Phra Ajaan Tha­te Desa­ran­si, (Ajaan Tha­te, Phra Raja­ni­rod­ha­rangsee, Luang­pu Thet The­trang­si, Phra Desa­rangsee, geleefd van 1902–1994) was een van de meest beroem­de medi­ta­tie­mees­ters uit de ‘Thai­se Bostra­di­tie’, een stro­ming bin­nen het The­ra­va­da Boed­dhis­me, die in Noord-Thailand leef­de. Hij werd niet alleen in alle lagen van de Thai­se bevol­king, maar ook inter­na­ti­o­naal, beroemd om zijn nede­rig­heid en de ont­wik­ke­ling van zijn bewust­zijn door boed­dhis­ti­sche medi­ta­tie. Ajahn Tha­te had veel wes­ter­se medi­ta­tie­leer­lin­gen. Op 26 mei 1982 kwam de supe­ri­eu­re patri­arch van het Thai­se Boed­dhis­me (de over­le­den Som­det Phra Vaasa­na Mahaa­t­he­ra) voor een offi­ci­ë­le ope­ning van het Mondop gebouw, en benoem­de hij Wat Hin Mark Peng tot ‘model­kloos­ter’. Ook gaf hij Ajahn Tha­te een offi­ci­ë­le erken­ning voor zijn hoge sta­tus in het Thai­se Boed­dhis­me. De cre­ma­tie van Ajahn Tha­te werd bezocht door wel hon­derd­dui­zend men­sen uit heel Thai­land, en tien­dui­zend mon­ni­ken, onder lei­ding van koning Bhu­mi­bol Adu­ly­a­dej en de Konink­lij­ke fami­lie. Een half mil­joen boe­ken ter her­den­king van Ajahn Thate’s les­sen wer­den gra­tis ver­strekt aan ieder­een die aan­we­zig was. De vol­gen­de tekst is een van zijn les­sen, uit het Thais naar het Engels ver­taald door Tha­nis­sa­ro Bhik­khu, http://www.accesstoinsight.org/lib/thai/thate/buddho.html. Naar het Neder­lands ver­taald door Buddho.nl.


Als je medi­ta­tie gaat beoe­fe­nen bij een groep of een leraar die erva­ren is in een bepaal­de vorm van medi­ta­tie, moet je eerst een hart vol ver­trou­wen krij­gen. Dat ver­trou­wen moet erop zijn gericht dat je leraar echt vol­le­dig erva­ren is in die vorm van medi­ta­tie, en dat die vorm van medi­ta­tie wel echt het juis­te pad is. Ook moet je res­pect tonen voor de plek waar je gaat medi­te­ren. Alleen dan moet je begin­nen met beoe­fe­nen.

In het ver­le­den had­den lera­ren een toe­wij­dings­ce­re­mo­nie nodig om ver­trou­wen te ont­wik­ke­len voor­dat je met het beoe­fe­nen van medi­ta­tie kon begin­nen. Je moest dan vijf paar kaar­sen van bij­en­was en vijf paar wit­te bloe­men als offer geven – dit noem­de men de vijf khan­da – of acht paar kaar­sen van bij­en­was en acht paar wit­te bloe­men – dit noem­de men de acht khan­da – of een paar kaar­sen van bij­en­was van elk 15 gram en een even gro­te hoe­veel­heid aan bloe­men. Daar­na zou­den zij je hun vorm van medi­ta­tie onder­wij­zen. Dit tra­di­ti­o­ne­le gebruik heeft zo zijn voor­de­len. Er zijn nog veel meer cere­mo­nies, maar daar zal ik niet over uit­wei­den. Ik zal iets ver­der­op alleen nog een mak­ke­lijk te vol­gen cere­mo­nie noe­men.

Zoals gezegd, pas nadat je ver­trou­wen hebt opge­wekt in je hart,  moet je naar de leraar gaan die erva­ren is in die vorm van medi­ta­tie. Als hij erva­ren is in het her­ha­len van sam­ma ara­ham dan zal hij je leren sam­ma ara­ham, sam­ma ara­ham, sam­ma ara­ham te her­ha­len. Dan zal hij je leren een fel, hel­der juweel vijf cm boven je navel te visu­a­li­se­ren, en je ver­tel­len je mind1 pre­cies daar op te rich­ten ter­wijl je de woor­den her­haalt, zon­der dat je je mind weg laat glij­den van je juweel. Met ande­re woor­den, je neemt het juweel als het brand­punt van je mind.

Als je naar een leraar gaat die erva­ren is in het medi­te­ren op het op- en neer­gaan van het mid­den­rif, zal hij je laten medi­te­ren op het op- en neer­gaan, en je je mind laten rich­ten op de ver­schil­len­de bewe­gin­gen van het mid­den­rif. Bij­voor­beeld, als je je voet optilt, dan denk je optil­len. Als je je voet plaatst dan denk je plaat­sen, enzo­voort; of hij laat je je con­ti­nu rich­ten op het bezig zijn met het feno­meen van opko­men en ver­gaan van elke bewe­ging of posi­tie van het lichaam.

Als je naar een leraar gaat die erva­ring heeft met psy­chi­sche krach­ten, dan zal hij je na ma ba dha, na ma ba dha laten her­ha­len en je je mind laten rich­ten op een enkel object tot­dat het je mee­neemt naar het punt waar­op je de hemel en hel, goden en brahma’s van aller­lei soor­ten kunt zien, tot­dat je afge­leid raakt door je visi­oe­nen.

Als je naar een leraar gaat die erva­ring heeft met de medi­ta­tie op de adem­ha­ling, dan laat hij je je rich­ten op het in- en uit­a­de­men, en laat hij je je mind ste­vig bezig­hou­den met niks anders dan het in- en uit­a­de­men.

Als je naar een leraar gaat die erva­ren is in het medi­te­ren op bud­dho, dan laat hij je bud­dho, bud­dho, bud­dho her­ha­len, en je je mind ste­vig op dat medi­ta­tie­woord rich­ten tot­dat je daar bedre­ven in bent. Dan laat hij je bud­dho over­pein­zen en wat het is dat bud­dho zegt. Als je dan ziet dat dit twee ver­schil­len­de din­gen zijn, richt je dan op wat het is dat bud­dho zegt. Wat het woord betreft, dat zal ver­dwij­nen, alleen het­geen bud­dho zegt ach­ter­la­tend. Je neemt dan als object wat het was dat bud­dho zei.

Men­sen van onze tijd – of wel­ke tijd dan ook, wat dat betreft – onge­acht hoe goed ze opge­leid zijn of hoe vaar­dig ze ook mogen zijn (ik wil niet iemand onder ons bekri­ti­se­ren die in din­gen gelooft waar­van we de waar­heid niet zelf heb­ben getest, want we wil­len uit­ein­de­lijk alle­maal de waar­heid ken­nen en zien) en voor­al die­ge­nen onder ons die boed­dhist zijn: het boed­dhis­me leert oor­za­ken en gevol­gen die hele­maal waar zijn, maar waar­om is het toch zo dat we con­ti­nu val­len voor de loze bewe­rin­gen en recla­mes die wij over­al horen? Het moet wel komen door­dat men­sen tegen­woor­dig onge­dul­dig zijn en al resul­taat wil­len zien voor­dat zij de oor­za­ken heb­ben vol­tooid, in over­een­stem­ming met het feit dat we geacht wor­den in het ato­mai­re tijd­perk te zijn.

Het boed­dhis­me leert ons om het hart en de mind te door­gron­den, die men­ta­le feno­me­nen zijn. Wat het lichaam betreft, dat is een fysiek feno­meen. Fysie­ke feno­me­nen staan onder con­tro­le van de men­ta­le feno­me­nen. Als we begin­nen met het beoe­fe­nen van medi­ta­tie en onze mind trai­nen om stil­ler en onbe­van­gen te wor­den, dan kan ik niet zien hoe we op dat moment pro­ble­men voor wie dan ook kun­nen maken. Als we blij­ven beoe­fe­nen tot­dat we vaar­dig zijn, dan zul­len we kalm en vre­dig wor­den. Als meer en meer men­sen zo zou­den beoe­fe­nen, zou er over­al ter wereld vre­de en geluk zijn. Wat het lichaam betreft, we kun­nen het lichaam alleen maar leren om vre­dig te zijn zolang de mind de vol­le­di­ge con­tro­le heeft. Op het moment dat de opmerk­zaam­heid2 afdwaalt, zal het lichaam zich weer bezig gaan hou­den met zijn oude zaken. Laten we dus pro­be­ren om de mind te trai­nen door bud­dho te her­ha­len.

Voor­be­rei­den­de Stap­pen voor het Beoe­fe­nen van Medi­ta­tie

Voor het beoe­fe­nen van medi­ta­tie op het woord bud­dho moet je begin­nen met het nemen van voor­be­rei­den­de stap­pen. Met ande­re woor­den, ver­trou­wen opwek­ken in je mind, zoals eer­der gezegd, en dan drie keer bui­gen ter­wijl je zegt:

Ara­ham samma-sambuddho bha­ga­va
– De Geze­gen­de is zui­ver en vol­le­dig zelf-ontwaakt

Bud­dham bha­ga­van­tam abhi­va­de­mi
– Voor de Geze­gen­de, de Ont­waak­te, buig ik

(Buig een keer)

Svak­kha­to bha­ga­va­ta dham­mo
– De Dham­ma is goed onder­we­zen door de Geze­gen­de

Dham­mam namas­sa­mi
­­- Voor de Dham­ma buig ik

(Buig één keer)

Supa­ti­pan­no bha­ga­va­to savaka-sangho
– De Orde van de dis­ci­pe­len van de Geze­gen­de heb­ben zich juist gedra­gen

Sang­ham nama­mi
– Voor de Orde buig ik

(Buig één keer)

Namo tas­sa bha­ga­va­to ara­ha­to samma-sambuddhassa. (Drie keer)

(Denk aan de kwa­li­tei­ten van de Boed­dha, de voor­aan­staan­de leraar van de wereld, los­ge­ko­men van lij­den en ver­ont­rei­ni­gin­gen3 van alle soor­ten, altijd sereen en zeker. Buig dan drie keer)

Note: Deze voor­be­rei­den­de stap­pen zijn een heel sim­pel voor­beeld. Er is niks mis met meer chan­ten dan dit als je meer te chan­ten hebt, maar je hoort wel te bui­gen voor de Boed­dha als eer­ste stap voor­dat je gaat medi­te­ren, behal­ve als de plaats waar je medi­teert niet bevor­de­rend is.***

Nu dan, ga zit­ten in medi­ta­tie, je rech­ter­been over je lin­ker, je hand­pal­men naar boven in je schoot, je rech­ter­hand over je lin­ker. Zit recht­op. Her­haal het woord bud­dho in je mind, richt je opmerk­zaam­heid op het mid­den van je borst, bij je hart. Laat je opmerk­zaam­heid niet afdwa­len naar voren of naar ach­te­ren. Hou je mind met opmerk­zaam­heid op zijn plaats, ste­vig ver­an­kerd in zijn één­pun­tig­heid, en je zult con­cen­tra­tie berei­ken.

Al je con­cen­tra­tie bereikt, kan het zo zijn dat je mind zo leeg wordt dat je niet eens meer weet hoe lang je al zit. Op het moment dat je uit de con­cen­tra­tie komt kun­nen vele uren voor­bij zijn gegaan. Om die reden moet je jezelf geen tijds­li­miet opleg­gen als je zit te medi­te­ren. Laat de din­gen op hun beloop.

De mind in ware con­cen­tra­tie is de mind in een staat van één­pun­tig­heid. Als de mind nog niet de staat van één­pun­tig­heid heeft bereikt, dan is de mind nog niet gecon­cen­treerd, want het ware hart is maar enkel­vou­dig. Als er vele men­ta­le sta­ten zijn, dan heb je het hart nog niet door­grond. Je hebt dan alleen de mind bereikt.

Voor­dat je begint met het beoe­fe­nen van medi­ta­tie moet je het ver­schil leren tus­sen het hart en de mind, want deze twee din­gen zijn niet het­zelf­de. De mind is dat wat denkt en per­cep­ties en idee­ën vormt over aller­lei din­gen. Het hart is dat wat sim­pel­weg stil is en weet dat het stil is, zon­der ook maar een enke­le ande­re gedach­te te vor­men.

Alle weten­schap en alle ver­ont­rei­ni­gin­gen kun­nen opko­men omdat de mind denkt en idee­ën vormt en rond­zwerft op zoek naar hen. Je zult de din­gen hel­der, dui­de­lijk zien met je eigen hart zodra de mind stil wordt en het hart bereikt.

Water is van natu­re schoon en hel­der. Als iemand kleur­stof in het water doet, dan zal het water kleu­ren in de kleur van de kleur­stof. Maar zodra het water gefil­terd en gedes­til­leerd is, is het weer schoon en hel­der, net als daar­voor. Dit is een ana­lo­gie voor het hart en de mind.

Eigen­lijk heeft de Boed­dha onder­we­zen dat de mind iden­tiek is aan het hart. Als er geen hart is, dan is er geen mind. De mind is een voor­waar­de. Het hart zelf heeft geen voor­waar­den. Bij het beoe­fe­nen van medi­ta­tie, onge­acht de leraar of metho­de, geldt: als het een juis­te beoe­fe­ning is, dan zal je het hart moe­ten door­gron­den.

Als je je hart bereikt, dan zul je alle ver­ont­rei­ni­gin­gen zien, want de mind ver­za­melt alle ver­ont­rei­ni­gin­gen in zich­zelf. Dus hoe je hier mee omgaat is aan jou.

Als art­sen een ziek­te gaan gene­zen, dan zul­len ze eerst de oor­zaak van de ziek­te moe­ten vin­den. Dan pas kun­nen ze de ziek­te met de juis­te medi­cij­nen behan­de­len.

Als we lan­ger en lan­ger gaan medi­te­ren, bud­dho, bud­dho, bud­dho her­ha­lend, zal de mind lang­zaam de aflei­din­gen en onrust laten gaan en zich ver­za­me­len om bij bud­dho te blij­ven. De mind zal ste­vig ver­an­kerd blij­ven, zich alleen met bud­dho bezig­hou­den, tot­dat je ziet dat het­geen dat bud­dho zegt ten alle tij­de gelijk is aan de mind zelf, onge­acht of je nou zit, staat, loopt of ligt. Onge­acht je acti­vi­teit zul je de mind hel­der en dui­de­lijk zien met bud­dho. Zodra je dit sta­di­um hebt bereikt, hou de mind daar dan zolang als je kan. Wees niet gehaast om dit of dat te wil­len zien , want ver­lan­gen is het groot­ste obsta­kel voor de gecon­cen­treer­de mind. Zodra ver­lan­gen opkomt, zal de con­cen­tra­tie met­een ach­ter­uit­gaan, want de basis van je con­cen­tra­tie – bud­dho – is niet soli­de. Als dit gebeurt, dan kun je je niet vast­hou­den aan een fun­da­ment, en zul je erg boos wor­den. Het eni­ge waar je nog aan kunt den­ken is het sta­di­um van con­cen­tra­tie waar­in je zo kalm en blij was en dat maakt de mind alleen maar meer opge­won­den.

Beoe­fen medi­ta­tie op dezelf­de manier als boe­ren hun rijst ver­bou­wen. Ze heb­ben geen haast, ze strooi­en het zaad, ploe­gen, plan­ten de zaai­lin­gen, stap voor stap, zon­der ook maar een stap over te slaan. Dan wach­ten ze tot­dat de plan­ten groei­en. Zelfs als ze de rijst nog niet zien ver­schij­nen, heb­ben ze het ver­trou­wen dat de rijst wel op een dag zal komen. Zodra de rijst ver­schijnt, zijn ze ervan over­tuigd dat ze resul­taat zul­len oog­sten. Ze trek­ken niet aan de rijst­plan­ten om te pro­be­ren de rijst snel­ler te laten ver­schij­nen. Ieder­een die dat zou doen, zou zon­der enig resul­taat ein­di­gen.

Het­zelf­de geldt voor medi­ta­tie: je kunt geen haast heb­ben. Je kunt niet een van de stap­pen over­slaan. Je moet jezelf er vol­le­dig van over­tui­gen met “dit is het medi­ta­tie­woord dat mijn mind met zeker­heid gecon­cen­treerd zal maken.” Twij­fel er niet aan dat het medi­ta­tie­woord juist is voor jouw tem­pe­ra­ment, en denk niet “die per­soon heeft dit medi­ta­tie­woord gebruikt met deze en deze resul­ta­ten, maar als ik het gebruik dan komt mijn mind niet tot rust. Het werkt hele­maal niet voor mij.” Eigen­lijk is het zo dat, als de mind stand­vas­tig gericht is op het meditatie-woord dat je her­haalt, het onge­acht het woord zeker zal wer­ken – want je her­haalt het woord sim­pel­weg om de mind vast en sta­biel te maken, dat is alles. Ver­de­re resul­ta­ten han­gen alle­maal af van de indi­vi­du­e­le poten­ti­ë­le moge­lijk­he­den en capa­ci­tei­ten.

In de tijd van de Boed­dha was er een mon­nik die zat te medi­te­ren naast een vij­ver waar hij een rei­ger een duik zag maken om een vis te van­gen en op te eten. Hij nam dat als zijn meditatie-onderwerp tot het hem luk­te om Ara­hant te wor­den. Ik heb in nog geen enkel medi­ta­tie­hand­boek gele­zen dat een rei­ger die vis eet gebruikt kan wor­den als meditatie-onderwerp, maar hem luk­te het om dit te gebrui­ken als medi­ta­tie tot­dat hij Ara­hant­schap bereik­te – en dat illu­streert wat ik net heb gezegd.

Als de mind bin­nen de gren­zen van het medi­ta­tie­woord bud­dho wil blij­ven, met opmerk­zaam­heid in con­tro­le, dan is het zeker dat hij uit zijn rebels­heid zal groei­en. We moe­ten hem trai­nen en beteu­ge­len, want we zijn op zoek naar vre­de en tevre­den­heid voor de mind. Nor­maal gespro­ken heeft de mind de nei­ging om zich bezig te hou­den met het zoe­ken naar aflei­ding, zoals ik al heb uit­ge­legd, en voor het groot­ste deel wijkt de mind uit naar dit soort din­gen: als we begin­nen met medi­te­ren op bud­dho, bud­dho, bud­dho, zodra we de mind rich­ten op bud­dho, dan blijft hij daar niet. Hij rent weg om te den­ken aan werk dat we nog gaan doen of nog niet afge­maakt heb­ben. De mind denkt aan dit doen en dat doen tot­dat hij hele­maal opge­won­den raakt, bang dat het werk niet goed komt of niet lukt. Het werk dat we van een ander moe­ten doen of dat we van ons­zelf moe­ten doen zal vast ver­lo­ren tijd zijn of voor gezichts­ver­lies zor­gen als we het niet pre­cies zo doen als ons is opge­dra­gen…

Dit is een van de aflei­din­gen die er voor zorgt dat nieu­we beoe­fe­naars geen con­cen­tra­tie berei­ken. Je moet je mind terug roe­pen naar bud­dho, bud­dho, bud­dho en jezelf ver­tel­len “dit soort gedach­ten zijn niet de weg naar vre­de; het ware pad naar vre­de is de mind hou­den bij bud­dho, en niets anders” – en dan bud­dho, bud­dho, bud­dho blij­ven her­ha­len…

Na een moment zal de mind weer rond gaan zwer­ven, dit keer naar je fami­lie – je kin­de­ren, je vrouw of man: hoe gaat het tus­sen ons? Zijn ze gezond? Eten ze wel goed? Als je ver van elkaar bent, dan vraag je je af waar ze zijn, wat ze eten. Zij die weg zijn van thuis den­ken aan dege­nen thuis. Zij die thuis zijn den­ken aan dege­nen die ver weg zijn – bang dat ze niet vei­lig zijn, dat ande­re men­sen hen zul­len las­tig­val­len, dat ze geen vrien­den heb­ben, dat ze hele­maal alleen zijn – den­kend op 108 ver­schil­len­de manie­ren, wat de mind maar kan beden­ken, alle­maal over­drij­vin­gen van de waar­heid.

Of als je nog jong bent en sin­gle, dan denk je aan het ple­zier heb­ben met je vrien­den – de plek­ken waar jul­lie samen heen gin­gen, de leu­ke tij­den die jul­lie heb­ben gehad, de din­gen die jul­lie vroe­ger deden – tot het moment komt waar­op je zelfs wat gaat zeg­gen of hard­op moet lachen. Dit soort ver­ont­rei­ni­ging is de erg­ste van het stel.

Als je aan het medi­te­ren bent op bud­dho, bud­dho, bud­dho, dan zie je aan de ver­ont­rei­ni­gin­gen dat de situ­a­tie uit de hand loopt en dat je dreigt aan hun con­tro­le te ont­snap­pen, en dus gaan ze steeds op zoek naar din­gen om je nog vas­ter te bin­den. Nog nooit, niet sinds de dag van je geboor­te, heb je ooit con­cen­tra­tie beoe­fend. Je hebt de mind sim­pel­weg de stem­min­gen van de ver­ont­rei­ni­gin­gen laten vol­gen. Nu pas ben je begon­nen met beoe­fe­nen, dus als je bud­dho, bud­dho, bud­dho her­haalt om de mind tot rust te laten komen met bud­dho, dan zal hij pro­be­ren weg te kron­ke­len, zoals een vis pro­beert terug het water in de kron­ke­len als hij op het land gegooid wordt. Dus je moet de mind terug­roe­pen naar bud­dho.

Bud­dho is iets koels en kalms. Het is het pad dat voor het opko­men van vre­de en tevre­den­heid zorgt – het eni­ge pad dat ons van het lij­den en de stress in de wereld zal bevrij­den.

Dus je roept de mind terug naar bud­dho. Dit keer begint hij tot rust te komen. Zodra je voelt dat hij op zijn plaats blijft, begin je te mer­ken dat als de mind op zijn plaats blijft, hij uit­ge­rust en op zijn gemak is, op een ande­re manier dan als hij niet stil is, als hij rus­te­loos en gea­gi­teerd is. Je besluit om voor­zich­tig en alert de mind in die toe­stand te hou­den… Oeps. Daar gaat hij weer. Dit keer neemt hij je finan­ci­ë­le inte­res­ses als excuus, zeg­gend dat als je dit niet doet of dat niet zoekt, je een gro­te kans gaat mis­sen. Dus richt je je mind daar­op in plaats van op je medi­ta­tie­woord. En waar bud­dho is geble­ven, daar­over heb je geen idee. Op het moment dat je je ein­de­lijk rea­li­seert dat bud­dho ver­dwe­nen is, is het al te laat – daar­om zeg­gen ze dat de mind rus­te­loos, glib­be­rig, en moei­lijk te con­tro­le­ren is, net als een aap die nooit stil kan zit­ten.

Soms, als je lang in medi­ta­tie hebt geze­ten, begin je je zor­gen te maken over dat je bloed niet meer goed stroomt, dat je zenu­wen zul­len ster­ven door een tekort aan bloed en je uit­ein­de­lijk ver­lamd zult raken. Als je ver van thuis of in een bos medi­teert, dan is het nog erger: je bent bang dat slan­gen je zul­len bij­ten, tij­gers je zul­len eten, of spo­ken je zul­len ach­ter­vol­gen, alle­maal enge gezich­ten trek­kend. Je angst voor de dood kan op aller­lei manie­ren naar je fluis­te­ren, alle­maal niets meer dan geval­len van jou die jezelf bang maakt. De waar­heid is hele­maal niet zo als je je voor­stelt. Nooit, niet van­af de dag van je geboor­te, heb je gezien dat een tij­ger een mens at. Je hebt nog nooit spo­ken gezien – je weet niet eens hoe ze eruit zou­den moe­ten zien, maar je cre­ëert beel­den om jezelf bang te maken.

De obsta­kels voor medi­ta­tie die hier wor­den genoemd zijn enkel voor­beel­den. In het echt zijn er veel, veel meer. Dege­nen die medi­te­ren, zul­len dit voor zich­zelf vast­stel­len.

Als je bud­dho dicht bij het hart houdt, en je opmerk­zaam­heid gebruikt om de mind met niks anders dan bud­dho te laten zijn, dan zal er geen gevaar je kant op komen. Wees dus vol ver­trou­wen in bud­dho. Ik ver­ze­ker je dat er geen enkel gevaar zal zijn – behal­ve als je in het ver­le­den slecht kam­ma hebt laten ont­staan, dat is boven ieders macht om je van te bescher­men. Zelfs de Boed­dha zelf kan je daar­te­gen niet bescher­men.

Wan­neer men­sen begin­nen met medi­te­ren, is hun ver­trou­wen nog zwak. Onge­acht wat het meditatie-onderwerp is, dit soort ver­ont­rei­ni­gin­gen zul­len zich er zeker mee gaan bemoei­en, want deze ver­ont­rei­ni­gin­gen vor­men de basis van de wereld en van onze mind. Op het moment dat we medi­te­ren en de mind één-puntig maken, zien de ver­ont­rei­ni­gin­gen dat we ze ach­ter ons gaan laten, dus dui­ken ze van alle kan­ten op, zodat we niet aan de wereld kun­nen ont­snap­pen.

Wan­neer we zien hoe seri­eus en scha­de­lijk ze daad­wer­ke­lijk zijn, moe­ten we onze mind oprecht maken en ons ver­trou­wen soli­de en sterk, ons­zelf ver­tel­lend dat we ons al tal­lo­ze levens in de maling heb­ben laten nemen door in de ver­ont­rei­ni­gin­gen te gelo­ven; het is nu tijd dat we in de leer van de Boed­dha dur­ven gelo­ven en bud­dho als toe­vlucht nemen. Dan maken we de opmerk­zaam­heid soli­de en rich­ten we de mind ste­vig op bud­dho. We geven onze levens aan bud­dho en zul­len onze mind er niet van­af laten glij­den. Wan­neer we zo een com­mit­ment maken, zal de mind met­een in één-puntigheid gera­ken en con­cen­tra­tie berei­ken.

Wan­neer je voor het eerst con­cen­tra­tie bereikt, is dit hoe het is: je zult geen idee heb­ben hoe één-puntigheid of con­cen­tra­tie aan zal voe­len. Je bent alleen bezig je opmerk­zaam­heid ste­vig op een object te rich­ten – en de kracht van een mind die ste­vig op een object gericht is, is wat je tot het berei­ken van con­cen­tra­tie zal bren­gen. Je zult hele­maal niet bezig zijn met dat con­cen­tra­tie zus of zo zou moe­ten zijn, of dat je wilt dat het zus of zo is. Het zal zijn eigen weg vin­den, auto­ma­tisch. Nie­mand kan dat for­ce­ren.

Op dat moment zal het zo voe­len als­of je in een ande­re wereld (de wereld van de mind) bent, met een gevoel van gemak en afzon­de­ring waar niks in de wereld mee te ver­ge­lij­ken is. Als de mind zich terug­trekt uit con­cen­tra­tie, dan zul je spijt heb­ben dat die stem­ming voor­bij is, en je zult het je dui­de­lijk her­in­ne­ren. Alles wat we zeg­gen over con­cen­tra­tie komt van een mind die zich terug­ge­trok­ken heeft uit die toe­stand. Zolang hij nog in die toe­stand ver­keert, zijn we niet geïn­te­res­seerd in wat iemand anders zegt of doet.

Je moet de mind trai­nen om vaak in dit soort con­cen­tra­tie terecht te komen, zodat je er vaar­dig en bedre­ven in wordt, maar pro­beer niet je de toe­stan­den van con­cen­tra­tie uit het ver­le­den te her­in­ne­ren, en laat jezelf niet wil­len dat de con­cen­tra­tie is zoals voor­heen – want dat zal niet zo zijn, en je cre­ëert zo alleen maar meer pro­ble­men voor jezelf. Over­peins sim­pel­weg bud­dho, bud­dho, bud­dho, en hou je mind bij je men­ta­le her­ha­ling. Wat hij dan uit­voert is zijn eigen pro­bleem.

Nadat de mind voor het eerst con­cen­tra­tie heeft bereikt, zal het de vol­gen­de keer niet het­zelf­de zijn, maar maak je daar geen zor­gen over. Hoe het ook zal zijn, maak je er geen zor­gen over. Zorg er alleen maar voor dat je de mind gecon­cen­treerd krijgt. Wan­neer de resul­ta­ten op vele ver­schil­len­de manie­ren zul­len ver­schij­nen, zal je begrip ver­bre­den en zal je vele ver­schil­len­de tech­nie­ken ont­wik­ke­len om met de mind te dea­len.

Wat ik hier heb genoemd moet enkel als een voor­beeld wor­den gezien. Als je deze aan­wij­zin­gen volgt, hecht er dan niet teveel waar­de aan, want dan zul­len ze ver­an­de­ren in ver­wij­zin­gen naar het ver­le­den, en je medi­ta­tie zal ner­gens meer komen. Her­in­ner je ze sim­pel­weg als ver­ge­lij­kings­ma­te­ri­aal voor als je eigen medi­ta­tie voor­uit begint te gaan.

Onge­acht de metho­de die je volgt – bud­dho, het op en neer gaan, of sam­ma ara­ham – als de mind tot rust begint te komen in de con­cen­tra­tie,  zal je niet den­ken dat de mind tot rust aan het komen is, of tot rust komt, of wat dan ook. Hij zal van­zelf, auto­ma­tisch, tot rust komen. Je zult niet eens weten wan­neer je je medi­ta­tie­woord hebt laten gaan. De mind zal sim­pel­weg een apar­te stil­te en vre­de heb­ben die niet van deze wereld of een ande­re wereld is of iets der­ge­lijks. Er is niets en nie­mand, alleen de mind zijn apar­te toe­stand, die de wereld van de mind wordt genoemd. In die toe­stand zal er geen woord ‘wereld’ of iets anders zijn. De con­ven­ti­o­ne­le rea­li­tei­ten van de wereld komen daar niet voor, en dus zal geen enkel inzicht daar opko­men. Het doel is sim­pel­weg dat je de mind traint om gecon­cen­treerd te zijn en hem dan te ver­ge­lij­ken met de mind die niet gecon­cen­treerd is. Zo kun je zien hoe ze ver­schil­len, hoe de mind die con­cen­tra­tie heeft bereikt en zich dan daar­uit terug­trekt om de aan­ge­le­gen­he­den in de wereld en de Dham­ma te over­pein­zen, ver­schilt van de mind die geen con­cen­tra­tie heeft bereikt.

Het hart en de mind. Laten we nog wat meer pra­ten over het hart en de mind, zodat je dat zal begrij­pen. Immers, we heb­ben het over het trai­nen van de mind om con­cen­tra­tie te berei­ken: als je de rela­tie tus­sen het hart en de mind niet begrijpt, zul je niet weten waar en hoe je con­cen­tra­tie kunt beoe­fe­nen.

Ieder­een die gebo­ren is – mens of dier – heeft een hart en een mind, maar het hart en de mind heb­ben ver­schil­len­de taken. De mind denkt, en vormt aller­lei soor­ten idee­ën, in over­een­stem­ming met waar de ver­ont­rei­ni­gin­gen hem heen lei­den. Wat het hart betreft, dat is sim­pel­weg het­geen dat weet. Het vormt hele­maal geen idee­ën. Het is neu­traal – in het mid­den – met betrek­king tot alles. De neu­tra­le bewust­wor­ding: dat is het hart.

Het hart heeft geen lichaam. Het is een men­taal feno­meen. Het is sim­pel­weg bewust­wor­ding. Je kunt het over­al plaat­sen. Het ligt niet bin­nen of bui­ten het lichaam. Als we het hart de hart­spier noe­men, dan is dat niet het ware hart. Het is sim­pel­weg een orgaan om bloed in het lichaam rond te pom­pen om het in leven te hou­den. Als de hart­spier geen bloed door het lichaam pompt, kan je niet in leven blij­ven.

Men­sen in het alge­meen spre­ken altijd over: “Mijn hart voelt geluk­kig… droe­vig… zwaar… licht… ter­neer­ge­sla­gen…” Alles is een zaak van het hart. Abhi­d­ham­ma experts, ech­ter, spre­ken in ter­men van de mind: de mind in een heil­za­me toe­stand, de mind in een onheil­za­me toe­stand, de mind in een neu­tra­le toe­stand, de mind op het niveau van vor­men, de mind op het vorm­lo­ze niveau, de mind op het getrans­cen­deer­de niveau, enzo­voort, maar geen van hen weet hoe het ech­te hart en de ech­te mind zijn.

De mind is wat denkt en idee­ën vormt. Hij moet gebruik maken van de zes zin­tui­gen als werk­tui­gen. Zodra het oog een visu­eel object ziet, het oor een geluid hoort, de neus een geur ruikt, de tong een smaak proeft. Het lichaam in con­tact komt met een tac­tie­le sen­sa­tie – koud, warm, hart of zacht – of het intel­lect denkt of een idee heeft in over­een­stem­ming met de ver­ont­rei­ni­gin­gen, goed of slecht: als een van deze din­gen goed is, dan is de mind blij; al ze slecht zijn, is hij onte­vre­den. Dit zijn alle­maal zaken van de mind, of van de ver­ont­rei­ni­gin­gen. Behal­ve de zes zin­tui­gen is er niks waar de mind gebruik van kan maken. In de tek­sten wor­den ze gea­na­ly­seerd in de zes facul­tei­ten, de zes ele­men­ten, de zes vor­men van con­tact, als aller­lei ande­re din­gen, maar al deze din­gen lig­gen bin­nen de zes zin­tui­gen. Dit zijn dus ken­mer­ken van de mind: dat wat nooit stil kan zit­ten.

Wan­neer je de mind traint – of, in ande­re woor­den, con­cen­tra­tie beoe­fent – moet je de con­tro­le over de mind zien te krij­gen die aan alle kan­ten de zes zin­tui­gen ach­ter­na kron­kelt, zoals al uit­ge­legd, en ervoor zor­gen dat hij stil komt te staan bij een ding: zijn medi­ta­tie­woord bud­dho. Laat hem niet naar voren of naar ach­ter zwer­ven. Laat hem stil­staan, en weet dat hij stil­staat: dat is het hart. Het hart heeft niks te maken met een van de zes zin­tui­gen, daar­om noem je het het hart.

Wan­neer men­sen in het alge­meen pra­ten over het hart of iets der­ge­lijks, refe­re­ren ze naar het cen­trum daar­van. Zelfs als ze over hun eigen hart pra­ten, dan wij­zen ze naar het mid­den van de borst. In het echt ligt het hart hele­maal niet op een spe­ci­fie­ke plek – zoals ik al heb uit­ge­legd – hoe­wel het wel in het mid­den van alles ligt.

Als je wilt begrij­pen wat het hart is, dan kun je het vol­gen­de expe­ri­ment pro­be­ren. Adem diep in en hou je adem een moment vast. Op dat moment zal er niks anders zijn dan een ding: neu­tra­le bewust­wor­ding. Dat is het hart. Of ‘het­geen dat weet’. Maar als je pro­beert het hart op deze manier te van­gen, dan kun je er niet lang aan vast hou­den – alleen zolang je je adem kan inhou­den – maar je kunt eens een poging wagen, gewoon om te zien hoe het ware hart is.

(Je adem inhou­den kan hel­pen bij het redu­ce­ren van fysie­ke pijn. Men­sen die veel pijn heb­ben moe­ten hun adem inhou­den als een manier – een best effec­tie­ve manier – om de pijn tegen te gaan.)

Als je je een­maal rea­li­seert dat het hart en de mind op deze manier ver­schil­len­de taken en eigen­schap­pen heb­ben, zal je het mak­ke­lij­ker vin­den om je mind te trai­nen. Eigen­lijk zijn het hart en de mind het­zelf­de ding. Zoals de Boed­dha zei, de mind is iden­tiek aan het hart. Als we con­cen­tra­tie beoe­fe­nen, dan is dat genoeg om de mind te trai­nen, zodra de mind getraind is, is dat waar we het hart zul­len zien.

Zodra de mind vol­le­dig getraind is door opmerk­zaam­heid te gebrui­ken om hem als eni­ge bezig­heid bij bud­dho te hou­den, zal hij niet meer aller­lei din­gen ach­ter­na dolen, in plaats daar­van zal hij zich ver­za­me­len in een­heid. Het medi­ta­tie­woord zal ver­dwij­nen zon­der dat je je daar bewust van bent, en je zult een gevoel van vre­de en gemak heb­ben dat ner­gens door kan wor­den geë­ve­naard. Dege­nen die nog nooit zo een gemak heb­ben gevoeld, als zij dit voor het eerst erva­ren, zul­len het niet kun­nen beschrij­ven, want nie­mand anders in de wereld heeft ooit zo een vorm van vre­de en gemak erva­ren. Zelfs al heb­ben ande­re men­sen het erva­ren, is het niet het­zelf­de. Om deze reden vind je het moei­lijk om het te beschrij­ven – hoe­wel je het wel aan jezelf kan beschrij­ven. Als je het pro­beert aan ande­ren te beschrij­ven, dan zal je ver­ge­lij­kin­gen en voor­beel­den moe­ten gebrui­ken om ze het te laten begrij­pen. Dit soort din­gen zijn per­soon­lijk: alleen jij kunt ze voor jezelf weten.

Boven­dien, als je in voor­gaan­de levens een hoop poten­ti­ë­le moge­lijk­he­den hebt opge­bouwd, dan zul­len er aller­lei ver­ba­zing­wek­ken­de din­gen gebeu­ren. Zo kun je bij­voor­beeld ken­nis over hemel­se wezens of hon­ge­ri­ge gees­ten ver­krij­gen. Je kunt je eigen ver­le­den en toe­komst te weten komen, en dat van ande­ren: in dat spe­ci­fie­ke leven was je zo; in de toe­komst zul je zo zijn. Zelfs als je niet van plan was dit soort din­gen te weten te komen, als de mind con­cen­tra­tie bereikt dan kan hij uit zich­zelf op een ver­ba­zing­wek­ken­de manier weten.

Het zijn dit soort din­gen die begin­nen­de beoe­fe­naars soms heel erg fas­ci­ne­ren. Wan­neer het ze over­komt, dan schep­pen ze daar tegen ande­ren over op. Wan­neer die men­sen pro­be­ren te medi­te­ren, maar niet deze ken­nis of vaar­dig­he­den ont­wik­ke­len, raken ze ont­moe­digd, en den­ken dat ze niet de ver­dien­sten of de poten­ti­ë­le moge­lijk­heid heb­ben om te medi­te­ren, en ze ver­lie­zen ver­trou­wen in de beoe­fe­ning.

En wat dege­nen betreft die dit soort din­gen zien, als deze ken­nis of vaar­dig­heid ver­val­len – omdat ze door exter­ne din­gen zijn afge­leid en niet het hart als basis heb­ben geno­men – zij zul­len niks meer te pak­ken kun­nen krij­gen. Wan­neer ze aan de din­gen die ze vroe­ger wis­ten den­ken, raakt hun mind alleen maar meer in beroe­ring. Men­sen die ervan hou­den om op te schep­pen, nemen de oude din­gen die ze vroe­ger zagen, en pra­ten er in gloed­vol­le bewoor­din­gen over. Gre­ti­ge luis­te­raars hou­den er erg van om naar dit soort din­gen te luis­te­ren, maar niet-gretige beoe­fe­naars zijn niet onder de indruk – want ware beoe­fe­naars luis­te­ren alleen graag naar din­gen uit het heden en din­gen die waar zijn.

De Boed­dha onder­wees dat of zijn leer tot bloei zal komen of zal ver­gaan, afhangt van hen die de leer beoe­fe­nen. De leer ver­gaat als beoe­fe­naars maar een heel klein beet­je ken­nis ver­krij­gen en dan daar­mee bij ande­ren gaan opschep­pen, pra­tend over exter­ne sub­stan­tie­lo­ze din­gen, in plaats van de basis­prin­ci­pes van medi­ta­tie uit te leg­gen. Wan­neer ze dit doen, zor­gen ze voor het ver­gaan van de reli­gie zon­der zich daar zelfs bewust van te zijn.

Zij die ervoor zor­gen dat de reli­gie tot bloei komt zijn dege­nen die spre­ken over din­gen die bruik­baar en waar zijn. Ze spre­ken niet gewoon voor het ple­zier. Ze spre­ken in ter­men van oor­zaak en gevolg: “Wan­neer je zo medi­teert, het medi­ta­tie­woord op deze manier her­ha­lend, zal het ervoor zor­gen dat je mind zich in een­heid ver­za­melt en dat de ver­ont­rei­ni­gin­gen en rus­te­loos­heid zo uit­do­ven…”

Wan­neer je op het woord bud­dho medi­teert, wees gedul­dig. Heb geen haast. Heb ver­trou­wen in je medi­ta­tie­woord en gebruik opmerk­zaam­heid om de mind bij zijn bud­dho te hou­den. Je ver­trou­wen is wat je mind ste­vig en onver­stoor­baar maakt, hem de moge­lijk­heid geeft om al zijn twij­fel en onze­ker­he­den te laten gaan. De mind zal zich in het medi­ta­tie­woord ver­za­me­len, en opmerk­zaam­heid zal hem te allen tij­de uit­slui­tend bij bud­dho hou­den. Of je nou zit, staat, loopt of ligt, of wat voor werk je ook doet, opmerk­zaam­heid zal alleen gericht zijn op bud­dho. Als je opmerk­zaam­heid nog zwak is, en je nog maar wei­nig tech­nie­ken hebt, moet je bud­dho vast­hou­den als je fun­da­ment. Anders zal je medi­ta­tie niet voor­uit gaan; en zelfs als het voor­uit zou gaan, zou het geen fun­da­ment heb­ben.

Om een sterk­te con­cen­tra­tie te heb­ben, moet de mind reso­luut zijn. Wan­neer opmerk­zaam­heid sterk is en de mind reso­luut, dan bepaal jij dat dit is wat je wilt: “Als ik bud­dho niet te pak­ken kan krij­gen, of bud­dho niet in mijn hart kan zien, of de mind alleen bij bud­dho kan hou­den, dan sta ik niet op uit mijn medi­ta­tie. Zelfs als mijn leven ein­digt; het maakt me niks uit.” Wan­neer je dit doet, zal de mind zich snel­ler con­cen­tre­ren dan je je rea­li­seert. Het medi­ta­tie­woord bud­dho of wat het ook is dat je dwars zat of waar je je hoofd over brak, het zal in een flits ver­dwij­nen. Zelfs je lichaam, waar je al zo lang aan gehecht bent, zal niet voor je ver­schij­nen. Het eni­ge dat over­blijft, is het hart – sim­pe­le bewust­wor­ding – koel, kalm en in rust.

Men­sen die medi­te­ren, hou­den er heel erg van als dit gebeurt. De vol­gen­de keer wil­len ze dat het weer gebeurt, en daar­om lukt het niet meer. Dat komt omdat ver­lan­gen het ver­hin­dert. Con­cen­tra­tie is iets heel sub­tiels en gevoe­ligs. Je kunt niet for­ce­ren dat het zus of zo is – en tege­lij­ker­tijd kan je de mind ook niet dwin­gen om niet de con­cen­tra­tie in te gaan.

Als je onge­dul­dig bent, kom je nog meer met de din­gen in aan­va­ring. Je moet heel gedul­dig zijn. Of de mind nou con­cen­tra­tie zal gaan berei­ken of niet, je hebt in het ver­le­den op bud­dho geme­di­teerd, dus blijf je op bud­dho medi­te­ren. Han­del als­of je nog nooit op bud­dho hebt geme­di­teerd. Maak de mind neu­traal en gelijk­ma­tig, laat elke adem­ha­ling zacht­jes stro­men, en gebruik je opmerk­zaam­heid om de mind op bud­dho, en niks anders, te rich­ten. Wan­neer de tijd is geko­men voor de mind om de con­cen­tra­tie in te gaan, zal hij dit zelf doen. Je kunt de manier waar­op dit gebeurt niet plan­nen. Als het iets zou zijn dat je kon plan­nen, waren alle men­sen in de wereld al lang gele­den Ara­hant gewor­den.

Weten hoe je moet medi­te­ren, maar het niet op de juis­te manier doen; het ooit juist te heb­ben gedaan, en wil­len dat het weer zo zal zijn, en toch gebeurt dat niet: al deze din­gen zijn obsta­kels bij het beoe­fe­nen van con­cen­tra­tie.

Bij het medi­te­ren op bud­dho moet je zo wor­den dat je snel en bedre­ven bent. Wan­neer een goe­de of een slech­te stem­mig je treft, moet je met­een de con­cen­tra­tie in kun­nen gaan. Laat de mind niet door de stem­ming wor­den geraakt.

Wan­neer je zo beoe­fend hebt dat je bedre­ven bent en het op deze manier erva­ren hebt, zul je mer­ken dat je ver­ont­rei­ni­gin­gen en gehecht­he­den aan alle din­gen lang­zaam uit zich­zelf ver­dwij­nen. Het is niet nodig dat je die of die ver­ont­rei­ni­ging uit de weg ruimt, jezelf ver­tel­len­de dat die of die ver­ont­rei­ni­ging met die en die leer of die en die metho­de ver­wij­derd moe­ten wor­den. Wees tevre­den met de metho­de die voor jou werkt. Dat is meer dan genoeg.

De ver­ont­rei­ni­gin­gen gaan­de­weg doen ver­dwij­nen met de metho­de die ik zojuist heb uit­ge­legd is beter dan te pro­be­ren het vol­gen­de voor elkaar te krij­gen: het ingaan van de vier niveaus van absorp­tie, met het ophou­den van begin­nen­de focus, aan­hou­den­de focus, enthou­si­as­me voor het object, ple­zier, alleen één­pun­tig­heid en gelijk­moe­dig­heid; of te pro­be­ren het eer­ste sta­di­um van het pad naar Nib­ba­na voor elkaar te krij­gen door het laten ophou­den van ziens­wij­zen betref­fen­de de zelf-identiteit, onze­ker­heid, en hech­ting aan riten en ritu­e­len; of door het kij­ken naar de ver­schil­len­de ver­ont­rei­ni­gin­gen, tegen jezelf zeg­gen­de “Die ver­ont­rei­ni­ging kon ik op die en die manier over­pein­zen, dus ben ik die ver­ont­rei­ni­ging over­ste­gen. Ik heb zo en zo veel ver­ont­rei­ni­gin­gen over. Als ik ze op deze en deze manier kan over­pein­zen, dan zul­len mijn ver­ont­rei­ni­gin­gen tot een ein­de komen” – maar je rea­li­seert je niet dat de toe­stand van de mind die deze din­gen wil zien en berei­ken een ver­ont­rei­ni­ging is die ste­vig in de mind zit ver­an­kerd. Wan­neer je klaar bent met over­pein­zen dan is de mind terug in zijn oor­spron­ke­lij­ke toe­stand, en heeft de mind niks ver­kre­gen. Daar­bij komt dat als iemand langs­komt en iets zegt dat ingaat tegen de manier waar­op je din­gen ziet, de mind het er hevig mee oneens gaat wor­den, net als een bran­dend vuur waar iemand kero­si­ne in gooit.

Hou dus ste­vig vast aan je medi­ta­tie­woord, bud­dho. Zelfs als je niks anders bereikt, je hebt ten min­ste je medi­ta­tie­woord als fun­da­ment. De ver­schil­len­de bezig­he­den van de mind zul­len afne­men of zelfs ver­dwij­nen, en dat is beter dan geen enkel fun­da­ment te heb­ben om je aan vast te hou­den.

Eigen­lijk moe­ten alle beoe­fe­naars hun medi­ta­tie­woord ste­vig vast­hou­den. Alleen dan kan men over hen zeg­gen dat ze medi­te­ren met een fun­da­ment. Als hun medi­ta­tie ach­ter­uit gaat, dan zul­len ze het kun­nen gebrui­ken als iets om aan vast te hou­den.

De Boed­dha onder­wees dat men­sen die zich inspan­nen om de ver­ont­rei­ni­gin­gen los te laten zich moe­ten gedra­gen als oude krij­gers. In het ver­le­den moest men een ste­vig fort bou­wen met ster­ke muren, grach­ten, poor­ten en torens om zich te bescher­men van een vij­an­de­lij­ke aan­val. Als een intel­li­gen­te krij­ger de strijd in trok en zag dat hij geen schijn van kans maak­te, dan zou hij zich terug­trek­ken in zijn fort en het ver­de­di­gen zodat de vij­an­den het niet kon­den ver­nie­ti­gen. Tege­lij­ker­tijd zou hij genoeg man­schap­pen, wapens en voed­sel ver­za­me­len (i.e. zijn con­cen­tra­tie juist en sterk maken) en dan opnieuw de strijd tegen de vij­and aan gaan (i.e. alle vor­men van ver­ont­rei­ni­gin­gen).

Con­cen­tra­tie is een hele belang­rij­ke kracht. Als je geen con­cen­tra­tie hebt, waar zal je onder­schei­dend ver­mo­gen dan aan kracht win­nen? Het onder­schei­dend ver­mo­gen van inzicht­sme­di­ta­tie is niet iets dat door een afspraak teweeg gebracht kan wor­den.

Zelfs dege­nen waar­van gezegd wordt dat ze het Ont­wa­ken heb­ben bereikt op basis van ‘droog inzicht’: als ze geen enke­le men­ta­le stil­te heb­ben, waar zul­len ze dan inzicht ver­krij­gen? Het is enkel dat ze niet vol­le­dig mees­ter zijn gewor­den over de stil­te. Alleen als we er zo naar kij­ken word je er wij­zer van.

Wan­neer je con­cen­tra­tie soli­de en ste­vig ver­an­kerd is tot het punt waar we er naar eigen gelang in en uit kun­nen gaan, zul je er lang bij kun­nen blij­ven en het lichaam in ter­men van onaan­trek­ke­lijk­heid of in ter­men van fysie­ke ele­men­ten kun­nen over­pein­zen. Of, als je dat wil, kan je de men­sen in de wereld zo over­pein­zen dat je ze alle­maal als ske­let­ten ziet. Of je kunt de hele wereld als lege ruim­te over­pein­zen…

Zodra de mind vol­le­dig gecen­treerd is, zal onge­acht of je nou zit, staat, loopt of ligt, je mind altijd gecen­treerd zijn. Je zult zelf dui­de­lijk kun­nen zien hoe je eigen ver­ont­rei­ni­gin­gen – heb­be­rig­heid, boos­heid en onwe­tend­heid, die voort­ko­men uit de mind – ver­schij­nen van­we­ge deze of gene oor­zaak, hoe ze in deze of gene vorm blij­ven, en je zult de moge­lijk­he­den vin­den om ze los te laten met deze of gene tech­niek.

Dit is net als het water in een meer dat al hon­der­den en hon­der­den jaren oud is en plot­se­ling hel­der wordt zodat je aller­lei din­gen kunt zien die op de bodem lig­gen – din­gen waar je nog niet over had kun­nen dro­men. Dit is inzicht – de din­gen zien zoals ze daad­wer­ke­lijk zijn. Wat voor soort waar­heid ze heb­ben, dat is de waar­heid die je ziet, zon­der af te wij­ken van die waar­heid.

De mind dwin­gen om stil te zijn kan ervoor zogen dat hij de ver­ont­rei­ni­gin­gen kan laten gaan. Maar hij laat ze op dezelf­de manier gaan als een per­soon die het gras maait; alleen het stuk boven de grond afsnij­dend, zon­der de wor­tels op te gra­ven. Het is zeker dat de wor­tels opnieuw sprie­ten op laten komen als er weer regen valt. In ande­re woor­den, je ziet de scha­de die ver­oor­zaakt wordt door de bezig­he­den van de zes zin­tui­gen, maar zodra je het ziet, dan trek je je terug in stil­te zon­der deze bezig­he­den gron­dig te over­pein­zen zoals je doet wan­neer de mind in con­cen­tra­tie ver­keert. In het kort, je wilt alleen maar stil­te, zon­der eni­ge tijd te wil­len over­pein­zen – net als een hage­dis die voor zijn vei­lig­heid ver­trouwt op zijn hol. Zodra het een vij­and ziet komen rent het zijn hol in, de geva­ren alleen tij­de­lijk ont­snap­pend.

Als je de ver­ont­rei­ni­gin­gen wil ont­wor­te­len, dan, wan­neer je de ver­ont­rei­ni­gin­gen ziet die van de zes zin­tui­gen komen – bij­voor­beeld, het oog ziet een visu­eel object of het oor hoort een geluid, en con­tact wordt gemaakt wat ervoor zorgt dat je blij of onte­vre­den bent, geluk­kig of ver­drie­tig, en dan ga je je ermee bezig­hou­den, de mind troe­bel, ver­stoord en over­stuur makend, soms tot het punt waar­op je niet meer kunt eten of sla­pen, en zelfs suï­ci­de kan ple­gen – als je dit dui­de­lijk ziet, maak je con­cen­tra­tie dan ste­vig en richt je mind exclu­sief op het onder­zoe­ken van die spe­ci­fie­ke bezig­heid. Bij­voor­beeld, als het oog een aan­trek­ke­lijk visu­eel object ziet dat ervoor zorgt dat je blij bent, richt je dan op het onder­zoe­ken van alleen het gevoel van blij­heid, om uit te zoe­ken of het opkomt van­uit het oog of het visu­e­le object.

Als je het visu­e­le object onder­zoekt, zie je dat het maar een fysiek feno­meen is. Of het nou goed of slecht is, het pro­beert je er niet van te over­tui­gen om blij of onte­vre­den te zijn, of je ervan te laten hou­den of het te haten. Het is sim­pel­weg een visu­eel object dat komt en gaat in over­een­stem­ming met zijn eigen natuur.

Als je je op het oog richt dat het visu­e­le object ziet, dan vind je dat het oog op zoek gaat naar objec­ten en, zodra hij die vindt, licht weer­kaatst op de opti­sche zenu­wen om zo aller­lei visu­e­le vor­men te laten ver­schij­nen. Het oog pro­beert je niet te over­tui­gen om blij of onte­vre­den te zijn, of ergens van te hou­den of iets te haten. Zijn taak is sim­pel­weg het zien. Zodra het een visu­e­le vorm heeft gezien, ver­dwijnt die vorm.

Wat de ande­re zin­tui­gen betreft, aan­trek­ke­lijk of onaan­trek­ke­lijk, zij die­nen op pre­cies dezelf­de wij­ze onder­zocht te wor­den.

Als je de din­gen op deze manier over­peinst, zul je dui­de­lijk zien dat alle din­gen in de wereld die objec­ten van de ver­ont­rei­ni­gin­gen wor­den, dit wor­den van­we­ge de zes zin­tui­gen. Als je de zes zin­tui­gen over­peinst zodat je er niet ach­ter­aan hup­pelt, zul­len de ver­ont­rei­ni­gin­gen niet meer opko­men. Inte­gen­deel: inzicht en onder­schei­dend ver­mo­gen zul­len daar­voor in de plaats komen, alle­maal van­we­ge dezelf­de zes zin­tui­gen. De zes zin­tui­gen zijn het medi­um van het goe­de en het kwa­de. We nemen koers naar een goe­de of slech­te bestem­ming in het vol­gen­de leven van­we­ge de manier waar­op we ze gebrui­ken.

De wereld lijkt ono­ver­zich­te­lijk omdat de mind niet gecen­treerd is, en vrij is om tus­sen de objec­ten van de zes zin­tui­gen te dwa­len. De wereld wordt over­zich­te­lij­ker als de mind getraind is in con­cen­tra­tie zodat hij onder con­tro­le is en de zes zin­tui­gen uit­slui­tend bin­nen zich­zelf kan over­pein­zen. Met ande­re wor­den, wan­neer de mind vol­le­dig gecon­cen­treerd is, zul­len de naar bui­ten gerich­te zin­tui­gen – het oog dat vor­men ziet, het oor dat gelui­den hoort, etc. – hele­maal niet ver­schij­nen. Het eni­ge dat ver­schijnt, zijn de vor­men en gelui­den die uit­slui­tend men­ta­le feno­me­nen zijn van die con­cen­tra­tie. Je zult hele­maal geen opmerk­zaam­heid heb­ben voor de naar bui­ten gerich­te zin­tui­gen.

Wan­neer je con­cen­tra­tie vol­le­dig ver­ste­vigd en sterk is, zul je de wereld van de mind over­pein­zen, waar­uit zin­tuig­lijk con­tact, per­cep­ties, bezig­he­den, en alle ver­ont­rei­ni­gin­gen voort­ko­men. De mind zal zich terug­trek­ken van alles, alleen het hart over­la­tend, ofte­wel een­vou­di­ge bewust­wor­ding.

Het hart en de mind heb­ben ver­schil­len­de eigen­schap­pen. De mind is wat denkt, per­cep­ties en bezig­he­den vormt, tot op het punt van vast­grij­pen, ze vast­klam­pend aan zich­zelf. Wan­neer hij het lij­den, de scha­de en de stress ziet die voort­ko­men uit het vast­klam­pen aan alle ver­ont­rei­ni­gin­gen, dan zal hij zich terug­trek­ken van alle per­cep­ties en ver­ont­rei­ni­gin­gen. De mind is dan het hart. Dit is hoe het hart en de mind ver­schil­len.

Het hart is wat neu­traal en stil is. Het denkt hele­maal niet. Het is zich een­vou­dig bewust van de stil­te. Het hart is een waar­ach­tig neu­traal of cen­traal feno­meen. Neu­traal zon­der ver­le­den, zon­der toe­komst, niet goed, niet slecht: dat is het hart. Wan­neer we over het hart van iets spre­ken, dan bedoe­len we het cen­trum ervan. Zelfs over het men­se­lij­ke hart, dat een men­taal feno­meen is, zeg­gen wij dat het in het cen­trum van de borst­kas ligt. Maar waar het ech­te hart ligt, dat weten we niet. Pro­beer je opmerk­zaam­heid te rich­ten op welk lichaams­deel dan ook, en je zult de bewust­wor­ding van die plek voe­len. Of je kunt je opmerk­zaam­heid bui­ten het lichaam rich­ten – op een paal of een muur van een huis bij­voor­beeld – en dan dat is de plek waar je je bewust van wordt.

We kun­nen dus con­clu­de­ren dat het ware hart stil en neu­tra­le bewust­wor­ding is. Waar neu­tra­le bewust­wor­ding is, dat is waar het hart zich bevindt.

Wan­neer men­sen in het alge­meen spre­ken over het hart, dan is dat niet het ware hart. Het is sim­pel­weg een set spie­ren en klep­pen om het bloed door het lichaam de pom­pen om het in leven te hou­den. Als deze pomp het bloed niet door het lichaam pompt, dan kan het lichaam niet leven. Dan zal het moe­ten ster­ven. Het­zelf­de geldt voor de her­sens. De mind denkt aan goed en slecht door de her­se­nen als werk­tuig te gebrui­ken. Het zenuw­stel­sel van de her­se­nen is een fysiek feno­meen. Wan­neer de ver­schil­len­de cau­sa­le fac­to­ren weg wor­den gesne­den, dan kan dit fysie­ke feno­meen niet blij­ven. Het moet stop­pen.

Maar wat de mind betreft, een men­taal feno­meen, daar­over leert het boed­dhis­me dat het door blijft gaan en weer een geboor­te aan­gaat. Dit men­ta­le feno­meen zal alleen dan stop­pen wan­neer inzicht de ver­schil­len­de cau­sa­le fac­to­ren ervoor onder­scheidt en de onder­lig­gen­de oor­za­ken ont­wor­telt.

Geen van de ver­schil­len­de onder­wer­pen en weten­schap­pen van de wereld heb­ben een eind­punt. Hoe meer je ze bestu­deert, hoe gro­ter ze wor­den. Alleen het boed­dhis­me kan je leren om een ein­de te berei­ken. In eer­ste instan­tie leert het je om jezelf bekend te maken met je lichaam, om te zien hoe het uit ver­schil­len­de onder­de­len (de 32 onder­de­len) bestaat en wat hun taken zijn. Tege­lij­ker­tijd leert het Boed­dhis­me je te zien dat dit lichaam inhe­rent onaan­trek­ke­lijk is. Het leert je om jezelf bekend te maken met deze wereld (de wereld van de men­sen), die bestaat uit lij­den en stress, en die uit­ein­de­lijk van­we­ge zijn eigen natuur uit elkaar zal val­len.

Dus nu we dit lichaam heb­ben gekre­gen – ook al zit het vol rot­te en onaan­trek­ke­lij­ke din­gen, en ook al bestaat het uit aller­lei soor­ten lij­den en stress – kun­nen we er nog wel een tijd­je van op aan, dus moe­ten we het gebrui­ken om iets goeds te doen en onze schul­den in de wereld te beta­len voor­dat we het ach­ter­la­ten bij de dood.

De Boed­dha leert dat, ook al is het de natuur van een per­soon (deze wereld) om uit elkaar te val­len en te ster­ven, de mind – de toe­zicht­hou­der van deze wereld – moet terug­ko­men door weder­ge­boor­te zo lang als hij nog ver­ont­rei­ni­gin­gen heeft. Dus leert hij ons om con­cen­tra­tie te beoe­fe­nen, een zaak uit­slui­tend van de mind. Zodra we con­cen­tra­tie beoe­fe­nen, zul­len we elk zin­tuig­lijk con­tact van bin­nen voe­len – net bij de mind. We zul­len niet wor­den geraakt door ons zien of horen bij het oog of het oor. In plaats daar­van zul­len we ons bewust zijn van zin­tuig­lijk con­tact pre­cies bij de mind. Dit is wat het bete­kent om de wereld over­zich­te­lijk te maken.

De zin­tui­gen zijn de bes­te metho­de om de maat van je eigen mind te bepa­len. Wan­neer zin­tuig­lijk con­tact de mind raakt, heeft dit dan ook een impact op jou? Als het veel impact heeft, dan laat dat zien dat je opmerk­zaam­heid zwak is en je fun­da­ment nog steeds wie­be­lig. Als het maar een beet­je impact heeft, of hele­maal geen impact heeft, dan laat dat zien dat je opmerk­zaam­heid sterk is en je vol­le­dig voor jezelf kunt zor­gen.

Deze din­gen zijn zoals Deva­dat­ta, die de hele tijd pro­ble­men voor de Bod­his­att­va maak­te. Zon­der Deva­dat­ta had de Bod­his­att­va zijn karak­ter niet tot vol­le­di­ge per­fec­tie kun­nen bren­gen. Zodra zijn karak­ter vol­le­dig geper­fec­ti­o­neerd was, kon hij het Ont­wa­ken beha­len en de Boed­dha wor­den. Vóór het beha­len van Ont­wa­ken kwa­men de drie doch­ters van ver­lan­gen hem nog eens tes­ten. Als gevolg hier­van heb­ben de men­sen van de wereld hem sinds­dien altijd gepre­zen voor het eens en voor altijd over­win­nen van de ver­ont­rei­ni­gin­gen van deze wereld.

Zo lang als de inner­lij­ke zin­tui­gen nog bestaan, is men­taal con­tact nog steeds iets waar­door je vol­le­dig in beslag wordt geno­men. Dus zij die weten, de scha­de van deze din­gen gezien heb­ben­de, zijn bereid om zich van hen terug te trek­ken, alleen het hart dat neu­traal is ach­ter­la­tend… neu­traal… neu­traal, zon­der den­ken, zon­der voor­stel­len, zon­der iets te cre­ë­ren. Als dit het geval is, waar zal deze wereld dan gevormd wor­den? Dit is hoe de Boed­dha ons het ein­de van de wereld onder­wijst.


  1. … het Engel­se woord ‘mind’ is niet in het Neder­lands ver­taald. Meest­al wordt de term ‘geest’ gebruikt, maar deze dekt de lading niet. Met mind wordt hier bedoel het bewust­zijn dat een object kent.
  2. … het woord ‘opmerk­zaam­heid’ is in deze tekst meest­al een ver­ta­ling van het Engel­se ‘mind­ful­ness’ en het pali ‘sati’.
  3. … wij heb­ben ervoor geko­zen het Engel­se ‘defi­le­ments’ (pali: kile­sa) te ver­ta­len met ‘ver­ont­rei­ni­gin­gen’ i.p.v. het ook wel gebruik­te ‘bezoe­de­lin­gen.
Schrijf je in voor nieuws en updates!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak (het kost geen geld, wel eigen inspanning).

Is de stap naar meditatie nog te groot? Kom dan bijvoorbeeld langs voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven? Waar staat spanning op de boog?