur.

Hij zag dat het pad naar bevrij­ding een strijd tegen de stroom in is en dat als wij de ver­mo­gens van de mind voor wijs­heid, puur­heid en vre­de ten vol­le wil­len ont­wik­ke­len, we het kruid­vat van de ver­ont­rei­ni­gin­gen onder het waak­za­me oog van ijve­ri­ge schild­wach­ten moe­ten hou­den.

Het pro­ject van zelf­ont­wik­ke­ling dat de Boed­dha afkon­digt als metho­de voor bevrij­ding van het lij­den ver­eist dat wij een kri­tisch oog op de bewe­gin­gen van onze mind hou­den, zowel als ze zor­gen voor licha­me­lij­ke en ver­ba­le daden als wan­neer zij naar bin­nen gericht ver­zon­ken zijn in hun eigen bezig­he­den.

Een der­ge­lijk zelf­on­der­zoek is een aspect van oplet­tend­heid (appama­da), wat de Boed­dha het pad naar het onster­fe­lij­ke noemt.

In de beoe­fe­ning van zelf­on­der­zoek spe­len het gevoel van schaam­te en de angst voor wan­da­den een cru­ci­a­le rol.

Het gevoel van schaam­te spoort ons aan om onheil­za­me men­ta­le sta­ten te over­win­nen omdat we inzien dat zul­ke sta­ten smet­ten zijn op ons karak­ter.

Ze doen afbreuk aan de inner­lij­ke ver­he­ven­heid van karak­ter die gevormd wordt door het beoe­fe­nen van de Dham­ma, de sta­tuur van de ariyans of Nobe­len die luis­ter­rijk schij­nen als lotus bloe­men op het meer van de wereld.

Angst voor wan­da­den spoort ons aan om je te weer­hou­den van moreel ris­kan­te gedach­ten en han­de­len omdat we inzien dat zul­ke daden de zaden zijn met de poten­tie om vruch­ten af te wer­pen, vruch­ten die onver­mij­de­lijk bit­ter zul­len zijn.

De Boed­dha stelt dat welk kwaad er ook opkomt, voort­komt uit een gebrek aan schaam­te en angst voor het ver­keer­de, ter­wijl alle deugd­za­me daden voort­ko­men uit een gevoel van schaam­te en angst voor het ver­keer­de.

Door het in ons zelf ont­wik­ke­len van de kwa­li­tei­ten van more­le schaam­te en angst voor wan­da­den ver­snel­len we niet alleen onze eigen voor­uit­gang op het pad naar bevrij­ding maar leve­ren we ook onze bij­dra­ge aan de bescher­ming van de wereld.

Gezien de gecom­pli­ceer­de ver­bon­den­heid tus­sen alle leven­de wezens maakt het tot bewa­kers van onze eigen mind bevor­de­ren van schaam­te en angst voor het ver­keer­de ons tot bewa­kers van de wereld.

Als de wor­tels van mora­li­teit onder­steu­nen deze twee kwa­li­tei­ten de gehe­le werk­zaam­heid van de Boed­dha zijn bevrij­den­de pad; als bewa­kers van per­soon­lijk fat­soen bewa­ren zij tege­lij­ker­tijd de waar­dig­heid van de men­se­lijk­heid.

De Bescherming van Jezelf en de Wereld

We noem­den mind­ful­ness al even als nauw ver­want aan mora­li­teit, en op die manier een voor­waar­de voor con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Mind­ful­ness wordt hier niet bedoeld in de vorm van mind­ful­ness medi­ta­tie, zoals je zo vaak hoort. Hier bete­kent mind­ful­ness de con­ti­nue alert­heid en aan­dacht voor waar het bewust­zijn mee bezig is.

De Boed­dha zelf onder­wees in de Sati­pat­t­ha­na Samyut­ta, de ver­bon­den lerin­gen over mind­ful­ness, Nr 19. Seda­ka, over de bescher­mers van de wereld:

Op een gege­ven moment ver­bleef de Geze­gen­de bij de Sumb­has, waar er een stad van de Sumb­has was genaamd Seda­ka. Daar sprak de Geze­gen­de de mon­ni­ken aldus toe:

Mon­ni­ken, in het ver­le­den was er een acro­baat die zijn bam­boe paal opzet­te en tot zijn leer­ling Meda­kat­ha­li­ka sprak: ‘Kom, bes­te Medakt­ha­li­ka, klim in de bam­boe paal en ga op mijn schou­ders staan.’ Na ‘Ja, mees­ter’ geant­woord te heb­ben beklom de leer­ling Meda­kat­ha­li­ka de bam­boe paal en ging op de schou­ders van zijn leraar staan. De acro­baat zij toen tot de leer­ling Meda­kat­ha­li­ka: ‘Jij beschermt mij, bes­te Meda­kat­ha­li­ka, en ik zal jou bescher­men. Op die manier behoedt door elkaar, beschermt door elkaar, zul­len we onze vaar­dig­he­den laten zien, onze loon ver­die­nen, en vei­lig van de bam­boe paal afko­men.’ Toen dit gezegd was ant­woord­de de leer­ling Meda­kat­ha­li­ka: ‘Dat is niet de manier waar­op het gedaan moet wor­den, mees­ter. Jij beschermt jezelf, mees­ter, en ik bescherm mezelf. Zoda­nig, ieder zich­zelf behoe­dend en zich­zelf bescher­mend, zul­len we onze vaar­dig­he­den laten zien, onze loon ver­die­nen, en vei­lig van de bam­boe paal afko­men.’

Dat is de metho­de,” zei de geze­gen­de. “Het is net als de leer­ling Meda­kat­ha­li­ke tegen zijn leraar zei. ‘Ik zal mezelf bescher­men,’ mon­ni­ken: zo zou het ves­ti­gen van de vor­men van mind­ful­ness beoe­fend moe­ten wor­den. Jezelf bescher­mend, mon­ni­ken, bescherm je ande­ren, ande­ren bescher­mend, bescherm je jezelf.

En hoe is het, mon­ni­ken, dat je jezelf beschermt door ande­ren te bescher­men? Door het fre­quen­te en her­haal­de­lij­ke beoe­fe­nen van medi­ta­tie (ase­vanaya bha­vanaya bahu­likam­me­na). Het is op deze manier dat je door jezelf te bescher­men ande­ren beschermt.

En hoe is het mon­ni­ken, dat je door de bescher­ming van ande­ren jezelf beschermt? Door geduld, geweld­loos­heid, liefdevolle-vriendelijkheid en com­pas­sie. Het is op deze manier dat je door ande­ren te bescher­men jezelf beschermt.

‘Ik zal mezelf bescher­men,’ mon­ni­ken: zo zou medi­ta­tie beoe­fend moe­ten wor­den. ‘Ik zal ande­ren bescher­men,’ mon­ni­ken: zo zou medi­ta­tie beoe­fend moe­ten wor­den. Jezelf bescher­mend, mon­ni­ken, bescherm je ande­ren. Ande­ren bescher­mend, bescherm je jezelf.”

Wij geven enke­le cita­ten uit Nyanapo­n­i­ka Thera’s Pro­tec­ti­on throught Sati­pat­t­ha­na waar­in niet alleen een ver­ta­ling van deze sut­ta maar ook een ana­ly­se van de die­pe bood­schap wordt gege­ven:

… Deze sut­ta gaat over de ver­hou­ding tus­sen ons­zelf en onze mede­men­sen, tus­sen indi­vi­du­en en de maat­schap­pij.

Het vat op bon­di­ge wij­ze de boed­dhis­ti­sche hou­ding samen ten opzich­te van de pro­ble­men van indi­vi­du­e­le en maat­schap­pe­lij­ke ethiek, van ego­ïs­me en altru­ïs­me. De kern ervan wordt weer­ge­ge­ven in de twee kor­te zin­nen:

Jezelf bescher­mend, mon­ni­ken, bescherm je ande­ren.” (Atta­nam rak­khan­to param rak­kha­ti.)

Ande­ren bescher­mend, bescherm je jezelf.” (Param rak­khan­to atta­nam rak­kha­ti.)

Deze twee zin­nen vul­len elkaar aan en moe­ten niet apart van elkaar gebruikt of geci­teerd wor­den. Van­daag de dag, in een tijd dat maat­schap­pe­lij­ke betrok­ken­heid erg wordt bena­drukt, zou­den men­sen ver­leid kun­nen wor­den om hun menin­gen te onder­schrij­ven door enkel de twee­de zin te cite­ren.

Maar elke een­zij­di­ge cite­ring zou het stand­punt van de Boed­dha ver­keerd weer­ge­ven.

Het dient ont­hou­den te wor­den dat de Boed­dha in ons ver­haal de woor­den van de leer­ling nadruk­ke­lijk goed­keurt, dat men eerst voor­zich­tig de eigen stap­pen moet zien als men ande­ren voor scha­de wenst te bescher­men.

Dege­ne die zelf vast zit in de mod­der kan ande­ren er niet uit hel­pen.

In die zin vormt zelf­be­scher­ming een onmis­ba­re basis voor het bescher­men en hel­pen van ande­ren. Maar zelf­be­scher­ming is niet ego­ïs­tisch. Het is zelf­con­tro­le, ethisch en spi­ri­tu­e­le zelf­ont­wik­ke­ling.

Er zijn som­mi­ge gro­te waar­he­den die zo alles omvat­tend en diep zijn dat ze een steeds gro­ter wor­den­de reik­wijd­te van bete­ke­nis lij­ken te heb­ben die groeit met de eigen reik­wijd­te van inzicht in en beoe­fe­ning ervan.

Zul­ke waar­he­den zijn toe­pas­baar op ver­schil­len­de niveaus van inzicht en zijn vali­de in ver­schil­len­de con­tex­ten gedu­ren­de ons leven.

Na het berei­ken van het eer­ste of twee­de niveau zal je ver­baast zijn dat zich tel­kens weer nieu­we ver­ge­zich­ten tot ons inzicht open­ba­ren, ver­licht door die zelf­de waar­heid. Dit geldt ook voor de gro­te dub­be­le waar­he­den uit onze tekst die we nu in detail zul­len bekij­ken. …

… We komen nu bij het ethi­sche niveau van die waar­heid. More­le zelf­be­scher­ming zal ande­ren bescher­men, indi­vi­du­en en maat­schap­pij, tegen onze onbe­teu­gel­de pas­sies en ego­ïs­ti­sche impul­sen.

Als we de ‘drie wor­tels’ van het kwa­de – ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid  – een ste­vi­ge hou­vast in ons hart laten heb­ben, dan zul­len hun uit­was­sen hein­de en ver­re ver­sprei­den, net als een klim­plant in de jun­gle over­al veel gezon­de en nobe­le groei ver­stikt.

Maar als we ons­zelf bescher­men tegen deze drie wor­tels dan zul­len onze mede wezens ook vei­lig zijn.

Ze zul­len vei­lig zijn voor onze roe­ke­lo­ze begeer­te naar eigen­dom en macht, voor onze onge­tem­de lust en sen­su­a­li­teit, voor onze nijd en jaloe­zie; vei­lig voor de ver­sto­ren­de con­se­quen­ties van onze haat en vij­and­schap die destruc­tief of zelfs moord­lus­tig kan zijn; vei­lig voor onze woe­de uit­bar­stin­gen en voor de resul­te­ren­de sfeer van anta­go­nis­me en con­flict waar­door het leven ondra­ge­lijk voor ze wordt. …

… Als we de wer­ke­lij­ke of poten­tie­le bron­nen van maat­schap­pe­lijk kwaad in ons onop­ge­lost laten, zal ons exter­ne maat­schap­pe­lijk han­de­len zin­loos of incom­pleet zijn.

Daar­om moe­ten we, als we bezield zijn door een maat­schap­pe­lij­ke ver­ant­woor­de­lijk­heid, niet terug­dein­zen voor de moei­lij­ke taak van spi­ri­tu­e­le zelf­ont­wik­ke­ling. Voor­in­ge­no­men­heid met maat­schap­pe­lij­ke acti­vi­tei­ten mag niet tot excuus wor­den gemaakt om aan de hoofd taak, het eerst eens oprui­men van het eigen huis, te ont­ko­men.

Aan de ande­re kan zal hij die zich oprecht wijdt aan more­le zelf­ver­be­te­ring en spi­ri­tu­e­le zelf­ont­wik­ke­ling  een ster­ke en actie­ve kracht voor het goe­de in de wereld zijn, zelfs als hij zich niet bezig houdt met wat voor exter­ne maat­schap­pe­lij­ke dienst dan ook.

Alleen al zijn stil­le voor­beeld zal hulp bie­den en bemoe­di­gend wer­ken, door te laten zien dat de ide­a­len van een zelf-loos en vreed­zaam leven daad­wer­ke­lijk in de prak­tijk kun­nen wor­den gebracht en niet enkel onder­wer­pen zijn van pre­ken. …

… We gaan door naar het vol­gend hoge­re niveau in de inter­pre­ta­tie van onze tekst. Dit wordt uit­ge­drukt in de woor­den van de sut­ta: “En hoe is het, mon­ni­ken, dat je jezelf beschermt door ande­ren te bescher­men? Door het fre­quen­te en her­haal­de­lij­ke beoe­fe­nen van medi­ta­tie.”

More­le zelf­be­scher­ming zal sta­bi­li­teit mis­sen zolang het een rigi­de dis­ci­pli­ne blijft die afge­dwon­gen wordt na een strijd tus­sen motie­ven en tegen tegen­strij­di­ge gewoon­ten van den­ken en gedrag.

Pas­sie­vol­le ver­lan­gens en ego­ïs­ti­sche nei­gin­gen kun­nen in inten­si­teit groei­en als men ze met lou­te­re wils­kracht het zwij­gen wil opleg­gen. Zelfs als men er tij­de­lijk in slaagt de pas­sie­vol­le of ego­ïs­ti­sche impul­sen te onder­druk­ken, zul­len de onop­ge­los­te inner­lij­ke con­flic­ten de eigen more­le en spi­ri­tu­e­le voor­uit­gang belem­me­ren en je karak­ter ver­vor­men.

Boven­dien zal inner­lij­ke dis­har­mo­nie ver­oor­zaakt door gefor­ceer­de onder­druk­king van de impul­sen een uitings­vorm zoe­ken in het exter­ne gedrag. Het zou kun­nen dat het indi­vi­du geïr­ri­teerd, haat­dra­gend, domi­ne­rend en agres­sief naar ande­ren wordt.

Zo kan je scha­de aan jezelf en ande­ren berok­ke­nen door een ver­keer­de vorm van zelf­be­scher­ming.

Alleen als more­le zelf­be­scher­ming een spon­ta­ne func­tie is gewor­den, als het zo natuur­lijk komt zoals het bescher­men­de slui­ten van de oog­le­den tegen stof – alleen dan zal onze more­le gestal­te wer­ke­lij­ke bescher­ming en vei­lig­heid voor ons­zelf en ande­ren bie­den.

Deze natuur­lijk­heid van moreel gedrag komt ons niet aan­waai­en als een hemels geschenk.

Het kan enkel ver­wor­ven wor­den door her­haal­de­lij­ke beoe­fe­ning en cul­ti­ve­ring. Daar­om zegt onze sut­ta dat zelf­be­scher­ming door her­haal­de­lij­ke beoe­fe­ning sterk genoeg wordt om ook ande­ren te bescher­men.

Maar als die her­haal­de­lij­ke beoe­fe­ning van het goe­de alleen plaats vindt op prak­ti­sche, emo­ti­o­ne­le en intel­lec­tu­e­le niveaus, zul­len de wor­tels ervan niet ste­vig en diep genoeg zijn.

Een der­ge­lij­ke her­haal­de­lij­ke beoe­fe­ning moet zich ook uit­strek­ken tot het niveau van medi­ta­tie­ve cul­ti­va­tie.

Door medi­ta­tie zul­len de prak­ti­sche, emo­ti­o­ne­le en intel­lec­tu­e­le beweeg­re­de­nen voor more­le en spi­ri­tu­e­le zelf­be­scher­ming tot een per­soon­lij­ke eigen­dom wor­den wat niet gemak­ke­lijk weer ver­lo­ren raakt.

Daar­om spreekt onze sut­ta hier over bha­va­na, de medi­ta­tie­ve ont­wik­ke­ling van de mind in de meest bre­de zin. Dit is de hoog­ste vorm van bescher­ming die onze wereld kan schen­ken.

Hij die zijn mind heeft ont­wik­keld door medi­ta­tie leeft in vre­de met zich­zelf en de wereld. Van hem hoeft geen scha­de of geweld te wor­den ver­wacht.

Van­uit de vre­de en zui­ver­heid die hij uit­straalt gaat een inspi­re­ren­de, ver­hef­fen­de kracht uit en hij zal een zegen voor de wereld zijn. Hij zal een posi­tie­ve fac­tor in de maat­schap­pij zijn, zelfs als hij een leven in afzon­de­ring en stil­te leeft.

Als het begrip voor, en erken­ning van de maat­schap­pe­lij­ke waar­de van een medi­ta­tief leven in een natie ver­lo­ren gaat, zal dit het eer­ste symp­toom zijn voor spi­ri­tu­e­le degra­da­tie. …

… Zelf­be­scher­ming en bescher­ming van ande­ren komt over­een met de gro­te twee deug­den van het Boed­dhis­me, wijs­heid en com­pas­sie.

Juis­te zelf­be­scher­ming is de uiting van wijs­heid, juis­te bescher­ming van ande­ren de uiting van com­pas­sie.

Wijs­heid en com­pas­sie, als de twee hoofd ele­men­ten van Bodhi ofwel Ver­lich­ting, heb­ben hun hoog­ste per­fec­tie in de Vol­le­dig Ver­lich­te, de Boed­dha, gevon­den.

De nadruk op hun har­mo­ni­eu­ze ont­wik­ke­ling is een karak­te­ris­tiek ken­merk van de gehe­le Dham­ma.

We zien ze terug in de vier sublie­me sta­ten (brah­ma­vi­ha­ra), waar gelijk­moe­dig­heid gelijk staat aan wijs­heid en zelf­be­scher­ming, ter­wijl liefde-vriendelijkheid, com­pas­sie en blij kun­nen zijn voor iemand anders over­een­ko­men met com­pas­sie en het bescher­men van ande­ren.

Deze twee gro­te prin­ci­pes van zelf­be­scher­ming en bescher­ming van ande­ren zijn van gelijk belang voor zowel indi­vi­du­e­le en maat­schap­pe­lij­ke ethiek en bren­gen ze bei­de in har­mo­nie.

De gun­sti­ge impact die ze heb­ben stopt ech­ter niet op het ethi­sche niveau, maar leidt het indi­vi­du omhoog naar de hoog­ste rea­li­sa­tie van de Dham­ma, ter­wijl tege­lij­ker­tijd een ste­vig fun­da­ment voor het wel­zijn van de maat­schap­pij wordt gege­ven. …

… “Ik zal mezelf bescher­men” – Zo moe­ten wij onze mind­ful­ness ves­ti­gen, en ons met mind­ful­ness als gids toe­wij­den aan de beoe­fe­ning van medi­ta­tie, met onze eigen bevrij­ding als doel.

Ik zal ande­ren bescher­men” – Zo moe­ten we onze mind­ful­ness ves­ti­gen, en ons met mind­ful­ness als gids ons gedrag laten stu­ren door geduld, de inten­tie geen scha­de te doen, liefde-vriendelijkheid en com­pas­sie, voor het wel­zijn en geluk van velen.

Conclusie

De pro­ble­men in de wereld komen door ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid en alle daar­uit voort­ko­men­de mani­fes­ta­ties in den­ken, spraak en gedrag.

Wil je de wereld beter maken, begin dan bij jezelf.

Begin bij mora­li­teit, dat is de basis. Bewaak je zin­tui­gen, je den­ken, spre­ken en gedrag. Hier­voor is mind­ful­ness nodig. Het con­ti­nu zien waar je mind mee bezig is.

Met mora­li­teit als basis kun je aan con­cen­tra­tie wer­ken. Con­cen­tra­tie is weer een voor­waar­de voor inzicht.

Met con­cen­tra­tie en inzicht kan mora­li­teit zich ver­ste­vi­gen en ver­die­pen, kan het een natuur­lij­ke eigen­schap wor­den.

Door zo lang­zaam maar zeker te wer­ken aan je mora­li­teit, con­cen­tra­tie en inzicht maak je lang­zaam maar zeker een ein­de aan je ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid.

Zo werk je aan een steeds die­per wor­den­de inner­lij­ke vre­de en tevre­den­heid, een onwan­kel­baar geluk.

Zo wordt je een bron van lief­de, com­pas­sie, har­mo­nie en rust.

Een voor­beeld, een kracht, een ware hulp voor de wereld.

Terug naar de Blog