Onder­staan­de tekst is door buddho.nl ver­taald uit het Engels. De engel­se ver­sie, “Devo­ti­on in Bud­dhism”, door Nyanapo­n­i­ka The­ra, Access to Insight (BCBS Edi­ti­on), 30 Novem­ber 2013, is hier te vin­den.


De Boed­dha ont­moe­dig­de her­haal­de­lijk elke vorm van op hem gerich­te exces­sie­ve ver­e­ring. Hij wist dat een over­daad aan emo­ti­o­ne­le devo­tie de ont­wik­ke­ling van een geba­lan­ceerd karak­ter kan ver­hin­de­ren of ver­sto­ren. De geschie­de­nis van reli­gie bewijst de juist­heid hier­van, zoals geïl­lu­streerd door de extre­men van emo­ti­o­ne­le mys­tiek in het Oos­ten en het Wes­ten.

De sutta’s ver­tel­len ons het ver­haal van de mon­nik Vak­ka­li, die er uit devo­tie en lief­de voor de Boed­dha altijd op uit was om hem ook licha­me­lijk te omar­men. Tegen hem zei de Boed­dha: “Wat helpt het je als je dit onrei­ne lichaam ziet? Dege­ne die de Dham­ma ziet, ziet mij”.

Kort voor­dat de Boed­dha over­leed zei hij: “Als een mon­nik of een non, of een devo­te man of vrouw, in over­een­stem­ming leeft met de Dham­ma, op een juis­te manier leeft, het pad bewan­delt in over­een­stem­ming met de Dham­ma – is hij het die op de juis­te manier de Per­fec­te (Tatha­ga­ta) met de meest waar­di­ge ver­e­ring eert, eer­bie­digt, res­pec­teert, hei­lig houdt en aan­bidt”.

Een echt en diep begrip van de Dham­ma, teza­men met een gedrag dat in lijn is met dat begrip – deze din­gen zijn enorm supe­ri­eur aan eni­ge vorm van extern eer­be­toon of alleen emo­ti­o­ne­le devo­tie. Dat is het onder­richt dat door deze twee lerin­gen van de Mees­ter is over­ge­bracht.

Het zou ech­ter een ver­gis­sing zijn om te con­clu­de­ren dat de Boed­dha een hou­ding van ver­e­ring en toe­wij­ding zou ont­moe­di­gen wan­neer het de natuur­lij­ke uit­komst is van een juist begrip en een die­pe bewon­de­ring ten aan­zien van wat groots en nobel is. Het zou ook een kwa­lij­ke fout zijn om te gelo­ven dat het “zien van de Dham­ma” (waar­over werd  gespro­ken in de eer­ste toe­spraak) iden­tiek is met een lou­ter intel­lec­tu­e­le waar­de­ring en een puur con­cep­tu­eel begrip van de leer. Een der­ge­lij­ke een­zij­di­ge abstrac­te bena­de­ring van de zeer con­cre­te bood­schap van de Boed­dha leidt al te vaak tot intel­lec­tu­e­le zelf­ge­noeg­zaam­heid. In zijn kaal­heid zal het zeker geen ver­van­ging zijn voor de ster­ke en ver­le­ven­di­gen­de impuls die voor­komt uit een diep­ge­voel­de devo­tie van wat bekend staat als groots, nobel en tot voor­beeld strek­kend. Devo­tie, wat een aspect en een natuur­lij­ke met­ge­zel is van ver­trou­wen (sad­dha), is een nood­za­ke­lij­ke fac­tor in de “onder­lin­ge balans van facul­tei­ten” (indriya‐samata) die nodig zijn voor de uit­ein­de­lij­ke bevrij­ding. Ver­trou­wen in al zijn aspec­ten, inclu­sief het devo­ti­o­ne­le aspect, is nodig om elke vorm van stag­na­tie en ande­re tekort­ko­min­gen op te los­sen die voort­ko­men uit een een­zij­di­ge ont­wik­ke­ling van de intel­lec­tu­e­le facul­tei­ten. Een der­ge­lij­ke ont­wik­ke­ling heeft de nei­ging in ein­de­lo­ze cir­kels rond te draai­en, zon­der een door­braak te kun­nen bewerk­stel­li­gen. Hier kan devo­tie, ver­trou­wen en geloof – alle­maal aspec­ten van de Pali term sad­dha - snel en effec­tief hulp bie­den.

Alhoe­wel de Boed­dha wei­ger­de om het object te wor­den van een emo­ti­o­ne­le “per­soon­lijk­heids­cul­tus”, wist hij ook dat “het betui­gen van res­pect en ver­e­ring naar dege­nen die het waard zijn, is een gro­te zegen.” De Boed­dha deed deze uit­spraak in de eer­ste stan­za van een van zijn prin­ci­pi­ë­le ethi­sche instruc­ties, de Leer­re­de over  Zege­nin­gen (Maha‐Mangala Sut­ta [1]). Door de waar­de te benoe­men van een res­pect­vol­le, eer­bied­waar­di­ge hou­ding teza­men met de zege­nin­gen van  het “ver­mij­den van dwa­zen en het zich ver­bin­den met wij­zen,” zag de Boed­dha een der­ge­lij­ke hou­ding dui­de­lijk als fun­da­men­teel voor indi­vi­du­e­le en soci­a­le voor­uit­gang en voor de ver­wer­ving van wel­ke ver­de­re hoge­re voor­de­len dan ook.

Iemand die niet tot een ver­e­ren­de hou­ding in staat is, is ook niet in staat spi­ri­tu­e­le voor­uit­gang te boe­ken voor­bij de nau­we beper­ken­de limie­ten van zijn hui­di­ge men­ta­le zijn. Iemand die zo blind is dat hij niet iets anders kan zien of her­ken­nen dan de klei­ne mod­der­poel van zijn zie­li­ge zelf en omge­ving zal gedu­ren­de een lan­ge tijd lij­den aan een ver­traag­de groei.

En wie uit een demon­stra­tie­ve gel­dings­drang, een ver­e­ren­de hou­ding in zich­zelf en ande­ren min­acht, zal gevan­gen blij­ven in zijn eigen­dunk – een onwaar­schijn­lijk gro­te hin­der­nis naar een ech­te ont­plooi­ing van karak­ter en spi­ri­tu­e­le groei. Door iemand of iets hogers te her­ken­nen en te ver­e­ren, bewijs je eer aan en ver­sterk je je eigen inner­lij­ke moge­lijk­he­den.

Wan­neer we het hoge hart ver­gro­ten,
En de zeke­re visie vie­ren,
En groots­heid ver­e­ren die voor­bij komt,
Zijn we ook zelf groots.

Omdat res­pect, eer­be­toon en devo­tie gedeel­te­lij­ke aspec­ten zijn van het boed­dhis­ti­sche con­cept van ver­trou­wen, kun­nen we nu begrij­pen waar­om ver­trou­wen het zaad van alle heil­za­me kwa­li­tei­ten wordt genoemd. Hoe hoog­staan­der het object van ver­e­ring of devo­tie is, hoe hoger de zege­ning is die er uit voort­komt. “Dege­nen die vreug­de­vol ver­trou­wen heb­ben in het hoog­ste, hun zul­len de meest hoog­staan­de vruch­ten ten deel val­len” (AN 4.34). De aller­hoog­ste objec­ten voor een Boed­dhist voor eer­be­toon en devo­tie zijn de Drie Toe­vluch­ten, ook bekend als de Drie Juwe­len of Ide­a­len: de Boed­dha, zijn leer (Dham­ma) en de Gemeen­schap van hei­li­ge mon­ni­ken en non­nen (Sang­ha [2]). Ook hier wordt de Boed­dha niet ver­eerd als per­soon met een der­ge­lij­ke naam, noch als een god­heid, maar als de beli­cha­ming van Ver­lich­ting. Een tekst die vaak terug­keert in de Boed­dhis­ti­sche geschrif­ten zegt dat een devo­te leken­vol­ge­ling “ver­trou­wen heeft, hij gelooft in de Ver­lich­ting van de Per­fec­te.” Dit ver­trou­wen , is ech­ter niet de uit­komst van blind ver­trou­wen geba­seerd op horen zeg­gen, maar is afkom­stig van de bere­de­neer­de over­tui­ging van de vol­ge­ling, geba­seerd op zijn eigen begrip van het Woord van de Boed­dha, die dui­de­lijk met een stem van onmis­ken­ba­re Ver­lich­ting tegen hem spreekt.

We kun­nen ons­zelf nu afvra­gen: Is het niet vol­ko­men natuur­lijk dat gevoe­lens van lief­de, dank­baar­heid, ver­e­ring en devo­tie hun uit­druk­king zoe­ken door de gehe­le per­soon­lijk­heid, door acties van lichaam en spraak even­als door onze gedach­ten en ons nog niet tot uit­druk­king gebracht gevoel? Zal iemand, bij­voor­beeld zijn gevoe­lens naar zijn ouders en ande­re gelief­den ver­bor­gen hou­den? Zal iemand ze niet lie­ver tot uit­druk­king bren­gen door lief­de­vol­le woor­den en daden?

Zal iemand ze niet op gepas­te wij­ze in hun geheu­gen koes­te­ren, door bij­voor­beeld hun foto’s thuis te bewa­ren, door bloe­men op hun graf te leg­gen, of door hun ede­le kwa­li­tei­ten in her­in­ne­ring te bren­gen?

Op die manier kan iemand pro­be­ren de uiter­lij­ke acties van ver­e­ring in boed­dhis­ti­sche lan­den te begrij­pen, wan­neer met ver­e­ren­de geba­ren bloe­men en wie­rook voor een Boed­dha­beeld wor­den gezet en devo­ti­o­ne­le tek­sten wor­den gere­ci­teerd, niet als een gebed maar als een medi­ta­tie. Voor­op­ge­steld dat een der­ge­lij­ke prak­tijk niet ver­valt in een gedach­te­lo­ze rou­ti­ne, zal een vol­ger van de Dham­ma pro­fijt heb­ben als hij eni­ge vorm van devo­ti­o­ne­le prak­tijk incor­po­reert, ter­wijl hij het aan­past aan zijn per­soon­lij­ke tem­pe­ra­ment en aan de soci­a­le gewoon­ten van zijn omge­ving.

Het Boed­dhis­me legt ech­ter op geen enke­le manier een eis op aan zijn vol­ge­lin­gen om eni­ge vorm van uiter­lij­ke devo­tie of ver­e­ring in acht te nemen. Dit wordt geheel over­ge­la­ten aan de keu­ze van de indi­vi­du­en, wiens emo­ti­o­ne­le en intel­lec­tu­e­le behoef­ten zeker erg met elkaar zul­len ver­schil­len. Geen Boed­dhist hoeft zich opge­slo­ten te voe­len in een ijze­ren giet­vorm, zij het in de vorm van devo­tie of rati­o­neel. Als een vol­ge­ling van de mid­den­weg, moet hij ech­ter ook een een­zij­di­ge ver­oor­de­ling van ande­ren ver­mij­den en pro­be­ren te waar­de­ren dat hun indi­vi­du­e­le beno­digd­he­den en voor­keu­ren kun­nen ver­schil­len van die van hem zelf.

Het fun­da­men­te­le ver­mo­gen voor res­pect en ver­e­ring zoals aan het begin van dit essay is bespro­ken even­als de prak­tijk van medi­ta­tie of con­tem­pla­ties met een devo­ti­o­neel karak­ter, is belang­rij­ker en van gro­te­re vali­di­teit dan uiter­lij­ke vor­men van devo­tie. Vele voor­de­len komen hier­uit voort en dus was het om goe­de rede­nen dat de Ver­lich­te krach­tig en her­haal­de­lijk de medi­ta­tie­ve her­in­ne­ring aan de Boed­dha (bud­dha­nus­sa­ti) aan­be­val, teza­men met ande­re devo­ti­o­ne­le her­in­ne­rin­gen. De refe­ren­tie is, hier nog een keer her­haald, aan het beli­chaam­de ide­aal; aldus kon de Boed­dha, als een wezen wat bevrijd was van elke vorm van ijdel­heid en ego­ïs­me, het aan­dur­ven om aan zijn dis­ci­pe­len een medi­ta­tie op de Boed­dha aan te beve­len.

Wat zijn dan de voor­de­len van der­ge­lij­ke devo­ti­o­ne­le medi­ta­ties? Hun eer­ste voor­deel is men­ta­le zui­ve­ring. Ze wer­den door de Boed­dha genoemd als “effec­tie­ve metho­den om een onrei­ne mind te zui­ve­ren” (AN 3.71).

Wan­neer een nobe­le dis­ci­pel op de Ver­lich­te con­tem­pleert, in die tijd is zijn mind niet in beslag geno­men door begeer­te, noch door boos­heid, noch door onwe­tend­heid. Op dat moment is zijn mind op de juis­te manier gericht: begeer­te is geë­li­mi­neerd, hij staat er los van, is ervan bevrijd. Begeer­te staat hier voor alle 5 zin­tui­gen. Door deze con­tem­pla­tie te cul­ti­ve­ren zui­ve­ren veel wezens zich.” (AN 6.25).

Als je, door die devo­ti­o­ne­le medi­ta­tie te beoe­fe­nen, als het ware pro­beert te leven “in de aan­we­zig­heid van de Mees­ter” (sat­t­ha sammuk­hib­hu­ta), zal je je beschaamd voe­len om iets onwaar­digs te doen, te zeg­gen of te den­ken; je zult terug­dein­zen voor het kwaad; en als een posi­tie­ve reac­tie zul je je geïn­spi­reerd voe­len om je uiter­ste best te doen om het groot­se voor­beeld van de Mees­ter te vol­gen.

Beel­den, niet abstrac­te con­cep­ten, is de taal van het onder­be­wust­zijn. Als daar­om het beeld van de Ver­lich­te vaak wordt gemaakt bin­nen je eigen mind als de beli­cha­ming van een per­fect iemand, zal het diep door­drin­gen in het onder­be­wust­zijn en als het sterk genoeg is, zal het als een auto­ma­ti­sche rem fun­ge­ren tegen onheil­za­me opwel­lin­gen. Op die manier kan het onder­be­wust­zijn, dat zo vaak de ver­bor­gen vij­and is om zelf‐realisatie te berei­ken, een krach­ti­ge bond­ge­noot zijn bij een der­ge­lij­ke inspan­ning. Met als doel het onder­be­wust­zijn te trai­nen, zal het nut­tig zijn om een Boed­dha beeld of foto te gebrui­ken als hulp bij het visu­a­li­se­ren. Op die manier kan con­cen­tra­tie betrek­ke­lijk snel wor­den bereikt. Om som­mi­ge ken­mer­ken van de Boed­dha zijn per­soon­lijk­heid naar bui­ten te laten komen en ze diep te absor­be­ren, moe­ten zijn kwa­li­tei­ten gecon­tem­pleerd wor­den, bij­voor­beeld op de manier zoals beschre­ven in de Visud­dhimag­ga[3].

De her­in­ne­ring aan de Boed­dha, men­taal ple­zier voort­bren­gend (piti), is een effec­tie­ve manier om de mind te ver­ster­ken, om haar te ver­hef­fen van­uit de staat van lus­te­loos­heid, ver­moeid­heid en frus­tra­tie, die zich zowel in de medi­ta­tie als in het gewo­ne leven voor­doet. De Boed­dha zelf advi­seer­de: “Als (bij­voor­beeld tij­dens de inspan­nen­de beoe­fe­ning van medi­ta­tie) con­tem­ple­rend op het lichaam, licha­me­lij­ke agi­ta­tie, inclu­sief zin­tui­ge­lij­ke begeer­te, of men­ta­le lus­te­loos­heid of aflei­ding opkomt, dan moet de beoe­fe­naar zijn mind rich­ten naar een vreug­de­vol, ver­hef­fend object” (SN 47.10). Hier beve­len de oude lera­ren in het bij­zon­der de her­in­ne­ring aan de Boed­dha aan. Wan­neer die hin­der­nis­sen die con­cen­tra­tie in de weg staan ver­dwij­nen onder zijn invloed, is de beoe­fe­naar in staat om naar zijn oor­spron­ke­lijk medi­ta­tie­ob­ject terug te keren.

Spe­ci­al voor een begin­ner wor­den pogin­gen om con­cen­tra­tie te berei­ken vaak gefrus­treerd door een onpret­tig zelf­beeld; de beoe­fer­naar loert als het ware terug naar zich­zelf. Hij wordt zich ver­ont­rus­tend bewust van zijn lichaam met zijn klei­ne onge­mak­ke­lijk­he­den en van zijn mind die zit te wor­ste­len met obsta­kels die alleen maar ster­ker wor­den naar­ma­te hij meer wor­stelt. Dit kan gebeu­ren wan­neer het object van zijn medi­ta­tie zijn eigen fysie­ke of men­ta­le pro­ces is, maar het kan ook gebeu­ren met ande­re objec­ten. In een der­ge­lij­ke situ­a­tie, is het pro­fij­te­lijk om het eer­der gege­ven advies te vol­gen en de aan­dacht van de eigen per­soon­lijk­heid af en naar de inspi­re­ren­de visu­a­li­sa­tie van de Boed­dha en zijn kwa­li­tei­ten toe te rich­ten. De blij­de belang­stel­ling die op deze manier wordt gepro­du­ceerd kan dat ver­ge­ten van het zelf voort­bren­gen dat zo een belang­rij­ke fac­tor is om con­cen­tra­tie te berei­ken. Men­taal ple­zier (piti) pro­du­ceert kalm­te (pas­sa­dhi), kalm­te leidt tot geluk (suk­ha) en geluk tot con­cen­tra­tie (sama­dhi). Op deze manier kan medi­ta­tie die­nen als een gewaar­deerd hulp­mid­del om men­ta­le con­cen­tra­tie te berei­ken wat de basis is voor bevrij­dend inzicht. Deze func­tie van devo­ti­o­ne­le medi­ta­tie kan niet beter wor­den beschre­ven dan in de woor­den van de Mees­ter zelf:

Wan­neer een nobe­le dis­ci­pel con­tem­pleert op de Ver­lich­te, dan is zijn mind niet in beslag geno­men door begeer­te, noch door haat, noch door onwe­tend­heid. Op dat moment is zijn mind op de juis­te manier gericht op de Vol­maak­te (Tat­ha­ga­ta). En met een op een juis­te manier gerich­te mind ver­werft de nobe­le dis­ci­pel enthou­si­as­me voor het doel, enthou­si­as­me voor de Dham­ma, ver­werft vreug­de ont­staan uit de Dham­ma. In hem ont­staat op die manier men­taal ple­zier; voor iemand die op die manier blij is, wordt het lichaam en de mind kalm; als het lichaam en de mind kalm is voelt hij zich op zijn gemak; en als hij zich op zijn gemak voelt vindt de mind con­cen­tra­tie. Zo iemand wordt een nobe­le dis­ci­pel genoemd die ter­wijl de mens­heid de ver­keer­de kant uit gaat, heeft bereikt wat juist is; die ter­wijl de mens­heid in beslag geno­men wordt door pro­ble­men, leeft zon­der zor­gen.” (AN 6.10)

Notes

1. See Life’s Hig­hest Bles­sings, Dr. R.L. Soni (Wheel No. 254/256).

2. See The Three Refu­ges, Bhik­khu Ñanam­o­li (Bodhi Lea­ves No. A5).

3. See The Path of Puri­fi­ca­ti­on (Visud­dhimag­ga), Chap­ter VII.