Twee­dui­zend vijf­hon­derd jaar gele­den door­grond­de Sid­dhar­ta Gau­ta­ma onder de Bodhi boom in Noord-India de ware natuur van de rea­li­teit en bevrijd­de zich zo van al het lij­den.

Dat maak­te hem de Boed­dha, de ‘wak­ke­re’ of ‘ont­waak­te’.

Hij besloot uit lief­de voor de wereld de weg naar deze bevrij­ding te onder­wij­zen. Deze weg noemt men de Dham­ma, de leer van de Boed­dha.

Gedu­ren­de de 45 jaar waar­in de Boed­dha zijn leer ver­kon­dig­de kreeg hij vele vol­ge­lin­gen. Die vol­ge­lin­gen, die zich­zelf op hun beurt bevrijd­den van het lij­den, vorm­den de Sang­ha, de nobe­le orde van leer­lin­gen.

De kern van de Dham­ma zijn de Vier Ede­le Waar­he­den.

Als eer­ste de waar­heid dat er onbe­vre­di­gend­heid is. Boed­dhis­ten noe­men deze onbe­vre­di­gend­heid Duk­kha.

Duk­kha wordt meest­al ver­taald met lij­den omdat dit van­uit een men­se­lijk erva­rings­per­spec­tief ook vaak het geval is, maar de essen­tie van Duk­kha is dat in alles onbe­vre­di­gend­heid schuil gaat. Wij grij­pen en klam­pen ons name­lijk vol ver­lan­gen vast aan din­gen in de hoop er geluk­kig van te wor­den. Alles in de wereld is ech­ter onder­he­vig aan ver­an­de­ring, is ver­gan­ke­lijk, en kan daar­om niet de per­ma­nen­te bevre­di­ging geven waar wij naar zoe­ken.

Dat is dan ook gelijk de twee­de waar­heid, name­lijk dat de oor­zaak van deze onbe­vre­di­gend­heid voort­komt uit ver­lan­gen.

Dat ver­lan­gen komt voort uit onze onwe­tend­heid over de ware natuur van de din­gen. De Boed­dha leert dat deze onwe­tend­heid door inspan­ning ver­nie­tigd kan wor­den.

De der­de waar­heid is dat er een zijns-staat is die vol­ko­men vrij is van onbe­vre­di­gend­heid door vrij te zijn van ver­lan­gen, boos­heid en onwe­tend­heid, beter bekend als Nib­ba­na (skrt: Nir­va­na).

De vier­de waar­heid is de weg die naar deze bevrij­ding voert, name­lijk het Nobe­le Acht­vou­di­ge Pad. Dit Acht­vou­di­ge Pad kan op haar beurt weer wor­den samen­ge­vat in drie trai­nin­gen, de trai­ning in moreel gedrag, de trai­ning in con­cen­tra­tie en de trai­ning in wijs­heid.

Om ver­lan­gen en onwe­tend­heid te beteu­ge­len is wijs­heid nodig. Een voor­waar­de voor het ont­staan van wijs­heid is con­cen­tra­tie.

Het is con­cen­tra­tie waar­mee onze mind stil, scherp en krach­tig genoeg wordt om de wer­ke­lijk­heid te obser­ve­ren.

Een abso­lu­te voor­waar­de om gecon­cen­treerd te raken is dat we oog krij­gen voor onze mora­li­teit en groot belang gaan hech­ten aan moreel juist gedrag (sila).

Als we immo­reel gedrag ver­to­nen is het onmo­ge­lijk om gecon­cen­treerd te raken.

Met moreel gedrag als voor­waar­de ont­staat con­cen­tra­tie, met con­cen­tra­tie als voor­waar­de ont­staat wijs­heid.

Met wijs­heid zie je uit eigen erva­ring, in het hier en nu, de ware natuur van de din­gen en kun je los­la­ten voor blij­ven­de vre­de en tevre­den­heid, blij­vend geluk.

Per­soon­lijk ver­der pra­ten

Lees verder voor meer verdieping

Woorden van de Boeddha?


Ahba’s onder­wijs vindt zijn oor­sprong in het The­ra­va­da Boed­dhis­me, de oud­ste boed­dhis­ti­sche stro­ming die van­daag de dag nog wordt beoe­fend.

The­ra­va­da kun je ver­ta­len met ‘de leer van de oude­ren’ of ‘de oude leer’.

De puur­heid en rati­o­na­li­teit van het The­ra­va­da komt mooi tot uit­druk­king in de term vib­ha­j­ja­va­da, de ‘leer van ana­ly­se’, onder wel­ke naam het The­ra­va­da vroe­ger bekend stond.

Hier­mee wordt aan­ge­duid dat inzicht dient voort te komt uit erva­ring, kri­tisch onder­zoek en rede­ne­ren in plaats van blind geloof.

Als wij het over het Boed­dhis­me heb­ben, dan heb­ben we het over de leer van de Boed­dha. Zelf heeft de Boed­dha ech­ter niets opge­schre­ven.

Je zou je kun­nen afvra­gen hoe wij weten wat de Boed­dha onder­rich­te.

Het The­ra­va­da Boed­dhis­me beroept zich als het gaat om de Dham­ma, de leer van de Boed­dha, op de Pali Canon. Het woord ‘Pali’ bete­kend zoveel als ‘lijn’ of ‘tekst’.

In oude boed­dhis­ti­sche com­men­ta­ren werd het vaak gebruikt in de zin van ‘de lijn of strek­king van de ori­gi­ne­le tek­sten’.

Tegen­woor­dig wordt met het woord ‘Pali’ de taal van de oor­spron­ke­lij­ke tek­sten bedoeld.

De Pali Canon is de ver­za­me­ling van boed­dhis­ti­sche lerin­gen zoals deze gere­ci­teerd wer­den van­af de eer­ste raads­ver­ga­de­ring van 500 Ara­hants (ver­lich­te dis­ci­pe­len van de Boed­dha) direct na het Pari­nib­ba­na van de Boed­dha, dat wil zeg­gen de uit­ein­de­lij­ke vol­le­di­ge bevrij­ding na de dood van zijn lichaam, rond 500 v. Chr.

Een lering of leer­re­den wordt in het pali ‘sut­ta’ genoe­men, dat zoveel bete­kent als ‘draad’ of  ‘garen’ waar­mee moge­lijk de onder­lin­ge ver­bin­ding tus­sen onder­wer­pen en uit­leg wordt aan­ge­duid.

De sutta’s wer­den de eer­ste eeu­wen uit het hoofd geleerd en mon­de­ling over­ge­dra­gen van gene­ra­tie op gene­ra­tie.

Tij­dens twee vol­gen­de raads­ver­ga­de­rin­gen werd gecon­tro­leerd of de diver­se mon­ni­ken nog wel een gelij­ke ver­sie reci­teer­den.

Na de vier­de raads­ver­ga­de­ring in Sri Lanka rond 30 v. Chr wer­den de tek­sten voor het eerst op schrift gezet. De Pali Canon vormt samen met de paraca­no­ni­sche tek­sten (zoals com­men­ta­ren, chro­nie­ken, ed.) de com­ple­te klassiek-theravadische lite­ra­tuur en omvat vele dui­zen­den pagina’s.

Een ande­re bena­ming van de Pali Canon is Tipi­ta­ka (Pali: ti, ‘drie’, + pita­ka, ‘man­den’) omdat er drie groe­pen aan tek­sten zijn, name­lijk Vinaya, Sut­ta en Abhi­d­ham­ma.

In de Vinaya Pita­ka staan de tek­sten met leef­re­gels voor de Sang­ha, de orde van boed­dhis­ti­sche mon­ni­ken en non­nen en wordt een gede­tail­leer­de uit­leg en de reden voor het ont­staan van elk van deze regels gege­ven.

De Vinaya vormt zo de more­le code van de Boed­dha en daar­mee de basis voor sila-bhavana, de beoe­fe­ning van moreel gedrag.

In de Sutta-pitaka vindt men de lerin­gen die de Boed­dha en enke­le van zijn voor­aan­staan­de dis­ci­pe­len gaven over de Dham­ma.

Alle onder­wer­pen die cen­traal staan in het The­ra­va­da boed­dhis­me, zoals de Vier Ede­le Waar­he­den en Afhan­ke­lijk Ont­staan, komen er uit­ge­breid en van­uit ver­schil­len­de invals­hoe­ken aan bod.

Het moei­lij­ke aan de sut­ta is dat zij altijd gericht zijn op een indi­vi­du of groep en de Boed­dha zijn onder­wijs te allen tij­de afstemt op zijn toe­hoor­ders. Daar­om is veel ken­nis, ook van de com­men­ta­ren, nodig om de sut­ta juist te inter­pre­te­ren.

In de Abhi­d­ham­ma Pita­ka staan de tek­sten die gaan over de hoog­ste leer (Pali: Abhi, ‘hoog’ of ‘hoog­ste’, dham­ma, ‘leer’ of ‘waar­heid’), over de ultie­me rea­li­teit.

In de zeven boe­ken van de Abhi­d­ham­ma Pita­ka wor­den eerst alle ver­schijn­se­len in de wereld tot aan de kleinst moge­lij­ke feno­me­nen gea­na­ly­seerd en uit­een­ge­zet, gevolgd door de syn­the­se van deze feno­me­nen met een beschrij­ving van de onder­lin­ge con­di­ti­o­ne­le rela­ties.

In tegen­stel­ling tot de sut­ta is de Abdhi­d­ham­ma niet afge­stemd op spe­ci­fie­ke leer­lin­gen, maar de abstrac­te vorm van de  dham­ma in ultie­me zin, name­lijk los van een ik of per­soon.

Het moei­lij­ke aan de Abhi­d­ham­ma is om deze abstrac­te ken­nis te rela­te­ren aan de eigen erva­rings­we­reld om zo als bruik­baar blauw­druk te kun­nen die­nen.

Ahba geeft als voor­beeld een vij­ver met vis­sen. Stel het water is troe­bel en mod­de­rig. Dan kun je de vis­sen niet zien, maar de vis­sen jou ook niet. Als je nou gewoon lang genoeg met je hand in het water heen en weer beweegt heb je een hele klei­ne kans dat je op gege­ven moment een vis te pak­ken krijgt.

Net zo is het met het lezen van de sutta’s. Je moet lang stu­de­ren om er mis­schien hier en daar een parel­tje van inzicht uit te kun­nen halen.

Als de vij­ver hel­der is dan kun je de vis­sen heel goed zien, maar zij jou ook. Je kunt heel gericht pro­be­ren de vis­sen te van­gen, maar de kans is groot dat ze je tel­kens te snel af zijn.

Net zo is het met het bestu­de­ren van de Abhi­d­ham­ma. Elke keer als je denkt het te vat­ten, te begrij­pen, glipt het weer door je vin­gers.

Ahba zeg niet dat het lezen van Sut­ta en Abhi­d­ham­ma niet goed is, want dat is het wel zegt hij. Het kan ter inspi­ra­tie die­nen en het is ook heel zin­vol om een bepaal­de basis­ken­nis te ver­wer­ven om te hel­pen bij de medi­ta­tie.

Maar de nadruk moet lig­gen op de medi­ta­tie, op het zelf beoe­fe­nen. Ook is het bij het stu­de­ren van tek­sten belang­rijk om men­sen om je heen te heb­ben met meer over­zicht, zowel op the­o­re­ti­sche basis als op erva­rings­ni­veau, om de opge­da­ne ken­nis te toet­sen.

Mondelinge Overdracht

Je zou je nu kun­nen afvra­gen of er niet din­gen ver­lo­ren zijn gegaan of zijn aan­ge­past tij­dens de mon­de­lin­ge over­drach­ten voor­af­gaand aan het op schrift zet­ten.

Natuur­lijk is dit moei­lijk te beant­woor­den, maar er zijn wel enke­le rede­nen die het hart gerust kun­nen stel­len.

Het valt bij­voor­beeld op dat de tek­sten tij­dens de eer­ste raads­ver­ga­de­ring na het over­lij­den van de Boed­dha in een vorm zijn gezet die uiter­ma­te geschikt is voor reci­ta­tie. Er wordt ver­spreid over de diver­se tek­sten zeer fre­quent gebruik gemaakt van her­ha­lin­gen, stan­daard for­mu­le­rin­gen  en opsom­min­gen.

In de oud­heid waren er kloos­ters die zich slechts op een Nikaya rich­ten, dat wil zeg­gen, zich rich­ten op een spe­ci­fie­ke groep Sutta’s.

Als de mon­ni­ken uit de diver­se kloos­ters bij elkaar kwa­men was het dan ook goed moge­lijk om te con­tro­le­ren of cate­go­rie­ën en opsom­min­gen nog met elkaar over­een kwa­men.

Ver­der valt een enor­me inter­ne con­sis­ten­tie op in de leer zelf. Er zijn geen tegen­strij­dig­he­den te vin­den, geen vreem­de tek­sten die ande­ren te niet doen.

Deze inter­ne con­sis­ten­tie maakt een gelij­ke eer­ste oor­sprong erg waar­schijn­lijk.

Na het op schrift zet­ten wer­den kopie­ën op diver­se loca­ties in Zuid-Oost Azië bewaard, waar­door er ook daar­na altijd onder­lin­ge con­tro­le moge­lijk was.

De laat­ste raads­ver­ga­de­ring om de hui­di­ge ver­sie te con­tro­le­ren en vast te stel­len vond in 1956 in Bir­ma plaats.

Een leuk detail is dat Ahba daar­bij aan­we­zig is geweest en het belang van con­cen­tra­tie heeft bena­drukt.

Voor dege­nen die de Bud­dho medi­ta­tie doen kan naast boven­staan­de ook als gerust­stel­ling wor­den gege­ven dat Ahba zelf de autho­ri­teit van de Pali Canon keer op keer bena­drukt als het gaat om de Dham­ma.

In tegen­stel­ling tot wer­ken van moder­ne schrij­vers, waar­van Ahba zegt dat je je altijd goed moet afvra­gen of het klopt of niet is hij glas­hel­der over de Pali Canon, wat daar staat is goed om te bestu­de­ren.

De Boeddha


Voor­dat we begin­nen aan het ver­haal van de Boed­dha en zijn leer, de Dham­ma, is het han­dig om  ken­nis te nemen van wat basa­le boed­dhis­ti­sche kos­mo­lo­gie zodat het een en ander in per­spec­tief kan wor­den geplaatst, met name als het gaat om het gevoel voor tijd.

Tijdsperspectief

De Boed­dha gebruik­te in zijn onder­wijs als tijds­in­di­ca­tie wel eens het woord ‘kal­pa’, hier ver­taald als ‘aeon’.

Er zijn ver­schil­len­de soor­ten aeo­nen, maar voor nu is slechts de kal­pa in de zin van de maha-kal­pa, ofwel grote-aeon, van belang.

Tij­dens zo een aeon ont­staat het uni­ver­sum zoals wij dit ken­nen, kun­nen leven­de wezens lang­zaam maar zeker gedij­en, tot uit­ein­de­lijk een peri­o­de aan­breekt waar­in het uni­ver­sum weer ver­gaat en wordt gevolgd door een peri­o­de van leeg­te.

Na de peri­o­de van leeg­te begint ‘gewoon’ de vol­gen­de aeon en daar­mee een nieu­we cyclus van ont­staan en ver­gaan van een uni­ver­sum, gevolgd door een vol­gen­de cyclus, en een vol­gen­de, enzo­voort.

De Boed­dha gaf het vol­gen­de voor­beeld om een gevoel te krij­gen voor de leng­te van een enke­le aeon:

Stel je een groot gra­nie­ten blok voor aan het begin van de aeon, van onge­veer 25km bij 25km bij 25km, vele male gro­ter dan de hoog­ste berg in de Hima­laya, en elke 100 jaar veeg je een keer met een zij­den doek over dit blok. Eer­der zal het gra­nie­ten blok zijn ver­weerd dan dat een aeon voor­bij is.

Vol­gens de Boed­dha is er geen eer­ste begin te vin­den, geen tijds­mo­ment waar­aan voor­af­gaand er geen onwe­tend­heid was.

Toen enke­le mon­ni­ken vroe­gen hoe­veel aeo­nen, hoe­veel cycli van het uni­ver­sum naar uni­ver­sum, inmid­dels voor­bij zijn gegaan gaf de Boed­dha de vol­gen­de ver­ge­lij­king:

Als je het tota­le aan­tal zand­kor­rels in de diep­te van de Gan­ges rivier neemt, van waar zij begint tot waar zij ein­digt, zelfs dat num­mer zal lager zijn dan de hoe­veel­heid reeds ver­stre­ken aeo­nen.

Het ein­de­lo­ze rond­dwa­len van wezens in deze ein­de­lo­ze, onbe­vre­di­gen­de cyclus van komen en gaan, dit rond­dwa­len is Samsa­ra.

Naas­te enke­le spe­ci­fie­ke vaar­dig­he­den van de Boed­dha is voor­al zijn posi­tie in de tijd uniek. Hij heeft de waar­heid die voert tot de bevrij­ding uit Samsa­ra, en zo het berei­ken van Nib­ba­na (sans­kriet Nir­va­na) name­lijk als eer­ste weer her-ontdekt.

De waar­heid die de Boed­dha ont­dek­te is uni­ver­seel en door een ieder die vol geduld en ener­gie zijn voor­beeld volgt zelf te door­gron­den.

Net als een gids die rei­zi­gers door gevaar­lijk en moei­lijk ter­rein de weg wijst, of als een lamp die in de die­pe nacht de duis­ter­nis ver­licht, wijst de Boed­dha enkel de weg naar deze waar­heid en bevrij­ding, je moet de weg zelf begaan.

De waar­heid, de Dham­ma, bestond altijd en zal altijd blij­ven bestaan, men kan enkel vast­stel­len of de weg er naar toe gedu­ren­de een tijds­pe­ri­o­de wel of niet door een Boed­dha is gewe­zen.

Zij die de Dham­ma, de weg van de Boed­dha tot de uit­ein­de­lij­ke bevrij­ding heb­ben gevolgd, de ede­le Sang­ha, kun­nen zelf weer als gids die­nen voor ande­ren. Immers kan enkel iemand die ziet een blin­de lei­den, enkel als je gezond bent kun je voor een zie­ke zor­gen.

De Boed­dha heeft met zijn eer­ste uit­een­zet­ting over de Dham­ma de hui­di­ge Boeddha-sasana in gang gezet, dat wil zeg­gen de peri­o­de waar­in de Dham­ma, de waar­heid, gehoord en de weg naar bevrij­ding beoe­fend kan wor­den. Ook deze tijd zal op gege­ven moment ten ein­de komen waar­na een don­ke­re peri­o­de aan­breekt. De Dham­ma kan dan niet wor­den gehoord, er zijn dan geen ver­lich­te wezens op aar­de en er is dan geen licht om in de duis­ter­nis de weg te wij­zen.

Als we dit samen voe­gen met de eer­der genoem­de aeo­nen zal het niet ver­ba­zen dat er in de onein­dig­heid van het ver­le­den tal­lo­ze Boeddha’s zijn geweest, gevolgd door tal­lo­ze don­ke­re peri­o­den en ook in de toe­komst zul­len er Boeddha’s in de wereld blij­ven komen die de weg zul­len wij­zen naar de bevrij­ding van al het leed.

Met deze ken­nis in het ach­ter­hoofd kun­nen we begin­nen aan het ver­haal van de hui­di­ge Boed­dha.

De Intentie van Sumedha

Velen zul­len wel eens heb­ben gehoord van het leven van prins Sid­dhar­ta Gau­ta­ma ruim 2500 jaar gele­den en zijn zoek­tocht naar ver­lich­ting.

Het ver­haal begint vol­gens de Bud­dha­vam­sa (Chro­nie­ken van Boeddha’s) ech­ter eer­der, vele vele wereld cycli gele­den, vele vele dui­zen­den aeo­nen gele­den, ten tij­de van een eer­de­re Boed­dha, de Boed­dha Dipan­ka­ra.

Ten tij­de van de Boed­dha Dipan­ka­ra leef­de er in dezelf­de omge­ving een jon­ge man uit een rij­ke fami­lie, Sumed­ha genaamd.

Gedu­ren­de zijn leven onder­vond Sumed­ha in toe­ne­men­de mate weer­zin voor de onbe­sten­dig­heid van het bestaan. Op zoek naar bevrij­ding van het lij­den voort­ko­mend uit leven en dood besloot hij al zijn rijk­dom weg te geven en als asceet de ber­gen in te trek­ken.

Daar beoe­fen­de hij vol ener­gie en inzet medi­ta­tie, en ont­wik­kel­de voor­spoe­dig hoge con­cen­tra­tie.

Op een gege­ven moment hoor­de Sumed­ha van het bestaan van de Boed­dha Dipan­ka­ra en dat deze bin­nen­kort een nabij gele­gen dorp zou bezoe­ken.

De asceet ervoer een geluk­za­lig gevoel bij het horen van het woord ‘Boed­dha’ en bleef vol vreug­de “Boed­dha, Boed­dha!” zeg­gen. De die­pe  gedach­te kwam in hem op:

[Uiterst zeld­zaam is het om het woord Boed­dha te horen, nog veel zeld­za­mer is het om een Boed­dha te ont­moe­ten.] Hier zal ik mijn zaden plan­ten, voor­waar, laat deze kans niet voor­bij gaan!”

En hij begaf zich naar het dorp. Daar aan­ge­ko­men vroeg en kreeg hij toe­stem­ming om mee te hel­pen aan de repa­ra­tie van het pad waar de Boed­dha bij zijn aan­komst over­heen zou lopen.

Ter­wijl hij hard werk­te bleef hij “Boed­dha, Boed­dha!” den­ken. Vóór zijn deel van het pad ech­ter af was ver­scheen de Boed­dha met zijn scha­re aan mon­ni­ken.

Toen Sumed­ha de Boed­dha zag raak­te hij met­een diep onder de indruk van zijn kal­me en wij­ze uit­stra­ling.

Maar op zijn deel van het pad zag hij nog een mod­der­poel waar de Boed­dha onher­roe­pe­lijk door heen zou moe­ten lopen om zijn weg te ver­vol­gen.

Bevlo­gen door res­pect wierp Sumed­ha zich op de mod­der­poel om als men­se­lij­ke brug te die­nen en dacht:

Laat de Boed­dha en zijn dis­ci­pe­len over mij heen lopen, laat hen niet door de mod­der­poel lopen – deze daad zal bij­dra­gen aan mijn wel­zijn”.

Bij het nade­ren van de Boed­dha raak­te hij steeds die­per geïn­spi­reerd en de gedach­te kwam in hem op:

ik heb het men­ta­le ver­mo­gen om van­daag nog een ara­hant, een ver­lich­te, te wor­den als ik dat zou wil­len, maar het voelt niet juist voor mij om ande­ren in Samsa­ra te laten rond­dwa­len ter­wijl ik de ener­gie zou kun­nen ont­wik­ke­len om alle wezens te hel­pen. Als ik mijn nou eens zou inspan­nen om een Boed­dha te wor­den net als Boed­dha Dipan­ka­ra.”

Toen Boed­dha Dipan­ka­ra bij Sumed­ha was aan­ge­ko­men stop­te hij, keek Sumed­ha aan en uit­te de vol­gen­de voor­spel­ling:

Zie hier, deze jon­ge asceet, lig­gend in de mod­der op gevaar van eigen leven. Over ontel­ba­re aeo­nen zal hij een Boed­dha in de wereld zijn, net als ik.”

Daar­mee was de inten­tie van Sumed­ha bekrach­tigd en beves­tigd en de Boed­dha en zijn dis­ci­pe­len ver­volg­den hun weg niet over, maar vol res­pect om Sumed­ha heen.

Reflec­te­rend op wat er was gebeurd en wat er voor nodig zou zijn om een Boed­dha te wor­den zag Sumed­ha tien para­mis (men­ta­le kwa­li­tei­ten) die hij tot uiter­ste per­fec­tie zou moe­ten ont­wik­ke­len, name­lijk vrij­ge­vig­heid, mora­li­teit, ver­za­king, wijs­heid, ener­gie, geduld, eer­lijk­heid, inspan­ning, lief­de­vol­le vrien­de­lijk­heid en gelijk­moe­dig­heid.

En zo werd Sumed­ha een Bod­his­att­va, een Boeddha-in-wording.

Gedu­ren­de alle daar­op vol­gen­de levens in al die lan­ge aeo­nen, werk­te de Bod­his­att­va aan zijn para­mis, cul­mi­ne­rend in het berei­ken van de hoog­ste per­fec­tie van elk van deze kwa­li­tei­ten in zijn laat­ste geboor­te 2500 jaar gele­den als prins Sid­dhar­ta Gau­ta­ma.

Siddharta Gautama wordt Boeddha

Onge­veer 2500 jaar gele­den wordt Sid­dhar­ta Gau­ta­ma gebo­ren als zoon van konin­gin Maya en koning Sud­dhoda­na, lei­der van de Sakya clan in het konink­rijk Kapi­la­va­stu in Kos­a­la, hui­dig Noord-India.

Zeven dagen na zijn geboor­te komt konin­gin Maya te over­lij­den en haar zus, Paja­pa­ti neemt de zorg over het jon­ge kind op zich.

De zie­ner Asi­ta komt naar het hof van de koning en geeft de vol­gen­de voor­spel­ling:

De zoon van de koning der Sakya zal wereld­heer­ser wor­den of, als hij zich afkeert van het hof­fe­lij­ke leven, een vol­le­dig bevrij­de, een Boed­dha.”

Om te voor­ko­men dat Sid­dhar­ta zich van zijn konink­lij­ke leven af zal keren wordt hij beschermd opge­voed en op 16-jarige leef­tijd met prin­ses Yaso­d­ha­ra gehuwd. Samen krij­gen zij een zoon, Rahu­la.

Sid­dhar­ta rea­li­seert zich ech­ter ondanks de ver­woe­de pogin­gen van zijn vader om hem in luxe en genot te bescher­men, dat een ieder onder­he­vig is aan ouder­dom, ziek­te en dood en aan al het leed dat met het leven gepaard gaat. Zelf zegt hij later (AN 3:38):

Ik was fijn­ge­voe­lig, zeer fijn­ge­voe­lig. In het huis van mijn vader wer­den lotus vij­vers voor mij aan­ge­legd. Blau­we lotus­sen bloei­den in een vij­ver, wit­te in een ande­re, rode in weer een ande­re. Ik gebruik­te san­del­hout dat niet uit Bena­res kwam. Mijn tul­band, kle­ding en onder­kle­ding waren allen gemaakt van de fijnste stof. Dag en nacht werd een wit zon­ne­scherm boven mijn hoofd gehou­den zodat kou noch warm­te noch stof noch vie­zig­heid noch dauw mij onge­mak zou kun­nen bezor­gen.

Ik had drie palei­zen, een voor de win­ter, een voor de zomer en een voor het regen­sei­zoen. In het regen-paleis werd ik ver­maakt door enkel de mooi­ste vrou­we­lij­ke min­stre­len. Tij­dens de vier maan­den van de regen­tijd ging ik nooit naar het lage­re paleis. Hoe­wel gebro­ken rijst met lin­zen­soep aan die­na­ren en bedien­den in ande­re huis­hou­dens wer­den geser­veerd kre­gen de die­na­ren en bedien­den in het huis­hou­den van mijn vader wit­te rijst en vlees.

Ondanks dat ik zulk genot en geluk had, toch dacht ik ‘Als een onwe­ten­de gewo­ne man, die onder­he­vig is aan ouder­dom, niet gevrij­waard van ouder­dom, een ander ziet die oud is, is hij geschokt, ver­ne­derd en vol wal­ging, want hij ver­geet dat hij hier zelf niet van is uit­ge­zon­derd. Maar ook ik ben onder­wor­pen aan ouder­dom, niet gevrij­waard van ouder­dom, en het betaamt mij dan ook niet om geschokt, ver­ne­derd en vol wal­ging te zijn als ik een ander zie die oud is.’ Toen ik dat dacht, ver­loor ik de hoog­moed van de jeugd.

Ik dacht: ‘Als een onwe­ten­de gewo­ne man, die onder­he­vig is aan ziek­te, niet gevrij­waard van ziek­te, een ander ziet die ziek is, is hij geshockt, ver­ne­derd en vol wal­ging, want hij ver­geet dat hij hier zelf niet van is uit­ge­zon­derd. Maar ook ik ben onder­wor­pen aan ziek­te, niet gevrij­waard van ziek­te, en het betaamt mij dan ook niet om geschokt, ver­ne­derd en vol wal­ging te zijn als ik een ander zie die ziek is.’ Toen ik dit dacht, ver­loor ik de hoog­moed van de gezon­de.

Ik dacht: Als een onwe­ten­de gewo­ne man, die onder­he­vig is aan de dood, niet gevrij­waard van de dood, een ander ziet die is over­le­den, is hij geschokt, ver­ne­derd en vol wal­ging, want hij ver­geet dat hij hier zelf niet van is uit­ge­zon­derd. Maar ook ik ben onder­wor­pen aan de dood, niet gevrij­waard van de dood, en het betaamt mij dan ook niet om geschokt, ver­ne­derd en vol wal­ging te zijn als ik een ander zie die is over­le­den.” Toen ik dit dacht, ver­loor ik de hoog­moed van het leven.”

Als gevolg van deze rea­li­sa­tie besluit Sid­dhar­ta op 29-jarige leef­tijd het rij­ke leven van een vorst ach­ter zich te laten en als zwer­ven­de asceet de thuis­loos­heid in te gaan, om een oplos­sing te zoe­ken voor het leed in de wereld (MN 26, 36, 85, 100):

Later, nog steeds jong, een man met zwar­te har­ten geze­gend met jeugd, in de eer­ste fase van mijn leven, scheer­de ik mijn haar en baard af – hoe­wel mijn vader en moe­der het anders wen­s­ten en vol tra­nen en ver­driet rouw­den – deed het gele gewaad aan en trok van huis de thuis­loos­heid in.”

Eerst begeeft hij zich naar de gro­te medi­ta­tie lera­ren van zijn tijd, Ala­ra Kala­ma en Udda­ka Rama­put­ta, maar hoe­wel hij snel de diep­ste medi­ta­tie bereikt die deze lera­ren onder­we­zen, en door bei­den ver­zocht wordt als hoog­ste leraar de leer­lin­gen ver­der te bege­lei­den, vindt hij slechts het tij­de­lij­ke ophou­den van lij­den en niet het defi­ni­tie­ve ein­de van geboor­te, ouder­dom, ziek­te en dood waar hij naar op zoek is.

Sid­dhar­ta besluit ver­der te zoe­ken en trekt de jun­gle in om daar jaren lang in extre­me asce­se te ver­ke­ren.

Hij onder­werpt zich aan hevi­ge beoe­fe­nin­gen zoals amper eten, extre­me pij­nen ver­dra­gen, zo min moge­lijk ade­men en meer, alles om zijn lichaam en geest te bedwin­gen.

Vijf asce­ten, Kon­dan­na, Bhad­du­ya, Wap­pa, Maha­na­ma, en Assa­ji, die tevens rijk­dom en huis­hou­den ach­ter zich lie­ten op zoek naar bevrij­ding van het lij­den raak­ten diep onder de indruk van de inspan­ning van Sid­dhar­ta en volg­den hem op de voet.

Na zes jaar hevi­ge asce­se is het lichaam van Sid­dhar­ta vol­le­dig uit­ge­teerd en is zijn over­lij­den nabij, zon­der dat hij de bevrij­ding van het lij­den heeft bereikt.

Vol­gens de legen­de komt op dat moment een min­streel met zijn reis­ge­noot langs de plek komt waar Sid­dhar­ta zit en Sid­dhar­ta hoort de min­streel ver­tel­len hoe hij de sna­ren van zijn luit goed op toon krijgt:

De sna­ren mogen niet te slap, maar ook zeker niet te hard gespan­nen zijn. Zijn ze te slap dan krijg je geen geluid, te strak en ze knap­pen, maar als je ze pre­cies in het mid­den van deze twee uiter­sten spant, dan krijgt je de mooi­ste tonen.

Hoe het ook is geko­men, Sid­dhar­ta denkt terug aan een moment als jon­ge jon­gen toen hij in de ver­koe­len­de scha­duw van een rozen­ap­pel­boom zat ter­wijl zijn vader op het land aan het werk was.

Ter­wijl hij daar zat, zon­der kwel­ling, koel en aan­ge­naam, in vol­le­di­ge rust, werd zijn bewust­zijn stil. En hij bereik­te, ver­zon­ken in een voor hem natuur­lij­ke medi­ta­tie een hoge con­cen­tra­tie.

Hier­over naden­kend beseft Sid­dhar­ta zich dat niet de hevi­ge asce­se met zelf­kas­tij­ding en niet het hof­fe­lij­ke leven vol zin­tui­ge­lijk ver­lan­gen maar juist dit mid­den van medi­ta­tie en laten gaan de weg naar bevrij­ding moge­lijk maakt (MN 36, 85, 100):

Ik dacht: ‘Wan­neer dan ook een mon­nik of brah­maan in het ver­le­den, of in de toe­komst, of in het heden, pijn­lij­ke, kwel­len­de, door­drin­gen­de pij­nen voelt als gevolg van inspan­ning, zij kun­nen het­zelf­de zijn als deze, maar niet meer. Maar ondanks deze slo­pen­de zelf­kas­tij­ding ben ik niet ver­der geko­men dan de wereld­se zijns­toe­stand, niet dich­ter bij de nobe­le ken­nis of visie. Zou er een ande­re weg naar bevrij­ding zijn?’

Ik dacht terug aan een tijd toen mijn vader werk­te en ik [als jon­ge jon­gen] in de ver­koe­len­de scha­duw van een rozen­ap­pel boom zat: vol­ko­men vrij van zin­tuig­lij­ke ver­lan­gens, vrij van onheil­za­me men­ta­le kwa­li­tei­ten, was ik ver­zon­ken in medi­ta­tie tot een men­ta­le ver­blijfs­plaats geko­men, gepaard gaan­de met begin­nen­de en vast­hou­den­de focus, met ver­ruk­king en ple­zier gebo­ren uit afzon­de­ring. Ik dacht: ‘Zou dat de weg naar bevrij­ding zijn?’ Toen, na afloop van die her­in­ne­ring, kwam de ken­nis in mij op dat dit inder­daad de weg naar bevrij­ding is.

Toen dacht ik: ‘Waar­om ben ik bang van zul­ke geluk­za­lig­heid? Het is een geluk­za­lig­heid die niets te maken heeft met zin­tuig­lijk ver­lan­gen en onheil­za­me din­gen.’ En ik dacht: ‘Ik ben niet bang voor zul­ke geluk­za­lig­heid want het heeft niets te maken met zin­tuig­lijk ver­lan­gen en onheil­za­me din­gen.’

Ik dacht: ‘Het is niet moge­lijk om die geluk­za­lig­heid te berei­ken met een dus­da­nig uit­ge­teerd lichaam. Stel ik zou wat vast voed­sel eten, wat gekook­te reist en brood?’

Op dat moment waren er vijf asce­ten die mij vol­gen, den­kend: ‘als de asceet Gau­ta­ma iets bereikt zal hij het ons ver­tel­len.’ Zodra ik vast voed­sel at, de gekook­te reis en brood, waren de vijf asce­ten ver­ont­waar­digd en ver­lie­ten mij, den­kend: ‘de asceet Gau­ta­ma is genot­zuch­tig gewor­den, hij heeft de strijd opge­ge­ven en is naar het luxe leven terug­ge­keerd.’”

Zo begeeft Sid­dhar­ta zich op de door hem her­ont­dek­te mid­del­ste weg.

De vijf asce­ten die hem vol­gen ver­la­ten hem, zij weten niets van Sid­dhartas nieu­we inzicht en den­ken dat Sid­dhar­ta de zoek­tocht heeft opge­ge­ven en zich weer tot het wereld­se leven heeft gekeerd. Niet was ech­ter min­der waar.

Sid­dhar­ta laat zijn lichaam aan­ster­ken en gaat, vrij van zin­tuig­lijk ver­lan­gen en zelf­kas­tij­ding, zit­ten onder een Bodhi-boom (MN 36):

Toen ik vast voed­sel had gege­ten en mijn kracht en gezond­heid terug waren gekeerd ging ik, vrij van zin­tuig­lij­ke ver­lan­gens, vrij van onheil­za­me men­ta­le kwa­li­tei­ten, de eer­ste men­ta­le ver­blijfs­plaats (jha­na) in, die gepaard gaat met ver­ruk­king en ple­zier gebo­ren uit los­la­ten. Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen. Met het tot rust komen van begin­nen­de en vast­hou­den­de focus ging ik de twee­de men­ta­le ver­blijf­plaats in, die gepaard gaat met inner­lij­ke zeker­heid en de ver­e­ni­ging van bewust­zijn zon­der begin­nen­de en vast­hou­den­de focus, met uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier. Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen. Met het ver­va­gen van ver­ruk­king ging ik vol gelijk­moe­dig­heid, opmerk­zaam en alert, met licha­me­lijk ple­zier de der­de men­ta­le ver­blijfs­plaats in, waar­over de nobe­len zeg­gen: “gelijk­moe­dig en opmerk­zaam, heeft hij een ple­zie­rig ver­blijf.’ Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen. Met het opge­ven van ple­zier en pijn als­me­de het eer­de­re ver­dwij­nen van vreug­de en ver­driet ging ik de vier­de men­ta­le ver­blijfs­plaats in, die nog ple­zier nog pijn kent, waar­van de puur­heid van de aan­dacht voort­komt uit gelijk­moe­dig­heid en opmerk­zaam­heid. Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen.

Toen mijn gecon­cen­treer­de bewust­zijn dus­da­nig gezui­verd was, puur, hel­der, onbe­vlekt en vrij van gebre­ken, toen het kneed­baar, ferm, met ver­kre­gen onver­stoor­baar­heid was, richt­te ik, liet ik mijn bewust­zijn naar de ken­nis van het her­in­ne­ren van vori­ge levens gaan. Ik her­in­ner­de mij mijn veel­vul­di­ge vori­ge levens, dat wil zeg­gen, een geboor­te, twee, drie, vier, vijf geboor­ten, tien twin­tig, der­tig, veer­tig, vijf­tig geboor­ten, hon­derd geboor­ten, dui­zend geboor­ten, honderd-duizend geboor­ten, vele tij­den van het ont­staan van werel­den, vele tij­den van het in elkaar krim­pen van werel­den, vele vele tij­den van in elkaar krim­pen en ont­staan van het uni­ver­sum: ik had daar deze naam, was van dit ras, met een der­ge­lijk uiter­lijk, zulk voed­sel, zul­ke erva­rin­gen van ple­zier en pijn, een zo lan­ge levens­duur; en uit dat leven gaan­de ver­scheen ik elders, en daar had ik deze naam, was ik van een der­ge­lijk ras, met zulk een uiter­lijk, met zul­ke erva­rin­gen van ple­zier en pijn, een der­ge­lij­ke levens­duur, en uit dat leven gaan­de ver­scheen ik hier – Met vele details her­in­ner­de ik mij mijn vori­ge levens. Dit was de eer­ste ware ken­nis, door mij ver­kre­gen in het eer­ste deel van de nacht. Onwe­tend­heid werd ver­ban­nen, en ware ken­nis ver­scheen, de duis­ter­nis werd ver­ban­nen en licht ver­scheen, zoals dat gebeurt in iemand met vast­be­ra­den­heid, vol­har­dend­heid en zelf-beheersing. Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen.

Toen mijn gecon­cen­treer­de bewust­zijn dus­da­nig gezui­verd was, … richt­te ik, liet ik mijn bewust­zijn naar de ken­nis van ver­gaan en ont­staan van wezens gaan. Met het zui­ve­re oog, puur en het men­se­lij­ke over­stij­gend, zag ik wezens ver­gaan en weer ver­schij­nen, infe­ri­eur en supe­ri­eur, mooi en lelijk, geluk­kig en onge­luk­kig in hun bestem­ming. Ik begreep hoe wezens voort gaan afhan­ke­lijk van hun daden: ‘Deze wezens, die zich slecht gedroe­gen in lichaam, spraak en bewust­zijn, kwaad spre­kend over de ver­lich­ten, met ver­keer­de ziens­wij­ze, de ver­keer­de ziens­wij­ze tot uiting bren­gend in daden, bij het ver­gaan van het lichaam, na het over­lij­den, keren zij terug in een staat van ont­be­ring, een onge­luk­ki­ge bestem­ming, in ver­doe­me­nis, zelfs in de hel-werelden; maar deze wezens, die zich goed gedroe­gen in lichaam, spraak en bewust­zijn, die goed spra­ken over de ver­lich­ten, met juis­te ziens­wij­ze, de juis­te ziens­wij­ze tot uiting bren­gend in daden, bij het ver­gaan van het lichaam, na het over­lij­den, keren zij terug in een staat van geluk, zelfs in een hemel­se wereld. Zo zag ik, met het zui­ve­re oog, puur en het men­se­lij­ke over­stij­gend, wezens ver­gaan en weer ver­schij­nen, infe­ri­eur en supe­ri­eur, mooi en lelijk, geluk­kig en onge­luk­kig in hun bestem­ming. Ik begreep hoe wezens voort gaan afhan­ke­lijk van hun daden. Dit was de twee­de ware ken­nis, door mij ver­kre­gen in het twee­de deel van de nacht. Onwe­tend­heid werd ver­ban­nen, en ware ken­nis ver­scheen, de duis­ter­nis werd ver­ban­nen en licht ver­scheen, zoals dat gebeurt in iemand met vast­be­ra­den­heid, vol­har­dend­heid en zelf-beheersing. Maar ik liet de fij­ne gevoe­lens die in mij boven kwa­men niet mijn bewust­zijn beheer­sen.

Toen mijn gecon­cen­treer­de bewust­zijn dus­da­nig gezui­verd was, … richt­te ik, liet ik mijn bewust­zijn naar de ken­nis van het ver­nie­ti­gen van de men­ta­le cor­rup­ties gaan. Ik ver­kreeg de direc­te ken­nis, zoals het wer­ke­lijk is, ‘dit is onbe­vre­di­gend­heid (duk­kha), dit de oor­zaak is van onbe­vre­di­gend­heid, dit het ophou­den is van onbe­vre­di­gend­heid en dit het pad dat voert tot het beëin­di­gen van onbe­vre­di­gend­heid’; Ik ver­kreeg de direc­te ken­nis, zoals het wer­ke­lijk is, ‘dit zijn de men­ta­le cor­rup­ties, dit is de oor­zaak van de men­ta­le cor­rup­ties, dit het beëin­di­gen van de men­ta­le cor­rup­ties, dit is het pad dat voert naar het beëin­di­gen van de men­ta­le cor­rup­ties.’ Met die ken­nis en inzicht raak­te mijn hart bevrijd van de men­ta­le cor­rup­tie van zin­tuig­lijk ver­lan­gen, de men­ta­le cor­rup­tie van zijn en de men­ta­le cor­rup­tie van onwe­tend­heid. Bevrijd zijn­de kwam de ken­nis: ‘het is bevrijd.’ Ik had de direc­te ken­nis: ‘geboor­te is tot een ein­de geko­men, het hei­li­ge leven is geleefd, wat gedaan moest wor­den is gedaan, er is niet meer van zulks dat nog zal komen. Dit was de der­de ware ken­nis, door mij ver­kre­gen in het der­de deel van de nacht. Onwe­tend­heid werd ver­ban­nen, en ware ken­nis ver­scheen, de duis­ter­nis werd ver­ban­nen en licht ver­scheen, zoals dat gebeurt in iemand met vast­be­ra­den­heid, vol­har­dend­heid en zelf-beheersing. Maar ik

Vol­gens de legen­de daagt Mara, de kwa­de, de ver­lei­der, de per­so­ni­fi­ca­tie van de dood, Sid­dhar­ta gedu­ren­de deze laat­ste nacht uit.

Eerst stuurt hij zijn leger op Sid­dhar­ta af om hem angst in te boe­ze­men. Het gru­we­lij­ke en angst­aan­ja­gen­de leger van Mara schreeuwt en brult en vuurt pij­len op Sid­dhar­ta af, maar de pij­len ver­an­de­ren door de onein­di­ge lief­de­vol­le vrien­de­lijk­heid van Sid­dhar­ta in bloe­men als ze bij hem aan­ko­men.

Dan stuurt Mara zijn drie bloed­mooie doch­ters (begeer­te, aver­sie en gehecht­heid) naar Sid­dhar­ta om hem te ver­lei­den en te bin­den aan de wereld. Zij dan­sen en zin­gen met hun wulp­se licha­men en scho­ne stem­men om hem heen, maar Sid­dhar­ta blijft, door con­cen­tra­tie afge­zon­derd van zin­tuig­lij­ke ver­lan­gens en onheil­za­me men­ta­le kwa­li­tei­ten, vol­le­dig onge­roerd.

Als laat­ste vraagt Mara, ver­twij­feld dat Sid­dhar­ta aan zijn kete­nen zal ont­vluch­ten, hoe­zo Sid­dhar­ta denkt het recht te heb­ben zich te bevrij­den van al het lij­den.

Sid­dhar­ta raakt hier­op met de vin­ger­top­pen van zijn rech­ter hand de aar­de aan en roept het uni­ver­sum op als getui­ge voor de inspan­ning die hij in al zijn tal­lo­ze levens, gedu­ren­de al die ein­de­lo­ze aeo­nen heeft gele­verd, om bevrij­ding te berei­ken.

Het uni­ver­sum beeft als ant­woord en Mara is ver­sla­gen.

Zo bereikt Sid­dhar­ta Gau­ta­ma, medi­te­rend onder de bodhi-boom, de vol­le­di­ge uni­ver­se­le ver­lich­ting van een Boed­dha.

Het in Beweging Brengen van het Wiel van Dhamma

Na zijn ver­lich­ting ver­blijft de Boed­dha een tijd in retrai­te. Op gege­ven moment komt de gedach­te in hem op (MN 26):

Deze Dham­ma die ik heb door­grond is diep­zin­nig, moei­lijk te zien en moei­lijk te begrij­pen; zij is het meest vre­di­ge en sublie­me doel, niet door rede­ne­ren te berei­ken, sub­tiel, alleen door wij­zen te erva­ren. Maar deze gene­ra­tie is ver­trouwd met het wereld­se, geniet van het wereld­se, ver­heugt zich in het wereld­se. Het is moei­lijk voor een der­ge­lij­ke gene­ra­tie om de waar­heid te zien, name­lijk, de spe­ci­fie­ke con­di­ti­o­na­li­teit, afhan­ke­lijk ont­staan. En het is moei­lijk om de waar­heid te zien, name­lijk, het ver­stil­len van alle for­ma­ties, het opge­ven van alle gehecht­heid, de ver­nie­ti­ging van begeer­te, het pas­sie­lo­ze, het ophou­den, Nib­ba­na.”

Uit com­pas­sie met de wereld besluit hij toch de wereld in te kij­ken op zoek naar wezens die zijn weg zou­den kun­nen begrij­pen (MN 26):

Ik zag wezens met wei­nig stof in de ogen en met veel stof in de ogen, met scher­pe ver­mo­gens en met tra­ge ver­mo­gens, met goe­de kwa­li­tei­ten en met slech­te kwa­li­tei­ten, mak­ke­lijk te onder­wij­zen en moei­lijk te onder­wij­zen.”

De Boed­dha vraagt zich af aan wie hij zijn weg het bes­te als eerst zou kun­nen tonen en denkt aan zijn eer­de­re medi­ta­tie lera­ren Ala­ra Kala­man en Udda­ka Rama­put­ta, maar de ken­nis komt in hem boven dat deze lera­ren inmid­dels zijn over­le­den.

Daar­na denkt hij aan de vijf asce­ten die hem zo lang heb­ben gevolg tij­dens zijn asce­se en ziet dat zij nabij ver­blij­ven en ont­van­ke­lijk zijn voor zijn leer.

Later, bij de vijf asce­ten in het her­ten­park in Sar­nath, vlak bij het hui­di­ge Vara­na­si aan­ge­ko­men, geeft de Boed­dha zijn eer­ste lering waar­mee het wiel van Dham­ma in bewe­ging wordt gezet en de weg naar bevrij­ding weer in de wereld te horen en te vol­gen is. De Dham­ma­cak­kap­pa­vat­ta­na Sut­ta is zo de eer­ste lering van de Boed­dha (SN 56.11):

Aldus heb ik  gehoord. Op een gege­ven moment ver­bleef de Geze­gen­de in het Her­ten Park te Isi­pat­a­na (ver­blijfs­plaats van­de Zie­ners), vlak bij Vara­na­si (Bena­res). Daar sprak hij tot de groep van vijf mon­ni­ken:

Mon­ni­ken, deze twee extre­men zou­den niet beoe­fend moe­ten wor­den door die­ge­ne die het wereld­se leven ach­ter zich heeft gela­ten. Wat zijn die twee? Er is de ver­sla­ving aan het genot van de zin­tui­gen, dit is laag, grof, de weg van de gewo­ne mens, niet waar­dig, niet voor­de­lig; en er is de ver­sla­ving aan zelf­kas­tij­ding, wat pijn­lijk is, niet waar­dig, niet voor­de­lig.

Deze twee extre­men ver­mij­dend rea­li­seer­de de Tat­ha­ga­ta (de Boed­dha) de Mid­del­ste Weg; voe­rend tot visie en ken­nis, tot kalm­te, tot inzicht, tot ver­lich­ting en Nib­ba­na. En wat is deze Mid­del­ste Weg die Tat­ha­gat­ha rea­li­seer­de? Het is het Nobe­le Acht­vou­di­ge Pad, en niets anders, dat wil zeg­gen: juis­te ziens­wij­ze (sam­ma dit­thi), juis­te inten­tie (sam­ma sank­ap­pa), juis­te spraak (sam­ma vaca), juist han­de­len (sam­ma kam­man­ta), juist levens­on­der­houd (sam­ma aji­va),  juis­te inspan­ning (sam­ma vaya­ma), juis­te aan­dacht (sam­ma sati) en juis­te con­cen­tra­tie (sam­ma sama­dhi). Dit is de Mid­del­ste Weg gere­a­li­seerd door de Tat­ha­ga­ta voe­rend tot visie en ken­nis, tot kalm­te, tot inzicht, tot ver­lich­ting en Nib­ba­na.

Dit is de Ede­le Waar­heid van de onbe­vre­di­gend­heid: Geboor­te is onbe­vre­di­gend; in ver­val raken is onbe­vre­di­gend; ster­ven is onbe­vre­di­gend; bedroefd­heid, gewee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop zijn onbe­vre­di­gend; niet krij­gen wat men wil is onbe­vre­di­gend; in het kort, de vijf aggre­ga­ten waar­aan gehecht wordt (upadanak­han­da) zijn onbe­vre­di­gend.

Dit is de Ede­le Waar­heid van de oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid: dit ver­lan­gen dat voor ont­staan zorgt – gepaard gaan­de met lust en genot, nu hier nu daar – dat wil zeg­gen, zin­tuig­lijk ver­lan­gen (kama-tanha), ver­lan­gen naar (eeu­wig) bestaan (bha­va tan­ha), ver­lan­gen naar zelf-vernietiging (vib­ha­va tan­ha).

Dit is de Ede­le Waar­heid van het ophou­den van de onbe­vre­di­gend­heid: het rest­lo­ze ver­va­gen en ver­nie­ti­gen van juist dit ver­lan­gen, het ver­za­ken en opge­ven daar­van, het los­la­ten en bevrijd zijn daar­van.

En dit is de Ede­le Waar­heid van de weg naar de bevrij­ding van onbe­vre­di­gend­heid: Pre­cies dit [Acht­vou­di­ge] Pad – juis­te ziens­wij­ze (sam­ma dit­thi), juis­te inten­tie (sam­ma sank­ap­pa), juis­te spraak (sam­ma vaca), juist han­de­len (sam­ma kam­man­ta), juist levens­on­der­houd (sam­ma aji­va),  juis­te inspan­ning (sam­ma vaya­ma), juis­te aan­dacht (sam­ma sati) en juis­te con­cen­tra­tie (sam­ma sama­dhi).

Dit is de Ede­le Waar­heid van onbe­vre­di­gend­heid’: zo was de visie, de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dan in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, dient vol­le­dig door­zien te  wor­den’: Zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, is vol­le­dig door­zien’: Zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord.

Dit is de Ede­le Waar­heid van de oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid’: zo was de visie, de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mij opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, dient vol­le­dig ver­nie­tigd te wor­den’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, is vol­le­dig ver­nie­tigd’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord.

Dit is de Ede­le Waar­heid van het ophou­den van onbe­vre­di­gend­heid’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Dit ophou­den van onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, dient vol­le­dig ver­we­zen­lijkt te wor­den’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Dit ophou­den van onbe­vre­di­gend­heid, als Ede­le Waar­heid, is vol­le­dig ver­we­zen­lijkt’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord.

Dit is de Ede­le Waar­heid van de weg naar de bevrij­ding van onbe­vre­di­gend­heid’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze weg, als Ede­le Waar­heid, dient vol­le­dig ont­wik­keld te wor­den’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord. ‘Deze weg, als Ede­le Waar­heid, is vol­le­dig ont­wik­keld’: zo was de visie de ken­nis, de wijs­heid, de weten­schap, het licht dat in mijn opkwam ten aan­zien van din­gen die niet eer­der waren gehoord.

Zolang mijn visie en ken­nis over de din­gen zoals de daad­wer­ke­lijk zijn niet vol­le­di­ge hel­der was ten aan­zien van deze drie aspec­ten, op deze twaalf manie­ren, ten aan­zien van de Vier Ede­le Waar­he­den, beweer­de ik niet de onge­ë­ve­naar­de vol­le­di­ge bevrij­ding bereikt te heb­ben in deze wereld met goden, Maras en Brah­mas, in deze gene­ra­tie van asce­ten en Brah­ma­nen, met Devas en men­sen. Maar toen mijn visie en ken­nis over de din­gen zoals de daad­wer­ke­lijk zijn vol­le­di­ge hel­der was ten aan­zien van deze drie aspec­ten, op deze twaalf manie­ren, ten aan­zien van de Vier Ede­le Waar­he­den, beweer­de ik de onge­ë­ve­naar­de vol­le­di­ge bevrij­ding bereikt te heb­ben in deze wereld met goden, Maras en Brah­mas, in deze gene­ra­tie van asce­ten en Brah­ma­nen, met Devas en men­sen. En een inzicht kwam in mij op: ‘Onwan­kel­baar is de bevrij­ding van mijn hard. Dit is de laat­ste geboor­de. Er is geen wor­den (weder-geboorte) meer.’”

Dit is wat de Geze­gen­de zij. De groep van vijf mon­ni­ken was ver­heugd en ver­blij­den zich in de woor­den van de Geze­gen­de.

Nadat deze lering uit­een was gezet kwam in de Eer­aar­de Kodan­na de ver­lan­gen­lo­ze, smet­te­lo­ze visie van de Waar­heid (dhamma-cakkhu) op; met ande­re wor­den, hij bereik­te het sta­di­um van stroom­be­tre­der (sota­pat­ti), her eer­ste sta­di­um van bevrij­ding, en rea­li­seer­de zich: ‘Alles dat opkomt zal ook weer ver­gaan.’

Nu dan, toen de Geze­gen­de het Wiel van Waar­heid in bewe­ging had gezet rie­pen de Bhu­mat­t­ha­na Devas (hemel­se wezens van de aar­de): ‘Het onge­ë­ve­naar­de Wiel van Waar­heid dat niet in gang kan gezet kan wor­den door asce­ten, Brah­ma­nen, Devas, Maras, Brah­mas, of wie dan ook in de wereld is in gang gezet door de  Geze­gen­de in het Her­ten Park in Isi­pat­a­na vlak bij Varan­si!’

Deze woor­den van de Bhu­mat­t­ha­na Devas horend, rie­pen alle Catum­ma­ha­ra­ji­ka Devas (de hemel­se wezens van de Vier Konin­gen): ‘Het onge­ë­ve­naar­de Wiel van Waar­heid dat niet in sgang kan gezet kan wor­den door asce­ten, Brah­ma­nen, Devas, Maras, Brah­mas, of wie dan ook in de wereld is in gang gezet door de  Geze­gen­de in het Her­ten Park in Isi­pat­a­na vlak bij Varan­si!’ Deze woor­den gehoord in de hoge­re Deva werel­den, en de Catum­ma­ha­ra­ji­ka Devas horend rie­pen de wezens van Tava­tim­sa… Yama… Tusi­ta… Nim­ma­na­ra­ti… Paranimmita-vasavatti… en de Brah­mas van Brah­ma Pari­sa­j­ja… Brah­ma Puro­hi­ta… Maha Brah­ma… Parit­tab­ha… Appama­nab­ha… Abhas­sa­ra… Parit­ta­sub­ha… Appama­na sub­ha… Sub­ha­kin­na… Vehapp­ha­la… Avi­ha… Atap­pa… Sudas­sa… Sudas­si… and in Akani­t­t­ha: ): ‘Het onge­ë­ve­naar­de Wiel van Waar­heid dat niet in gang kan gezet kan wor­den door asce­ten, Brah­ma­nen, Devas, Maras, Brah­mas, of wie dan ook in de wereld is in gang gezet door de  Geze­gen­de in het Her­ten Park in Isi­pat­a­na vlak bij Varan­si!’

En op dat moment, op dat ogen­blik, toen de kreet (dat het wiel van Waar­heid in bewe­ging is gezet) gehoord werd tot ver in de Brah­ma wereld, tril­de, beef­de en schok­te het tien­dui­zend­vou­di­ge wereld­sys­teem, en een gren­ze­loos ver­he­ven luis­ter dat het licht van de Devas over­stijgd straal­de in de wereld.

En de geze­gen­de uit­te deze lof van vreug­de: ‘waar­lijk, Kon­dan­na weet het! Waar­lijk, Kodan­na weet het (de Vier Ede­le Waar­he­den).’ Zo kwam het daad Kodan­na de naam ‘Anna Kodan­na’ kreeg – Kodan­na die weet.”

Kon­dan­na was zo de eer­ste dis­ci­pel van de Boed­dha die uit eigen erva­ring de ware natuur van de din­gen door­gron­de.

Dit is een heel belang­rijk moment en goed om even bij stil te staan.

Het bena­drukt name­lijk dat de weg die de Boed­dha onder­wees daad­wer­ke­lijk door ande­ren te ver­we­zen­lij­ken is, dat de Boed­dha enkel de weg wijst.

Er wordt wel eens gezegd dat de weg van de Boed­dha een ego­ïs­te weg is omdat het om bevrij­ding van jezelf gaat. Het is ech­ter uit lief­de en com­pas­sie voor alle wezen dat de Boed­dha zijn weg met ons deel­de.

Toen hij 60 dis­ci­pe­len had die allen vol­le­dig bevrijd waren van het lij­den, ver­licht, ara­hant, droeg hij ze op om de wereld in te trek­ken om de weg naar juist deze bevrij­ding te delen (Vin I:20):

Ga, bhik­khus, voor het wel­zijn ven velen, voor het geluk van velen, uit com­pas­sie voor de wereld, voor het goe­de, het wel­zijn en het geluk van goden en men­sen. Laat geen twee van jul­lie dezelf­de weg gaan.”

2500 jaar gele­den ver­liet de Boed­dha uit lief­de en com­pas­sie voor de wereld huis en haard en span­de zich in om een weg naar het ein­de van het lij­den, naar bevrij­ding, ver­lich­ting, Nib­ba­na te vin­den.

Toen hij deze weg, deze waar­heid, de Dham­ma, had gevon­den, door­grond en ver­we­zen­lijkt onder­wees hij haar uit lief­de en com­pas­sie voor de wereld.

En de afge­lo­pen 2500 jaar heb­ben zijn ver­lich­te dis­ci­pe­len zijn voor­beeld gevolgd en zich vol geduld inge­span­nen om de weg naar bevrij­ding uit lief­de en com­pas­sie in de wereld te hou­den en te delen met ieder­een die het ver­mo­gen heeft om ernaar te luis­te­ren.

Het Fundament van de Dhamma


Wat wij tegen­woor­dig ‘Boed­dhis­me’ noe­men stond in de oud­heid bekend als ‘Dhamma-Vinaya’.

Het woord ‘Dham­ma’ (in sans­kriet Dhar­ma) heeft vele bete­ke­nis­sen.

Het behelst de ultie­me feno­me­nen waar­uit het uni­ver­sum is opge­bouwd, maar bete­kend ook waar­heid of wer­ke­lijk­heid en is een syno­niem voor de leer, de weg, van de Boed­dha.

Vinaya is de ethi­sche code van de Boed­dha. Onder Vinaya val­len alle regels voor mon­ni­ken en more­le advie­zen aan leken.

Dat de term Vinaya naast Dham­ma wordt gezet in de beschrij­ving van de leer van de Boed­dha laat zien hoe belang­rijk mora­li­teit is als voor bevrij­ding.

Het fun­da­ment van de Dham­ma zijn de vier Ede­le Waar­he­den (cat­ta­ri ariya­sac­ca­ni) en afhan­ke­lijk ont­staan (patic­ca­sa­mup­pa­da).

De vier Ede­le Waar­he­den zijn:

  1. De waar­heid van de onbe­vre­di­gend­heid (duk­kha sac­ca)
  2. De waar­heid van de oor­zaak van de onbe­vre­di­gend­heid (dukkha-samudaya sac­ca)
  3. De waar­heid van het ophou­den van de onbe­vre­di­gend­heid (dukkha-nirodha sac­ca)
  4. De waar­heid van de weg naar de bevrij­ding van de onbe­vre­di­gend­heid (dukkha-nirodha-gamini-patipada sac­ca)

Afhan­ke­lijk ont­staan wordt zeer fre­quent samen­ge­vat met (bijv Ud 1:3):

Als dit is, ont­staat dat. Met het opko­men van dit, komt dat op. Als dit niet is, ont­staat dat niet. Met het ophou­den van dit, houdt dat op.”

Omdat deze twee onder­de­len van de leer diep in elkaar ver­we­ven zij zul­len wij de uit­leg over het fun­da­ment van de Dham­ma inde­len op basis van de vier Ede­le Waar­he­den, en afhan­ke­lijk ont­staan in het kader van de twee­de Ede­le Waar­heid, over de oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid, plaat­sen.

Door de onder­lin­ge samen­hang is het ech­ter onver­mij­de­lijk dat ter­men als ‘con­di­ties’, ‘gecon­di­ti­o­neerd­heid’, ‘ont­staan en ver­gaan’, etc al eer­der voor­ko­men. In dat geval is het tel­kens een ver­wij­zing naar het prin­ci­pe van afhan­ke­lijk ont­staan.

De Waarheid van Onbevredigendheid


In zijn eer­ste lering zegt de Boed­dha (SN 56:11):

Dit mon­ni­ken, is de Ede­le Waar­heid van de onbe­vre­di­gend­heid: Geboor­te is onbe­vre­di­gend; in ver­val raken is onbe­vre­di­gend; ster­ven is onbe­vre­di­gend; bedroefd­heid, gewee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop zijn onbe­vre­di­gend; niet krij­gen wat men wil is onbe­vre­di­gend; in het kort, de vijf aggre­ga­ten waar­aan gehecht wordt (upadanak­han­da) zijn onbe­vre­di­gend.”

De Vijf Afggregaten

Hier­bo­ven staat de zin “in het kort, de vijf aggre­ga­ten waar­aan gehecht wordt zijn onbe­vre­di­gend”.

De vijf aggre­ga­ten (khan­da) zijn mate­rie (rupa), gevoel (veda­na), per­cep­ties (san­na), men­ta­le for­ma­ties (sank­ha­ra) en bewust­zijn (vin­n­a­na).

Ten tij­de van de Boed­dha werd alles in de wereld in deze vijf groe­pen onder­ver­deeld, een ande­re moge­lij­ke maar wel­licht iets omslach­ti­ge­re ver­ta­ling van khan­da is dan ook de vijf ‘groe­pen van het bestaan’.

Onder mate­rie val­len de ver­schil­len­de soor­ten ele­men­ten. Onder gevoel valt aan­ge­naam, onaan­ge­naam en neu­traal gevoel. Onder men­ta­le for­ma­ties val­len de inten­ties (ceta­na) gericht op vor­men, gelui­den, geu­ren, sma­ken, tast en men­ta­le objec­ten. Onder bewust­zijn val­len oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en mentaal-bewustzijn.

Vrij­wel altijd noemt de Boed­dha de aggre­ga­ten (khan­da) als ‘aggre­ga­ten onder­he­vig aan hech­ting’ (upadanak­han­da).

De woor­den van de Boed­dha zijn dan ook ver­strek­kend, want hij zegt niets min­der dan dat er, zolang je aan iets in de wereld of jezelf hecht, er onbe­vre­di­gend­heid zal zijn.

Dukkha

Om dit ver­der te ver­dui­de­lijk zul­len we het woord Duk­kha, hier­bo­ven ver­taald als onbe­vre­di­gend­heid, die­per bekij­ken.

Duk­kha wordt vaak ver­taald met lij­den. In het dage­lijks leven is Duk­kha ook het meest mak­ke­lijk waar te nemen als lij­den en daar­om spreekt die ver­ta­ling meer tot de ver­beel­ding. Duk­kha heeft ech­ter een veel bre­de­re bete­ke­nis die met ‘lij­den’ ver­lo­ren dreigt te gaan.

Eigen­lijk zou duk­kha het mooist ver­taald kun­nen wor­den met ‘het aan­lo­pen van de wagen-as’. Als een wiel aan­loopt dan is er con­ti­nu spra­ke van fric­tie, van wrij­ving.

Het gaat net niet zoals gewenst, of het wiel nou stil staat of rolt. Zelfs als het wiel tij­de­lijk door een toe­val­li­ge bewe­ging op de weg vrij komt van fric­tie zal het aan­lo­pen een omwen­te­ling van het wiel later gewoon weer ver­der­gaan.

Duk­kha kent drie ver­schil­len­de vari­a­ties die allen onder­ling met elkaar te maken heb­ben.

Als eer­ste ‘Dhukkha-dukkhata’ wat zoveel bete­kend als leed dat direct wordt erva­ren.

Dit kan zowel men­taal als fysiek zijn. Met fysie­ke pijn wordt bij­voor­beeld is iets sim­pels als het sto­ten van je teen bedoeld of mis­schien op een die­per laag­je het con­ti­nue dis­com­fort van je lichaam waar­door je steeds moet ver­zit­ten. Men­ta­le pijn is bij­voor­beeld ver­driet of wan­hoop, mis­schien ont­staan door het ver­lies van een gelief­de.

De twee­de vari­a­tie is ‘Vipa­ri­ma­na Duk­kha’ ofwel lij­den als gevolg van ver­an­de­ring.

Dit is wat inge­wik­kel­der als de eer­ste vari­a­tie. Het is niet, zoals vaak wordt gedacht, het lij­den dat ont­staat nadat iets is ver­an­derd. Dat valt zoals gezegd onder de eer­ste vari­a­tie, bij­voor­beeld lij­den door ver­lies.

Deze vorm van lij­den is het leed dat onher­roe­pe­lijk in een ple­zie­ri­ge erva­ring zelf zit, ten tij­de van die ple­zie­ri­ge erva­ring. De reden is dat, omdat alles dat ont­staat ook weer ver­gaat, elke vorm van geluk of ple­zier uit­ein­de­lijk weer zal ver­gaan.

Het is dit poten­ti­ë­le lij­den voort­ko­mend uit de gecon­di­ti­o­neerd­heid van het bestaan dat wordt bedoeld met deze vorm van lij­den.

De laat­ste vari­a­tie is ‘Sank­ha­ra Duk­kha’.

Dit ver­wijst naar het lij­den dat inhe­rent is aan alle gecon­di­ti­o­neer­de sta­ten. Sank­ha­ra is een moei­lijk te ver­ta­len term. Het ver­wijst naar for­ma­ties in de zin dat alles voort komt uit con­di­ties.

Deze vorm van Duk­kha is de inhe­ren­te con­ti­nue onder­lig­gen­de onbe­vre­di­gend­heid van het bestaan op het aller­diep­ste niveau.

Zolang als er con­di­ties zijn gaat het bestaan ver­der en blijft het rond­dwa­len in Samsa­ra.

Alleen Nib­ba­na is vrij is van con­di­ties en alleen die­ge­ne die Nib­ba­na uit eigen erva­ring heeft gezien door­ziet ‘Sank­ha­ra Duk­kha’ vol­le­dig. Voor ons gewo­ne ster­ve­lin­gen blijft dit tot dat punt een con­cept.

De ver­schil­len­de vari­a­ties van Duk­kha zijn dus eigen­lijk niets anders dan steeds sub­tie­le­re niveaus waar­op Duk­kha waar­ge­no­men kan wor­den.

Eerst het direct waar­neem­ba­re, dan de rea­li­sa­tie dat dit ook geldt voor ple­zie­ri­ge momen­ten, dan dat dit vol­le­dig in het bestaan ver­we­ven zit.

Je kunt je afvra­gen waar­om het goed is om je steeds meer bewust te zijn van Duk­kha. Wordt het lij­den dan niet alleen maar erger? Kun je het niet beter gewoon nege­ren, doen als­of er niets aan de hand is?

Struis­vo­gel poli­tiek is natuur­lijk altijd een optie, maar dat ver­an­dert niets aan deze wer­ke­lijk­heid.

Wie de rea­li­teit van Duk­kha steeds ver­der tot zich door laat drin­gen kan hier een enor­me ener­gie en moti­va­tie uit put­ten om de inspan­ning te leve­ren die nodig is om er een ein­de aan te maken, want dat is moge­lijk!

Gewoon gedul­dig inspan­ning blij­ven leve­ren. Dan zul je vroe­ger of later uit de ein­de­lo­ze cir­kel van Samsa­ra kun­nen stap­pen en de onbe­schrij­fe­lij­ke vre­de van Nib­ba­na berei­ken.

Samsara

Voor­dat we begon­nen aan het leven van de Boed­dha heb­ben we Samsa­ra al kort aan­ge­stipt. In een goed over­zicht van Duk­kha mag wat meer uit­leg over deze in het wes­ten meest­al ver­keerd gebruik­te term niet mis­sen. Samsa­ra kan ver­taald wor­den met ‘het ein­de­lo­ze rond­dwa­len’. Eerst enke­le woor­den van de Boed­dha zelf (SN 15:3)

Wat den­ken jul­lie is meer: de vloed van tra­nen die jul­lie, wenend en krij­send, op deze lan­ge weg heb­ben gela­ten – voort­gaand door deze ron­den van weder­ge­boor­te, ver­e­nigd met het onge­wens­te, geschei­den van wat begeerd wordt – dit, of het water in de vier oce­a­nen?

Lang heb­ben jul­lie lij­den door de dood van vader en moe­der of zonen, doch­ters, broers en zus­sen onder­von­den. En ter­wijl jul­lie zo leden heb­ben jul­lie meer tra­nen gela­ten op deze lan­ge weg dan dat er water is in de vier oce­a­nen.

Wat den­ken jul­lie is meer: de stro­men van bloed die jul­lie, door ont­hoof­ding heb­ben ver­lo­ren op deze lan­ge weg – dit, of het water in de vier oce­a­nen?

Lang zijn jul­lie gevan­gen als die­ven, of rovers, of ver­krach­ters; en, door jul­lie ont­hoof­ding is waar­ach­tig meer bloed gestroomd op deze lan­ge weg dan dat er water is in de vier oce­a­nen.

Maar hoe is dit moge­lijk?

Onmo­ge­lijk is het om een begin te vin­den van Samsa­ra; een begin van het voort­gaan van wezens door deze ron­den van weder­ge­boor­te, belem­merd door onwe­tend­heid en geke­tend door ver­lan­gen.”

Samsa­ra is het gro­te over­stij­gen­de pro­bleem. Het is het ein­de­lo­ze karak­ter van Duk­kha.

Er is geen begin te vin­den, hoe ver je ook terug kijkt en zelfs de dood, zo leert de Boed­dha, is geen ein­de.

Er is geen hemels bestaan, hoe mooi dan ook, dat een per­ma­nen­te uit­komst biedt.

Vroe­ger of later ver­an­de­ren de din­gen, ver­gaan ze.

Ahba leert dat het belang­rijk is om in te zien dat we gevan­gen zit­ten in deze voort­du­ren­de cyclus van leven en dood, con­ti­nu onder­wor­pen aan lij­den als gevolg van ver­lan­gen.

In eer­ste instan­tie is dit mis­schien enkel een pos­tu­laat om af en toe op te reflec­te­ren, maar door aan­hou­den­de over­pein­zing gecom­bi­neerd met erva­ring en inzicht voort­ko­mend uit con­cen­tra­tie medi­ta­tie kan deze cyclus in toe­ne­men­de mate een bron van ener­gie en vast­be­ra­den­heid vor­men, cul­mi­ne­rend in de gedach­te (AN 2:5):

Ook al droogt het vlees en bloed in ons lichaam op en blij­ven alleen huid, pezen en bot­ten over, zolang wij niet bereikt heb­ben wat te berei­ken valt door men­se­lij­ke vast­be­ra­den­heid, men­se­lijk door­zet­tings­ver­mo­gen, men­se­lijk stre­ven, zul­len wij onze inspan­ning niet laten varen.”

Duk­kha is inhe­rent aan al het bestaan. Alleen het ein­de van het gecon­di­ti­o­neer­de, van wor­ding, dat wil zeg­gen Nib­ba­na, is per­ma­nent.

De Drie Kenmerken van het Bestaan

De Boed­dha onder­wees drie ken­mer­ken (tilank­kha­na) die gel­den voor al het bestaan in Samsa­ra, name­lijk ver­gan­ke­lijk­heid (anic­ca), onbe­vre­di­gend­heid (duk­kha) en niet-zelf of zel­floos­heid (anat­ta).

Nib­ba­na daar­en­te­gen is per­ma­nent en vrij van onbe­vre­di­gend­heid, maar ook Nib­ba­na kent geen zelf, is zel­floos.

Het berei­ken van Nib­ba­na is dus niet het samen­gaan met een gro­ter geheel of het opgaan in het uni­ver­se­le, in Brah­ma, het god­de­lij­ke of iets der­ge­lijks. Want aan al deze voor­beel­den ligt een con­cept van ‘ik’ of het samen­smel­ten van het ‘ik’ met ‘iets’ ten grond­slag.

De drie ken­mer­ken zijn van groot belang omdat direct inzicht op erva­rings­ni­veau in een van deze ken­mer­ken de poort tot Nib­ba­na opent.

Door het inzien dat alles ver­gan­ke­lijk, onbe­vre­di­gend en zon­der een aan­wijs­baar zelf is kan het bewust­zijn los­la­ten en vol­le­dig vrij komen van ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid.

Ver­gan­ke­lijk­heid (anic­ca) wordt in de Pali Canon vaak samen­ge­vat met de uiting “al wat ont­staat zal ook weer ver­gaan.”

Zo belang­rijk is het opko­men en ver­gaan der din­gen dat de Boed­dha hier zijn aller­laat­ste woor­den aan wij­de (DN 16):

Ver­gan­ke­lijk, onder­wor­pen aan ver­an­de­ring, zijn alle for­ma­ties. Streef onaf­la­tend [naar bevrij­ding]!”

En ook na het over­lij­den van de Boed­dha bena­drukt Sak­kha, koning der goden, het belang ervan met de woor­den (DN 16):

Ver­gan­ke­lijk zijn alle for­ma­ties, ze komen op en ver­gaan, dat is hun aard: ze ont­staan en gaan heen, bevrij­ding hier­van is de hoog­ste geluk­za­lig­heid”

Op het eer­ste gezicht lijkt dit een sim­pe­le en in het dage­lijks leven zeer her­ken­ba­re stel­ling in de zin van ‘aan alles komt een eind’, maar de woor­den van de Boed­dha heb­ben een veel ver­strek­ken­de­re bete­ke­nis dan dat.

Het opko­men en ver­gaan gebeurt name­lijk van moment op moment, met zo een enor­me snel­heid dat het een con­ti­nue stroom lijkt.

Het valt te ver­ge­lij­ken met een film waar­bij het snel genoeg afspe­len van los­se beel­den de illu­sie wekt dat er daad­wer­ke­lijk bewe­ging is.

Net zo is het voor mind en mate­rie. Als de con­cen­tra­tie hoog genoeg is kan inzicht en wijs­heid wor­den ont­wik­keld door naar dit momen­tai­re opko­men en ver­gaan te kij­ken.

Met hoge con­cen­tra­tie kun je name­lijk zien dat mentaliteit-materialiteit (nama-rupa) ver­vormd is, niet klopt.

Het gaat dan niet om de sim­pe­le vast­stel­ling dat een gedach­te komt en gaat of het lichaam van dag tot dag ver­an­dert, want dat is een hele gro­ve vast­stel­ling.

Het gaat erom op het sub­tiel­ste niveau te erva­ren dat zowel de mate­rie van lichaam en omge­ving als het men­ta­le con­ti­nu­üm uit los­se momen­ten bestaat die in con­ti­nue flux ver­ke­ren.

En als ver­gan­ke­lijk­heid wordt gezien vol­gen de ande­re twee ken­mer­ken van zelf.

Als wij vast­klam­pen aan dat wat ver­gan­ke­lijk is van­uit de mis­vat­ting dat het per­ma­nent is ont­staat Duk­kha, het twee­de ken­merk van het bestaan waar we eer­der al naar heb­ben geke­ken.

Na de uit­leg over ver­gan­ke­lijk­heid en de al eer­der gege­ven uit­leg over duk­kha zul­len we stil­staan bij niet-zelf (anat­ta), een van de meest cru­ci­a­le ter­men in de Dham­ma.

In ons dage­lijks leven kij­ken en erva­ren wij ons­zelf en de wereld voort­du­rend van­uit een ‘ik’ besef. Ik kijk de wereld in, ik wil dit, ik wil dat niet, dit is van mij, etc.

En onher­roe­pe­lijk volgt het onder­schei­den en ver­ge­lij­ken tus­sen ‘mij’ en de ‘ander’.  Dit onder­schei­den is een van de oor­za­ken voor al het con­flict in de wereld.

De Boed­dha geeft her­haal­de­lijk aan dat de ziens­wij­ze ‘ik’ een ver­keer­de ziens­wij­ze is, niet in over­een­stem­ming met de rea­li­teit.

Deze ver­keer­de ziens­wij­ze is een illu­sie in stand gehou­den door ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid, en kan wor­den door­zien mid­dels con­cen­tra­tie en inzicht. Zo onder­wees de Boed­dha (SN 22:95):

Stel een man met goed zicht zou de vele lucht­bel­len op de Gan­ges rivier zien ter­wijl hij er langs rijdt, en hij zou er naar kij­ken en ze gron­dig onder­zoe­ken; dan zou hij, ze gron­dig onder­zocht heb­ben­de, de lucht­bel­len zien als leeg, vluch­tig en zon­der sub­stan­tie. Op pre­cies dezelf­de manier ziet de mon­nik alle mate­ri­ë­le feno­me­nen, gevoe­lens, per­cep­ties, men­ta­le for­ma­ties en bewust­zijns­toe­stan­den – of in het ver­le­den, het heden of de toe­komst, ver weg of dicht­bij. En als hij ze ziet, en ze gron­dig onder­zoekt, dan ziet hij ze als leeg, vacant, zon­der een zelf.”

In de stan­daard for­mu­le legt de Boed­dha het ver­band met de ande­re twee ken­mer­ken.

Als de din­gen ver­gan­ke­lijk zijn dan komt daar door vast­klam­pen en lij­den uit voort. Als er een zelf zou zijn dan zou dat zelf bij mach­te moe­ten zijn om te beslis­sen enkel geluk­kig te zijn, dit lukt ech­ter niet.

Wij heb­ben geen vol­le­di­ge con­tro­le over ons geluk (of ande­re aspec­ten van de mind wat dat betreft), net zo min als over de ver­an­de­ring van ons lichaam. Hoe kun je dan spre­ken over een zelf?

Niet, zegt de Boed­dha. Natuur­lijk is dit slechts een cog­ni­tie­ve stel­ling om door mid­del van rede­ne­ren een eer­ste haar­scheur in het beeld van het zelf te krij­gen.

Een ander cog­ni­tief voor­beeld is het naden­ken over de wer­ke­lijk­heid van door ons veel gebruik­te con­cep­ten.

Neem een huis. Wat is het huis? Als we het dak ver­wij­de­ren, de deu­ren en ramen, is het dan nog een huis? Is het huis dan de muren, het fun­da­ment, het land waar het op staat? Als snel kom je tot de con­clu­sie dat een huis niets meer is dan een afspraak.

Heel belang­rijk natuur­lijk om met elkaar te kun­nen pra­ten, maar het kent geen wer­ke­lijk bestaan, heeft geen intrin­sie­ke waar­de.

Het pro­bleem is dat wij toch hech­ten aan deze afspra­ken, deze con­cep­ten. We klam­pen ons eraan vast als­of ze wel waar­de heb­ben.

Toch geldt net als voor ver­gan­ke­lijk­heid en lij­den ook voor niet-zelf dat dit uit­ein­de­lijk vast te stel­len is door het zien van het opko­men en ver­gaan van nama-rupa.

Wie dit ziet kan niet anders dan vast­stel­len dat er geen blij­ven­de enti­teit is, dat er enkel los­se momen­ten zijn die onder­ling gecon­di­ti­o­neerd zijn en con­di­ti­o­ne­ren.

Deze con­clu­sie klopt wel met het dage­lijks leven, want hoe­wel we op een bepaald moment niet kun­nen kie­zen om ons zus of zo te voe­len kun­nen we wel wer­ken aan de con­di­ties om een bepaal­de men­ta­le eigen­schap vaker en ste­vi­ger op te laten komen.

Als we ons niet inspan­nen zul­len dit onheil­za­me eigen­schap­pen zijn, gevoed door ver­lan­gen, boos­heid en onwe­tend­heid, als we ons wel inspan­nen kun­nen we deze lang­zaam maar zeker, heel gedul­dig steeds vaker ver­van­gen door de posi­tie­ve tegen­han­gers en zo onze mind zui­ve­ren en ont­van­ke­lijk maken voor bevrij­dend inzicht.

Het is mis­schien goed om hier nog wat gelei­de­lijk­heid in aan te bren­gen om te voor­ko­men dat wordt gedacht dat zo een inzicht abrupt ont­staat.

Onge­merkt heb­ben we name­lijk vaak een ziens­wij­ze over het zelf gecre­ëerd.

Dat wil zeg­gen, we den­ken ‘ik ben dit’ en kun­nen dat voor ons­zelf bere­de­ne­ren. Met de eer­ste haar­scheur­tjes die ont­staan door medi­ta­tie en rede­na­tie zou het kun­nen dat deze ziens­wij­ze in kracht afneemt en op gege­ven moment stopt.

De vol­gen­de zelf is te zien dat we nog steeds de ‘ik ben’ gedach­te heb­ben. We heb­ben er mis­schien geen uit­ge­brei­de ziens­wij­ze meer over maar erva­ren ons bestaan nog steeds als wer­ke­lij­ke enti­teit.

Door ver­der te gaan met het ont­wik­ke­len van con­cen­tra­tie en inzicht kan ook dit op gege­ven moment over­ste­gen wor­den.

Maar ook dan is het nog niet klaar.

Zelfs voor die­ge­nen die de boven­men­se­lij­ke inspan­ning heb­ben gele­verd om het ‘ik ben’ niveau te over­stij­gen blijft de waar­ne­ming ‘ik’ bestaan. Hier­mee wordt bedoeld dat zodra we de ogen open doen en de wereld in kij­ken we dit van­uit een ik doen.

Pas bij de aller­laat­ste stap op weg naar bevrij­ding kan dit ‘ik’ wor­den opge­ge­ven.

Denkt dus niet te mak­ke­lijk over het opge­ge­ven van een ‘ik’, want dat is het niet, en ver­heug je niet te veel (mag wel een beet­je) als je een klein stap­je hebt gezet, want de weg is lang en er is veel geduld en inspan­ning nodig om wer­ke­lijk tot op het diep­ste niveau uit eigen erva­ring het opko­men en ver­gaan, het lij­den door vast­klam­pen en het niet-zelf te door­gron­den en zo een ein­de te maken aan de onbe­vre­di­gend­heid van het bestaan.

De waarheid van de oorzaak van onbevredigendheid


We gaan ver­der met de pas­sa­ge uit de eer­ste lering van de Boed­dha, dit maal over de twee­de Ede­le waar­heid, de oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid (SN 56:11):

Dit, mon­ni­ken, is de Ede­le waar­heid van de oor­zaak van onbe­vre­di­gend­heid: dit ver­lan­gen dat voor ont­staan zorgt – gepaard gaan­de met lust en genot, nu hier nu daar – dat wil zeg­gen, zin­tuig­lijk ver­lan­gen (kama-tanha), ver­lan­gen naar (eeu­wig) bestaan (bha­va tan­ha), ver­lan­gen naar zelf-vernietiging (vib­ha­va tan­ha).”

De Boed­dha onder­wees ver­der (DN 22):

En waar komt dit ver­lan­gen op en wor­telt zich? Waar er in de wereld ook genot­vol­le en ple­zie­ri­ge din­gen zijn, daar komt dit ver­lan­gen op en wor­telt zich. Oog, oor, neus, tong, lichaam en bewust­zijn zijn genot­vol en ple­zie­rig, daar komt dit ver­lan­gen op en schiet het wor­tel.

Visu­e­le objec­ten, gelui­den, geu­ren, smaak, tast en men­ta­le objec­ten zijn genot­vol en ple­zie­rig, daar komt dit ver­lan­gen op en schiet het wor­tel.

Bewust­zijn, zin­tuig­lij­ke indruk­ken, gevoe­lens voort­ko­mend uit de zin­tuig­lij­ke indruk­ken, per­cep­tie, wil, ver­lan­gen, begeer­te, den­ken en reflec­te­ren zijn genot­vol en ple­zie­rig, daar komt dit ver­lan­gen op en schiet het wor­tel.

Dit is de twee­de Ede­le waar­heid.”

Ver­lan­gen in al zijn vor­men, gevoed door onwe­tend­heid ten aan­zien van de ware natuur der din­gen, is de gro­te oor­zaak voor al het leed in de wereld.

Hoe­wel wij geneigd zijn om te den­ken dat ver­lan­gen altijd met iets wil­len te maken heeft is het belang­rijk te besef­fen dat ver­lan­gen zich ook mani­fes­teert in de vorm van niet wil­len.

De meest basa­le vorm van ver­lan­gen is zin­tui­ge­lijk ver­lan­gen (kama-tanha).

Dit is niet enkel sen­su­eel of ero­tisch ver­lan­gen maar al de vor­men van wel of niet wil­len heb­ben voort­ko­mend uit het con­tact dat onze zin­tui­gen maken. Of het nou iets moois of naars is dat wij zien, horen, rui­ken proe­ven, voe­len of den­ken.

De laat­ste ver­dient extra aan­dacht omdat het boed­dhis­me het bewust­zijn en de objec­ten van het bewust­zijn als zes­de zin­tuig kent als toe­voe­ging tot de ons beken­de vijf zin­tui­gen. Daar­om valt onder dit ver­lan­gen ook het ver­lan­gen voort­ko­mend uit idee­ën, menin­gen, con­cep­ten en der­ge­lij­ke.

Het ver­lan­gen naar eeu­wig bestaan (bha­va tan­ha), is sub­tie­ler dan het boven­staan­de.

Het is in opper­vlak­ki­ge zin het ver­lan­gen naar een hier­na­maals, weder­ge­boor­te of bij­voor­beeld het een wor­den met Brah­ma.

In die­pe­re zin al het ver­lan­gen naar zijn, tot op het sub­tiel­ste niveau.

Dit laat­ste ver­lan­gen wordt pas ver­nie­tigd tij­dens laat­ste stap naar bevrij­ding, zo hard­nek­kig is het. Het is een uiting van een eter­na­lis­ti­sche ziens­wij­ze, het geloof in een eeu­wig en per­ma­nent zelf.

De laat­ste vorm van ver­lan­gen is het ver­lan­gen maar zelf-vernietiging of niet meer wor­den, niet meer zijn (vib­ha­va tan­ha).

Het komt voort uit een anni­hi­lis­ti­sche ziens­wij­ze, het geloof dat er na de dood niets meer is waar ook het mate­ri­a­lis­me onder valt.

Dit ver­lan­gen kan bij­voor­beeld een aan­lei­ding zijn tot zelf­moord met onder­lig­gend het idee dat zo een ein­de gemaakt word aan het leed, nu en in de toe­komst.

Deze vorm van ver­lan­gen dient abso­luut niet ver­ward te wor­den met de wens een ein­de te maken aan weder­ge­boor­te in Samsa­ra.

Dat laat­ste kan name­lijk enkel plaats vin­den dor het ver­nie­ti­gen van ver­lan­gen zelf door het door­gron­den van de ware natuur van de din­gen.

Zo lang er ver­lan­gen is, in wel­ke vorm dan ook zal het bestaan voort­gaan, van moment tot moment, van leven tot leven.

Onder­lig­gend aan deze cycli­sche ener­gie is de leer van afhan­ke­lijk ont­staan.

Afhankelijk Ontstaan, de Keten van Causaal Verband

Als we gaan kij­ken naar de oor­zaak van de onbe­vre­di­gend­heid, de twee­de Ede­le waar­heid, dan zien wij dat de Boed­dha ver­lan­gen noemt als het gro­te  pro­bleem.

Ver­lan­gen komt voort uit onwe­tend­heid. Maar hoe kan dit ver­lan­gen al het leed en weder­ge­boor­te ten gevolg heb­ben?

Het ant­woord de leer van afhan­ke­lijk ont­staan (patic­ca samup­pa­da).

Samen met de vier Ede­le waar­he­den vormt dit het fun­da­ment van de Dham­ma. Het vormt een geheel in het bevrij­den­de inzicht in de nacht dat de Boed­dha de ver­lich­ting bereik­te.

De Boed­dha bena­druk­te dit met de woor­den (MN 28):

Hij die afhan­ke­lijk ont­staan ziet, ziet de Dham­ma, hij die de Dham­ma ziet, ziet afhan­ke­lijk ont­staan.”

We zul­len hier om te begin­nen met een omweg naar kij­ken, name­lijk door als start­punt de waar­ne­ming te nemen.

Zowel mind als mate­rie raken ver­vormd tij­dens onze waar­ne­ming.

In onze dage­lijk­se bele­ving lijkt bij­voor­beeld iets zien, weten wat het is, er iets van vin­den, het wel of niet wil­len alle­maal tege­lijk te gebeu­ren. Ster­ker nog, dit lijkt tege­lijk te gebeu­ren met iets horen, rui­ken, proe­ven, licha­me­lij­ke sen­sa­ties en den­ken.

Wie naar mate­rie kijkt, neem een rots als voor­beeld, ziet een per­ma­nen­te vorm die wel­licht slechts lang­zaam door weer en wind ver­an­dert.

Dit is een ver­vorm­de waar­ne­ming van mind en mate­rie als gevolg van onwe­tend­heid, het gevolg van (nog) niet scherp genoeg kun­nen kij­ken.

Het is ver­ge­lijk­baar met een film. Als je wel eens naar de bios­coop bent geweest weet je dat je vol­le­dig kan wor­den opge­zo­gen in het ver­haal, de mooie beel­den en de bewo­gen muziek.

Uit­ein­de­lijk gaat het ech­ter om los­se beel­den die zich met een snel­heid van 24 keer per secon­de aan ons oog voor­doen. Dat is genoeg om het beeld vloei­end te laten zijn. Het geluid is niets meer dan los­se tonen die alleen samen een geheel vor­men. En het ver­haal is niet echt maar bedacht en we zit­ten er niet wer­ke­lijk mid­den in, al voelt dat wel zo.

Wie met hoge con­cen­tra­tie naar mind en mate­rie kijkt ziet dat het los­se momen­ten zijn die opko­men en ver­gaan.

Deze men­ta­le momen­ten vol­gen elkaar met een onwaar­schijn­lij­ke snel­heid op waar­door de illu­sie zich voor­doet dat waar­ne­ming een con­ti­nu pro­ces is.

Deze los­se momen­ten heb­ben elk een object en het betreft altijd een van de vijf zin­tui­gen. De zin­tui­gen wer­ken dan ook hele­maal niet tege­lijk, er is of zien of horen of proe­ven of rui­ken of voe­len of den­ken, nooit tege­lij­ker­tijd.

Ook mate­rie is niet zo per­ma­nent als het zich voor­doet maar bevindt zich in een con­ti­nue flux van opko­men en ver­gaan.

Met hoge con­cen­tra­tie kan dan ook uit eigen erva­ring wor­den vast­ge­steld dat ons nor­ma­le dag­be­wust­zijn de wer­ke­lijk­heid ver­vormt.

Het pro­ces dat con­ti­nu lijkt bestaat eigen­lijk uit los­se frag­men­ten die in elk opzicht opko­men en ver­gaan.

Dit kan de ‘ana­ly­se’ van de wer­ke­lijk­heid wor­den genoemd, het opde­len van de wer­ke­lijk­heid, van mind en mate­rie, in de kleinst moge­lij­ke bouw­de­len.

Wat afhan­ke­lijk ont­staan ons leert is dat deze momen­ten hoe­wel los van elkaar toch onder­ling ver­bon­den zijn.

Afhan­ke­lijk ont­staan kan dan ook gezien wor­den als de ‘syn­the­se’, het beschrij­ven van de onder­lin­ge rela­ties van de los­se bouw­de­len.

Dit is een  belang­rijk punt waar­mee de Boed­dha afstand neemt van het nihi­lis­me. Het bete­kent name­lijk dat inten­ties en daar­op vol­gen­de han­de­lin­gen wel dege­lijk gevol­gen heb­ben.

Als er enkel spra­ke was geweest van los­se momen­ten zon­der onder­lin­ge ver­bin­ding dan zou elk gedrag ver­ant­woord kun­nen wor­den. H

et meest belang­rij­ke aan afhan­ke­lijk ont­staan is ech­ter de hoop die het geeft, want het zijn de con­di­ti­o­ne­rin­gen waar je lang­zaam maar zeker aan kunt wer­ken met inten­ties als de drij­ven­de kracht van de vrije wil.

Laten we voor we ver­der gaan eerst wat die­per kij­ken naar wat de Boed­dha zelf over afhan­ke­lijk ont­staan onder­wees (SN 12:1):

Mon­ni­ken, wat is afhan­ke­lijk ont­staan? Met onwe­tend­heid (avij­ja) als con­di­tie komen wils-formaties (sank­ha­ra) op; met wils-formaties als con­di­tie bewust­zijn (vin­n­a­na); met bewust­zijn als con­di­tie mentaliteit-materie (nama-rupa); met mentaliteit-materie als con­di­tie de zes zin­tuig­ba­sis­sen (salay­at­a­na); met de zes zin­tuig­ba­sis­sen als con­di­tie con­tact (phas­sa); met con­tact als con­di­tie gevoel (veda­na); met gevoel als con­di­tie begeer­te (tan­ha); met begeer­te als con­di­tie gehecht­heid (upada­na); met gehecht­heid als con­di­tie bestaan (bha­va); met bestaan als con­di­tie geboor­te (jati); met geboor­te als con­di­tie komen ouder­dom en dood (jara­mara­nam), bedroefd­heid, gewee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop op. Dit is de oor­zaak van dit geheel aan lij­den. Dit, mon­ni­ken, noemt men afhan­ke­lijk ont­staan. Maar met het rest­lo­ze ver­va­gen en ophou­den van onwe­tend­heid hou­den wils-formaties op; met het ophou­den van wils-formaties houdt bewust­zijn op; met het ophou­den van bewust­zijn houdt mentaliteit-materie op; met het ophou­den van mentaliteit-materie hou­den de zes zin­tuig­ba­sis­sen op; met het ophou­den van de zes zin­tuig­ba­sis­sen houdt con­tact op; met het ophou­den van con­tact houdt gevoel op; met het ophou­den van gevoel houdt begeer­te op; met het ophou­den van begeer­te houdt gehecht­heid op; met het ophou­den van gehecht­heid houdt bestaan op; met het ophou­den van bestaan houdt geboor­te op; met het ophou­den van geboor­te houdt ouder­dom en dood, bedroefd­heid, wee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop op. Dit is het ophou­den van dit geheel aan lij­den.”

Afhan­ke­lijk ont­staan wordt hier­bo­ven weer­ge­ge­ven in de keten van cau­saal ver­band.

Het is een keten omdat het ons gebon­den houdt aan Samsa­ra. Het is een cir­kel van bestaan naar bestaan met als drij­ven­de kracht onwe­tend­heid en ver­lan­gen.

Om dit te bena­druk­ken wor­den de twaalf scha­kels van de keten meest­al ver­spreid over drie levens. Het vori­ge, hui­di­ge en toe­kom­sti­ge leven.

Onwe­tend­heid en wils­for­ma­ties wor­den samen in het vori­ge leven geplaatst. Zij vor­men de con­di­ties voor het ont­staan van het hui­di­ge leven, name­lijk door als voor­waar­de te die­nen voor de aan­een­scha­ke­ling van de resul­ta­ten van bewust­zijn, mentaliteit-materie, de zes zin­tuig­ba­sis­sen, con­tact en gevoel.

Als gevolg van gevoel heb­ben wij in dit leven begeer­te, gehecht­heid en bestaan wat op hun beurt weer een voor­waar­de is voor een vol­gend leven met geboor­te, ouder­dom en dood.

Hoe­wel als voor­beeld vaak de drie levens wor­den gege­ven speelt deze con­di­ti­o­ne­ring zich van moment tot moment af, ook in dit hui­di­ge leven. Ze zijn in het dage­lijks leven ook niet opeen­vol­gend maar in elkaar ver­we­ven.

Om het sim­pe­ler te maken kun je de keten dus ook naar dit leven ver­plaat­sen.

Omdat wij nu onwe­tend zijn over de ware natuur van mind en mate­rie nemen we het gevoeld dat ont­staat door het con­tact dat we via onze zin­tui­gen met objec­ten maken heel seri­eus.

Als gevolg van dit gevoel, dat aan­ge­naam, onaan­ge­naam of neu­traal kan zijn wil­len we iets wel of niet. Ver­lan­gen ont­staat dan ook direct.

Gedre­ven door ver­lan­gen en gehecht­heid ver­rich­ten we goe­de en slech­te daden, heb­ben we heil­za­me en onheil­za­me men­ta­le momen­ten.

De oplet­ten­de lezer heeft direct gezien dat onwe­tend­heid in de keten wordt opge­volgd door wils-formaties. Wils-formaties, ook wel te ver­ta­len als inten­ties, is niets min­der dan kam­ma (skrt: kar­ma) waar wij later bij stil zul­len staan.

Door ver­lan­gen en gehecht­heid heb­ben wij nieu­we inten­ties, nieu­we wils-formaties, maken wij nieuw kam­ma.

Als de eer­der gege­ven for­mu­le in de vorm van “als dit is, ont­staat dat.” het ver­moe­den geeft dat het om een wil­le­keu­ri­ge afhan­ke­lijk­heid gaat dan rekent de Boed­dha daar mee af (SN 12:20):

Mon­ni­ken, wat is afhan­ke­lijk ont­staan? Met geboor­te als con­di­tie komt ouder­dom en dood – of de Tat­ha­ga­tas [de Boeddha’s] er zijn of niet, dat ele­ment staat vast, die struc­tuur van feno­me­nen, die vast­staan­de koers van feno­me­nen, spe­ci­fie­ke con­di­ti­o­na­li­teit. Daar­toe ont­waakt een Tat­ha­ga­ta en begrijpt dit. Daar­toe ont­waakt zijn­de en het begrij­pend, legt hij het uit, onder­wijst het, zet het uit­een, stelt het vast, ont­hult het, ana­ly­seert het, ver­hel­dert het, zeg­gend: zie, mon­ni­ken, met geboor­te als con­di­tie komt ouder­dom en dood. De rea­li­teit is daar­in, het onbe­drieg­lij­ke, de onver­an­der­lijk­heid, spe­ci­fie­ke con­di­ti­o­na­li­teit – dit, mon­ni­ken, is afhan­ke­lijk ont­staan.”

Let op de woor­den ‘spe­ci­fie­ke con­di­ti­o­na­li­teit’.

De Boed­dha beschrijft met deze leer niet een alge­me­ne prin­ci­pe maar een abso­lu­te wet­ma­tig­heid. Een cir­cu­lai­re kracht die ons bindt.

Het kan niet genoeg bena­drukt wor­den dat de scha­kels door­gaan, van leven tot leven, jaar tot jaar, dag tot dag, moment tot moment.

Geboor­te gevolgd door ziek­te, ouder­dom en dood, gevolgd door geboor­te, ziek­te ouder­dom en dood, door en door en door.

Zo zijn wij gevan­gen in Samsa­ra, dwa­len wij rond, met “bedroefd­heid, wee­klaag, pijn, ver­driet en wan­hoop”, de onbe­vre­di­gend­heid van het bestaan” als gevolg.

Kort­ston­dig tij­de­lijk ple­zier hoe­wel ver­lei­de­lijk biedt dan ook geen uit­komst, geen vei­li­ge haven.

De eni­ge manier om uit de cir­kel te stap­pen is het door­zien van de ware natuur van de din­gen door het begaan van de weg gewe­zen door de Boed­dha en zo het vol­le­di­ge ver­nie­ti­gen van de ketens.

Dit is de hoop­vol­le bood­schap van de Boed­dha.

Omdat het om spe­ci­fie­ke con­di­ties gaat is er een ein­de moge­lijk. Als onwe­tend­heid door het licht van de Dham­ma wordt gezien valt de keten uit elkaar.

Bevrij­ding van de keten is moge­lijk!

Kamma en Wedergeboorte

De leer van kam­ma (in het Sans­kriet Kar­ma) en weder­ge­boor­te wordt vaak niet goed begre­pen.

Je hoort men­sen wel eens fata­lis­tisch zeg­gen ‘het is mijn kar­ma’ of met de wens er wat van te maken ‘het is vast wel ergens goed voor’.

Er lijkt dan wel een gro­te­re macht in het spel te zijn, een beoor­de­laar die kar­ma toe­wijst om te straf­fen of te laten leren, of een lots­be­stem­ming waar niet aan te ont­ko­men is.

Ook de essen­tie van weder­ge­boor­te is voor veel men­sen bedol­ven onder het beeld van reïn­car­na­tie, het (vol­gens de Boed­dha ver­keer­de) idee dat er een ziel is die van leven naar leven ver­huist. Soms wordt in dat ver­band zelfs gesteld dat de ene ziel ouder zou zijn dan de ander.

Daar­naast is opval­lend dat wes­ter­se boed­dhis­ti­sche schrij­vers de leer van kam­ma en weder­ge­boor­te met eni­ge regel­maat ver­wer­pen.

Het zou niet pas­send zijn in de ver­der zo logisch en op erva­ring geba­seer­de leer van de Boed­dha, en het zou ook hele­maal niet nodig zijn om hier­over na te den­ken.

In het licht van dit soort beel­den en bewe­rin­gen is het dan ook van groot belang om bij de leer van kam­ma  en weder­ge­boor­te stil te staan.

Eerst de bete­ke­nis van het woord kam­ma.

In tegen­stel­ling tot hoe het woord kam­ma in het wes­ten wordt gebruikt bete­kent het niet ‘gevolg’. De Boed­dha zij (AN 6:63):

Inten­tie, zo zeg ik, is kam­ma. Met inten­tie maakt men kam­ma mid­dels het lichaam, spraak of bewust­zijn.”

Kam­ma is dus veel meer een drij­ven­de kracht.

Het pali woord voor gevolg of reac­tie is ‘vipaka’. Kamma-vipaka bete­kend dan ook zoveel als actie-reactie, maar een mooi­e­re ver­ta­ling is ‘inten­tie en haar vrucht. ‘Vrucht’ omdat dit ook ‘rij­ping’ met zich mee brengt.

We ken­nen de gezeg­de je oogst wat je zaait, dit is een beschrij­ving van kamma-vipaka.

Net als de rij­ping van wat gezaaid is afhan­ke­lijk is van onder ande­re water, zon en voe­dings­stof­fen is de rij­ping van kam­ma ook afhan­ke­lijk van ver­schil­len­de fac­to­ren.

Kam­ma komt niet altijd even­re­dig tot uiting in een net­te één-op-één rela­tie met het resul­taat. Er zijn ver­schil­len­de gra­da­ties, ver­schil­len­den sterk­ten van kam­ma die elk weer inter­ac­te­ren met ander kam­ma uit het ver­re ver­le­den en die afhan­ke­lijk zijn van hui­di­ge inspan­ning.

Zo kan de vrucht van kam­ma soms ster­ker zijn door ander onder­steu­nend kam­ma, ver­zwakt wor­den door tegen wer­kend kam­ma of wor­den tegen­ge­hou­den door ver­nie­ti­gend kam­ma.

Ver­der geldt dat net als bij de rij­ping van een vrucht, waar­voor niet alleen de groei van de fruit­boom door zon, regen en voe­dings­stof­fen nood­za­ke­lijk is maar ook het juis­te sei­zoen voor het vol­dra­gen van de vruch­ten, ook voor kam­ma de juis­te omstan­dig­he­den daar moe­ten zijn om het resul­taat te laten rij­pen.

Zo kan bepaald kam­ma bij­voor­beeld niet tot uiting komen omdat de juis­te  omstan­dig­he­den daar­voor niet aan­we­zig zijn waar­door er meer tijd is voor ander kam­ma om gege­ne­reerd te wor­den.

Dit is belang­rijk omdat dit net de ruim­te geeft om spi­ri­tu­e­le groei moge­lijk te maken.

In een strik­te één-op-één rela­tie zou het onuit­put­te­lij­ke kam­ma uit het onein­di­ge ver­le­den voor onein­di­ge resul­ta­ten in de toe­komst zor­gen.

Juist omdat dit niet het geval is kan invloed wor­den uit­ge­oe­fend door het rich­ten van inten­tie en is bevrij­ding moge­lijk.

Kam­ma kan wor­den inge­deeld in ethi­sche kwa­li­teit, te weten heil­zaam kam­ma of onheil­zaam kam­ma.

Heil­zaam kam­ma zijn de inten­ties die in gra­da­ties ver­rui­ming van het bewust­zijn, weder­ge­boor­te in hoge­re werel­den en uit­ein­de­lijk Nib­ba­na tot gevolg heb­ben.

Onheil­zaam kam­ma zijn de inten­ties die in gra­da­ties ver­nau­wing van het bewust­zijn, weder­ge­boor­te in lage­re werel­den en het zich afke­ren van nib­ba­na tot gevolg heb­ben.

Als we over weder­ge­boor­te spre­ken zijn twee pun­ten belang­rijk. Ten eer­ste dat er geen ‘ik’ geen ‘per­soon’ of ‘ziel’ is die van het ene naar het ande­re bestaan over gaat.

Weder­ge­boor­te is het resul­taat van con­di­ties.

Een voor­beeld dat vaak wordt gege­ven om dit te ver­dui­de­lij­ken is de vlam van een kaars die wordt gebruikt om een vol­gen­de kaars aan te ste­ken. De vlam van de twee­de kaars is niet het­zelf­de, maar ook niet geheel anders dan die van de eer­ste kaars. De vlam van de twee­de kaars is er van­we­ge, afhan­ke­lijk van, de eer­ste kaars.

Een moder­ner voor­beeld is de bil­jart bal die zijn rich­ting en kracht heeft ten gevol­ge van de bal die hem raakt, en die op zijn beurt weer kracht en rich­ting geeft aan de daar­op vol­gen­de bal. De bal­len zijn niet het­zelf­de, maar kun­nen ook niet los van elkaar wor­den gezien.

Net zo is weder­ge­boor­te niet een trans­mi­gra­tie van de ziel maar de voort­zet­ting van bewust­zijns­mo­men­ten op basis van con­di­ties.

De leer van kamma-vipaka en weder­ge­boor­te zijn diep ver­we­ven met paticca-samuppada, afhan­ke­lijk ont­staan, uit het vori­ge hoofd­stuk.

Daar­van zij de Boed­dha dat het gelijk staat aan de Dham­ma.

De keu­ze van som­mi­ge wes­ter­se schrij­vers om kam­ma en weder­ge­boor­te vol­le­dig te nege­ren lijkt dan ook een zeer selec­tie­ve, per­soon­lij­ke keu­ze die niet over­een­komt met de woor­den van de Boed­dha.

Natuur­lijk is het niet nood­za­ke­lijk om blind in kam­ma en weder­ge­boor­te te gelo­ven, maar het strekt tot aan­be­ve­ling om een open en onder­zoe­ken­de geest te hou­den.

Niet direct kam­ma ver­wer­pen maar de beper­kin­gen van het eigen onont­wik­kel­de bewust­zijn erken­nen en pas lang­zaam maar zeker tot con­clu­sies dur­ven te komen na het opdoen van eigen inzich­ten voort­ko­mend uit de gestaag­de trai­ning van de mind door mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Ahba her­haalt het keer op keer, niet alleen als het gaat om din­gen zoals kam­ma maar ook in ande­re situ­a­ties waar iets ons wes­ters denk kader te boven gaat:

Nu is je mind niet krach­tig genoeg, daar­om zie je het niet. Als je con­cen­tra­tie ont­wik­kelt en je mind krach­tig is zul je het van­zelf zien.”

Sim­pel.

De waarheid van het ophouden van de onbevredigendheid


Eerst weer een pas­sa­ge over de der­de Ede­le waar­heid, het ophou­den van de onbe­vre­di­gend­heid, weder­om uit de eer­ste lering van de Boed­dha (SN 56:11):

Dit mon­ni­ken, is de Ede­le Waar­heid van het ophou­den van de onbe­vre­di­gend­heid: het rest­lo­ze  ver­va­gen en ver­nie­ti­gen van juist dit ver­lan­gen, het ver­za­ken en opge­ven daar­van, het los­la­ten en bevrijd zijn daar­van.”

Nibbana

De bevrij­ding van de diep­ste onbe­vre­di­gend­heid door het onher­roe­pe­lij­ke ver­nie­ti­gen van ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid – de bevrij­ding van het ein­de­lo­ze dwa­len dat Samsa­ra is – dat is wat men in het boed­dhis­me het berei­ken van Nib­ba­na (in het sans­kriet Nir­va­na) noemt.

Nib­ba­na kan ver­taald wor­den met uit­do­ven, het uit­do­ven van het vuur van ver­lan­gen, haat en onwe­tend­heid.

Als men dan bedenkt dat in het oude India het uit­do­ven van bran­dend hout tevens gezien werd als het bevrij­den van het vuur is het niet vreemd dat Nib­ba­na zowel uit­do­ven als bevrij­den bete­kend.

Nib­ba­na is het ultie­me doel van de Dham­ma en hoe­wel het zoals gezegd gelijk staat aan bevrij­ding en uit­do­ven van iets is het tevens een rea­li­teit op zich, zoals de Boed­dha zij:

Van alle Dham­mas, gecon­di­ti­o­neerd of onge­con­di­ti­o­neerd, is de meest uit­ste­ken­de Dham­ma, de hoog­ste Dham­ma, Nib­ba­na.”

Dham­ma bete­kent in deze con­text ‘ultiem feno­meen’, een bestaan­de rea­li­teit die door de mind als object kan wor­den geno­men.

De Boed­dha heeft zelf nooit gezegd wat Nib­ba­na is.

Als je aan iemand die nog nooit een man­go heeft gege­ten zou moe­ten uit­leg­gen hoe een man­go smaakt zou je al snel tekort schie­ten.

Je zou ver­ge­lij­kin­gen maken met wat wel bekend is om de tex­tuur, het zoe­te, het zure, etc. te beschrij­ven. Toch blijft de eni­ge manier om er ach­ter te komen hoe een man­go smaakt het zelf proe­ven.

Als het voor een man­go, een werelds voor­werp en tot op zeker hoog­te te ver­ge­lij­ken met din­gen om ons heen, al bij­na onmo­ge­lijk is om ver­ge­lij­kin­gen te maken, dan is het voor het boven­we­reld­se Nib­ba­na, dat bui­ten elke erva­ring ligt onmo­ge­lijk!

Wat we wel weten is dat Nib­ba­na in tegen­stel­ling tot alle ande­re feno­me­nen in de wereld onge­con­di­ti­o­neerd (niet afhan­ke­lijk van con­di­ties en geen nieu­we con­di­ties makend) en niet-vergankelijk ofwel per­ma­nent is, maar net als alles is ook Nib­ba­na zel­floos (anat­ta).

Het kan niet genoeg wor­den her­haald, het berei­ken van Nib­ba­na is dus niet het opgaan van een zelf met iets hogers, Nib­ba­na is anat­ta, zel­floos.

Als we in de Pali Canon gaan zoe­ken wat de Boed­dha wel over Nib­ba­na zegt, vin­den we bij­voor­beeld (AN 3:32):

Dit is vre­de, dit is het hoog­ste –  het ont­bin­den van alle for­ma­ties, het vol­le­dig ach­ter laten van al het ver­gaar­de, het ein­de van ver­lan­gen, ont­hech­ting, ophou­den, Nib­ba­na.”

De Vier Stadia van Bevrijding

Het berei­ken van de uit­ein­de­lij­ke vol­le­di­ge bevrij­ding van onbe­vre­di­gend­heid (duk­kha) is een gra­du­eel pro­ces bestaan­de uit vier sta­dia.

In de tijd van de Boed­dha waren er men­sen die dus­da­nig goe­de men­ta­le kwa­li­tei­ten had­den dat zij na het horen van een enke­le vers van de Boed­dha in een keer alle sta­dia door­lie­pen, maar van­daag de dag hoe­ven wij door de men­ta­le staat van de mens­heid niet de illu­sie te heb­ben dat ons dit zal over­ko­men.

Voor­dat men begint aan het pad dat lijdt tot bevrij­ding is men een  ‘anda-puttujana’, wat zoveel bete­kent als blin­de wereld­bur­ger.

Als de wereld­bur­ger luis­tert naar Dham­ma, geïn­spi­reerd raakt en aan het pad begint door het beoe­fe­nen van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid wordt hij bij toe­ne­men­de inspan­ning lang­zaam maar zeker een ‘kalyana-puttuja’, een nobe­le wereld­bur­ger die het pad naar bevrij­ding bewan­delt.

Na lang­du­ri­ge, gedul­di­ge en vast­hou­den­de inspan­ning voert het pad uit­ein­de­lijk in vier sta­dia naar Nib­ba­na.

Tot dat men het eer­ste sta­di­um bereikt is men niet vei­lig, niet zeker. Dat men wel vei­lig en zeker is, is dan ook gelijk het eer­ste ken­merk van het ingaan van de vier sta­dia.

Op het moment dat Nib­ba­na voor het eerst door de mind als object wordt geno­men bereikt men het eer­ste sta­di­um, dat van stroom­be­tre­der (sot­ap­pa­na).

Men betreedt de stroom die onher­roe­pe­lijk bin­nen zeven levens tot vol­le­di­ge bevrij­ding voert en is zeker van een weder­ge­boor­te in het men­sen­rijk of hoger.

Het sta­di­um zelf ken­merkt zich door onwan­kel­baar ver­trou­wen in de Boed­dha, Dham­ma en Sang­ha voort­ko­mend uit de eigen erva­ring, en het aan­hou­den­de onver­mo­gen om nadien de more­le leef­re­gels van de Boed­dha te over­tre­den.

Door ver­der en ver­die­pen­de erva­ring met Nib­ba­na volgt het vol­gen­de sta­di­um, dat van de eens-terugkeerder (saka­dagami) die zoals de naam al doet ver­moe­den nog maar een toe­kom­stig leven heeft voor­dat vol­le­di­ge bevrij­ding zal wor­den bereikt. In dit sta­di­um wor­den boos­heid en ver­lan­gen blij­vend sterk ver­zwakt.

Weer een sta­di­um ver­der is dat van de niet-terugkeerder (ana­ga­mi) die na het over­lij­den in een zeer hoge leef­sfeer (wereld) terecht komt waar hij of zij ver­blijft tot­dat Nib­ba­na is ver­we­zen­lijkt. In dit sta­di­um zijn boos­heid en ver­lan­gen vol­le­dig en blij­vend ver­nie­tigd.

Het laat­ste sta­di­um is dat van de ‘ara­hant’, die in dit leven de vol­le­di­ge bevrij­ding heeft bereikt door de aller­laat­ste men­ta­le cor­rup­ties tot in de wor­tel te heb­ben uit­ge­roeid, met name de uiterst hard­nek­ki­ge en zeer sub­tie­le ziens­wij­ze dat er een ‘ik’ is.

Na het over­lij­den gaat de ara­hant het pari­nib­ba­na in, dat wil zeg­gen ‘Nib­ba­na zon­der dat er nog een lichaam is’.

Vra­gen als waar is dit? Is dit een plek? Waar is de Boed­dha? Zijn fou­tie­ve vra­gen voort­ko­mend uit de ziens­wij­ze dat er een ‘ik’ is dat ‘ergens’ heen gaat ter­wijl juist het vol­le­di­ge opge­ven hier­van een ken­merk van vol­le­di­ge bevrij­ding is.

Uit boven­staan­de kan wor­den opge­maakt dat het van groot belang is om te stre­ven naar het eer­ste sta­di­um, dat van de stroom­be­tre­der, om de vei­li­ge haven te berei­ken waar­in er geen groot toe­kom­stig lij­den meer zal zijn en bevrij­ding met zeker­heid zal vol­gen.

In de woor­den van Ahba:

Nu ben je niet zeker van je toe­komst, maar als je blijft beoe­fe­nen, blijft pro­be­ren, dan zal je de zeker­heid berei­ken, dan is er geen groot lij­den meer.”

De waarheid van de weg die voert tot het ophouden van onbevredigendheid


De pas­sa­ge uit de eer­ste lering van de Boed­dha over de vier­de Ede­le waar­heid, de weg naar de bevrij­ding van de onbe­vre­di­gend­heid, luidt (SN 56:11):

En dit mon­ni­ken, is de Ede­le waar­heid van de weg naar de bevrij­ding van onbe­vre­di­gend­heid: Pre­cies dit [Acht­vou­di­ge] Pad – juis­te ziens­wij­ze (sam­ma dit­thi), juis­te inten­tie (sam­ma sank­ap­pa), juis­te spraak (sam­ma vaca), juist han­de­len (sam­ma kam­man­ta), juist levens­on­der­houd (sam­ma aji­va),  juis­te inspan­ning (sam­ma vaya­ma), juis­te aan­dacht (sam­ma sati) en juis­te con­cen­tra­tie (sam­ma sama­dhi).”

Het acht­vou­di­ge pad kan wor­den samen­ge­vat in de beoe­fe­ning van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Onder mora­li­teit val­len juis­te spraak, juist han­de­len en juist levens­on­der­houd. Onder con­cen­tra­tie val­len juis­te inzet, juis­te aan­dacht en juis­te con­cen­tra­tie. En onder wijs­heid val­len juis­te ziens­wij­ze en juis­te inten­tie.

Wij zul­len om een basis te leg­gen in eer­ste instan­tie slechts kort de bete­ke­nis van elk van deze pad-factoren geven, met name door­mid­del van pas­sa­ges uit de sutta’s.

Later zul­len wij lan­ger stil staan bij de drie trai­nin­gen zelf.

Wijsheid – Juiste zienswijze en Juiste Intentie

Laten we begin­nen met juis­te ziens­wij­ze.

Samen­ge­vat valt het door­zien door eigen erva­ring van alles wat hier­bo­ven reeds geschre­ven staat onder juis­te ziens­wij­ze, name­lijk het inzicht in de vier Ede­le waar­he­den (DN 22):

En wat nu, is juis­te ziens­wij­ze (Sam­ma Dit­thi)? Het inzicht in de onbe­vre­di­gend­heid; het inzicht in de oor­zaak van de onbe­vre­di­gend­heid; het inzicht in het ophou­den van de onbe­vre­di­gend­heid; het inzicht in het pad dat voert tot het ophou­den van onbe­vre­di­gend­heid: dit is juis­te ziens­wij­ze.”

Daar­bij hoort natuur­lijk ook afhan­ke­lijk ont­staan, kam­ma en zijn vrucht, weten wat heil­zaam is en niet-heilzaam is, de drie karak­te­ris­tie­ken en zo voort.

Inzicht kent ver­schil­lin­de sta­dia.

Begin­nend met het lezen en bestu­de­ren van tek­sten, gevolgd door her­haal­de­lijk over­pein­zen en reflec­te­ren van het gele­ze­ne en tot was­dom komend door het ver­lich­ten­de inzicht dat enkel kan ont­staan door de eigen beoe­fe­ning van mora­li­teit en con­cen­tra­tie.

Over juis­te inten­tie zegt de Boed­dha (DN 22):

Wat nu is juis­te inten­tie (Sam­ma San­ka­pa)? Inten­tie vrij van begeer­te (nekkhamma-sankappa), inten­tie vrij van kwa­de wil (avyapada-sankappa), inten­tie vrij van wreed­heid (avihimsa-sankappa). Dit is juis­te inten­tie.”

Eer­der bespra­ken wij reeds dat de Boed­dha inten­tie gelijk stelt aan kam­ma en dat inten­ties zo de drij­ven­de kracht van de vrije wil zijn. Juis­te inten­ties rich­ten ons bewust­zijn dan ook op het zui­ve­re.

Moraliteit – Juiste Spraak, Juist Handelen en Juist Levensonderhoud

Het is altijd goed om lan­ger bij mora­li­teit stil te staan dan bij inzicht.

Wij zijn geneigd om inzicht te wil­len en ons puur daar­op te wil­len rich­ten en ver­ge­ten dan dat mora­li­teit een onmis­baar fun­da­ment is dat veel ver­die­ping kent.

Om te begin­nen juis­te spraak in de woor­den van de Boed­dha (DN 22):

Wat nu is juis­te spraak (Sam­ma Vaca)? Zich ont­hou­den van lie­gen, ont­hou­den van rod­de­len, ont­hou­den van grof taal­ge­bruik, ont­hou­den van klets­praat.”

En ver­der (AN 10:176):

En hoe zui­vert men zich op vier manie­ren door spraak? In het geval dat een per­soon lie­gen opgeeft, zich ont­houdt van lie­gen. Als hij bij een dorps­ver­ga­de­ring wordt geroe­pen, een groeps­ver­ga­de­ring, een fami­lie bij­een­komst, zijn gil­de, het konings­huis, of als hij als getui­ge wordt geroe­pen, ‘Kom en ver­tel, goe­de man, wat je weet’: Als hij het niet weet zegt hij ‘ik weet het niet.’ Als hij het weet zegt hij ‘ik weet het.’ Als hij niets gezien heeft zegt hij ‘ik heb niets gezien.’ Als hij wel gezien heeft zeg hij ‘ik heb wel gezien.’ Zodoen­de ver­telt hij geen bewus­te leu­gen voor zijn eigen winst, de winst van ande­ren, of voor een belo­ning.  Lie­gen opge­vend ont­houdt hij zich van lie­gen. Hij spreekt de waar­heid, blijft bij de waar­heid, is stand­vas­tig, betrouw­baar, geen mis­lei­der van de wereld. Rod­de­len opge­vend ont­houdt hij zich van rod­de­len. Wat hij hier gehoord heeft ver­teld hij niet daar om deze men­sen van die­ge­nen te split­sen. Wat hij daar gehoord heeft ver­telt hij niet hier om deze men­sen van die­ge­nen tegen elkaar op te zet­ten. Hij ver­zoent die­ge­nen die gebrouil­leerd  zijn en ver­ste­vigt hen die ver­e­nigd zijn, hij houdt van har­mo­nie, ver­heugd zich in har­mo­nie, geniet van har­mo­nie, spreekt zo dat har­mo­nie bewerk­stel­ligd wordt. Grof taal­ge­bruik opge­vend ont­houdt hij zich van grof taal­ge­bruik. Hij spreekt woor­den die ver­zach­tend wer­ken, die lief­heb­bend zijn, die naar het hart gaan, die beleefd zijn, aan­trek­ke­lijk en aan­ge­naam voor de men­sen in het alge­meen. Klets­praat opge­vend ont­houdt hij zich van klets­praat. Hij zegt wat zin­vol is, wat fei­te­lijk is, was in over­een­stem­ming is met het doel, de Dham­ma, de Vinaya. Hij spreekt woor­den die van waar­de zijn, bruik­baar, zin­vol, beperkt, samen­han­gend met het doel. Dit is hoe men zich zui­vert op vier manie­ren door spraak.”

En ook deze kor­te pas­sa­ge uit de instruc­tie aan Rahu­la ver­dient aan­dacht (MN 61):

Aldus heb ik gehoord, op een gege­ven moment ver­bleef de Geze­gen­de vlak bij Rajagaha, in het Bam­boe Bos, de Voe­dings­grond van de Eek­hoorns.

Op dat moment ver­bleef de eer­waar­de Rahu­la bij de Man­go Steen. Toen dan ging de Geze­gen­de, laat in de mid­dag uit zijn afzon­de­ring komend, naar waar de eer­waar­de Rahu­la ver­bleef bij de Man­go Steen. De eer­waar­de Rahu­la zag hem van ver­re aan­ko­men en hem aan zien komend bereid­de hij een zetel en schaal met water voor het was­sen van de voe­ten. De Geze­gen­de ging op de zetel zit­ten en zit­tend was­te hij zijn voe­ten. De eer­waar­de Rahu­la boog voor de Boed­dha en ging aan een zij­de zit­ten.

Toen dan, een beet­je water in de schaal ach­ter latend, vroeg de Boed­dha aan de eer­waar­de Rahu­la, “Rahu­la, zie je dit beet­je water dat over­ge­ble­ven is in de water­schaal?”

Ja, heer.”

Dat is hoe wei­nig spi­ri­tu­e­le ver­wor­ven­heid er in iemand aan­we­zig is die geen schaam­te voelt bij het ver­tel­len van een opzet­te­lij­ke leu­gen.” Het beet­je water uit de schaal gegooid heb­ben­de vroeg de Boed­dha aan de eer­waar­de Rahu­la “Rahu­la, zie je hoe dit beet­je water weg is gegooid?”

Ja, heer.”

Rahu­la, wat voor spi­ri­tu­e­le pro­gres­sie iemand ook heeft ver­wor­ven wordt net zo weg gegooid bij het niet voe­len van schaam­te bij het ver­tel­len van een opzet­te­lij­ke leu­gen.” De lege schaal onder­ste­bo­ven gedraaid heb­ben­de, vroeg de Boed­dha aan de eer­waar­de Rahu­la “Rahu­la, zie je hoe deze water­schaal onder­ste­bo­ven gekeerd is?”

Ja, heer.”

Rahu­la, net zo is het onmo­ge­lijk om spi­ri­tu­e­le groei door te maken voor iemand die geen schaam­te voelt bij het ver­tel­len van een opzet­te­lij­ke leu­gen.”

Over juist han­de­len het vol­gen­de (DN 22):

Wat nu, is juist han­de­len? Zich ont­hou­den van doden, ont­hou­den van ste­len, ont­hou­den van sexu­eel wan­ge­drag, dit is juist han­de­len.”

En ver­der (AN 10:176):

En hoe zui­vert men zich op drie manie­ren door licha­me­lijk han­de­len (Sam­ma Sam­man­ta)? In het geval dat een per­soon het nemen van levens opgeeft, zich ont­houdt van doden. Hij ver­blijft met de stok neer­ge­legd, het mes neer­ge­legd, scru­pu­leus, gena­dig, vol com­pas­sie voor het wel­zijn van alle leven­de wezens. Hij geeft het nemen van wat niet gege­ven is op, ont­houdt zich van nemen van wat niet is gege­ven. Hij neemt niet, zoals een dief, din­gen in een dorp of het bos die van ande­ren zijn of die niet door ande­ren gege­ven zijn. Hij geeft sexu­eel wan­ge­drag op, ont­houdt zich van sexu­eel wan­ge­drag. Hij raakt niet sexu­eel ver­bon­den met die­ge­nen nog onder bescher­ming van moe­der, vader, broers, zus­sen, fami­lie of de Dham­ma val­len; niet met die­ge­nen met echt­ge­no­ten, die­ge­nen waar straf op staat of zelfs die­ge­nen die door een ande­re man wor­den gede­co­reerd met bloe­men. Dit is hoe men zich op drie manie­ren zui­vert door licha­me­lijk han­de­len.”

Als laat­ste nog juist levens­on­der­houd (DN 22):

En wat nu is juist levens­on­der­houd (Sam­ma Avija)? Als de nobe­le dis­ci­pel, zich ont­hou­dend van een ver­keer­de manier van leven, zijn levens­on­der­houd ver­dient door een juis­te manier van leven, dit is juist levens­on­der­houd.”

Omdat dit stuk tekst nog­al cryp­tisch blijft, nog een pas­sa­ge voor wat meer prak­ti­sche hou­vast (AN 5:177):

Vijf beroe­pen die­nen te wor­den ver­me­den door de dis­ci­pel: het han­de­len in wapens, in leven­de wezens, in vlees, in bedwel­men­de mid­de­len, en in gif.”

Concentratie – Juiste Inspanning, Juiste Aandacht en Juiste Concentratie

De Boed­dha onder­wees over juis­te inspan­ning (DN 22):

En wat is juis­te inzet (Sam­ma Vaya­ma)? Als de nobe­le dis­ci­pel  de wens gene­reert, streeft, vol­hardt, vol­houdt en zich inspant voor het niet-opkomen van kwa­de, onheil­za­me kwa­li­tei­ten die nog niet zijn opge­ko­men… voor het opge­ven van kwa­de, onheil­za­me kwa­li­tei­ten die op zijn geko­men… Voor het opko­men van heil­za­me kwa­li­tei­ten die nog niet zijn opge­ko­men… (en) voor het behou­den, ver­ste­vi­gen, ver­me­nig­vul­di­gen, ont­wik­ke­len en tot een hoog­te­punt bren­gen van heil­za­me kwa­li­tei­ten die op zijn geko­men: Dit is juis­te inspan­ning.”

De woor­den van de Boed­dha over juis­te aan­dacht (DN 22):

En wat is juis­te aan­dacht (Sam­ma Sati)? Als de nobe­le dis­ci­pel aan­dach­tig gericht blijft op het lichaam in het lichaam – vol­ij­ve­rig, alert en aan­dach­tig – heb­zucht en ver­driet met betrek­king tot de wereld opge­vend. Hij ver­blijft aan­dach­tig gericht op gevoe­lens in gevoe­lens… het bewust­zijn in het bewust­zijn… men­ta­le kwa­li­tei­ten in men­ta­le kwa­li­tei­ten – vol­ij­ve­rig, alert en aan­dach­tig – heb­zucht en ver­driet met betrek­king tot de wereld opge­vend. Dit is juis­te aan­dacht.”

Als laat­ste dan nog de woor­den van de Boed­dha over juis­te con­cen­tra­tie (DN 22):

En wat is juis­te con­cen­tra­tie (Sam­ma Sama­dhi)? Als de nobe­le dis­ci­pel – vol­le­dig terug­ge­trok­ken van zin­tuig­lijk­heid, terug­ge­trok­ken van onheil­za­me (men­ta­le) kwa­li­tei­ten – de eer­ste jha­na in gaat en erin ver­blijft: met ver­ruk­king en ple­zier die voort­ko­men uit los­ma­ken, ver­ge­zeld door begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object. Met het ver­stil­len van begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object, gaat hij de twee­de jha­na in en ver­blijft daar: met uit kalm­te gebo­ren ver­ruk­king en ple­zier, ver­e­ni­ging van de bewust­wor­ding zon­der begin­nen­de en vast­hou­den­de focus op een object – inner­lij­ke zeker­heid. Met het ver­va­gen van ver­ruk­king, ver­blijft hij gelijk­moe­dig, opmerk­zaam en alert, en ervaart ple­zier met het lichaam. Hij gaat de der­de jha­na in en ver­blijft daar, waar de Nobe­len van zeg­gen, ‘gelijk­moe­dig en opmerk­zaam, heeft hij een ple­zie­rig ver­blijf.’  Met het opge­ven van ple­zier en pijn – net als met het eer­de­re ver­dwij­nen van blijd­schap en ver­driet – gaat hij de vier­de jha­na in en ver­blijft hij daar: er is puur­heid van gelijk­moe­dig­heid en opmerk­zaam­heid, zon­der ple­zier of pijn. Dit is juis­te con­cen­tra­tie.”

De Drie Trainingen van Moraliteit, Concentratie en Wijsheid

Zoals aan­ge­ge­ven kan het Acht­vou­di­ge Pad wor­den samen­ge­vat in de drie trai­nin­gen van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Deze samen­vat­ting  wordt regel­ma­tig door de Boed­dha onder­we­zen, neem bij­voor­beeld deze pas­sa­ge uit de lering over de laat­ste dagen van de Boed­dha, de maha-parinibbana sut­ta (DN 16):

Zo is mora­li­teit, zo is con­cen­tra­tie, zo is wijs­heid, als mora­li­teit goed ont­wik­keld is werpt dit gro­te vruch­ten af en brengt het gro­te voor­de­len ten aan­zien van con­cen­tra­tie, als con­cen­tra­tie goed ont­wik­keld is werpt dit gro­te vruch­ten af en brengt het gro­te voor­de­len ten aan­zien van wijs­heid, als wijs­heid goed ont­wik­keld is dan is het bewust­zijn vol­le­dig bevrijd van men­ta­le cor­rup­ties, dat wil zeg­gen: de cor­rup­tie van zin­tuig­lijk­heid, de cor­rup­tie van ver­lan­gen voor blij­vend bestaan, de cor­rup­tie van onwe­tend­heid.”

Met de woor­den “zo is” wordt in deze sut­ta ver­we­zen naar alles dat de Boed­dha eer­der in zijn leven al heeft onder­we­zen ten aan­zien van res­pec­tie­ve­lijk mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Deze lerin­gen kun­nen bij­voor­beeld in hun tota­li­teit wor­den gezien in de Sama­ñ­ñap­ha­la Sut­ta: De Vruch­ten van het Asce­ti­sche Leven.

Het twee­de deel is ech­ter zo belang­rijk dat het als­nog is uit­ge­schre­ven, name­lijk het gro­te goed van het ont­wik­ke­len van alle drie de domei­nen en de onder­lin­ge afhan­ke­lijk­heid ervan.

Zo voert het pad van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid tot bevrij­ding van al de onbe­vre­di­gend­heid van het bestaan.

Hier ein­digt onze tekst over de Boed­dha en zijn Dham­ma. Moge alle wezens geluk­kig zijn en stap­pen zet­ten rich­ting bevrij­ding!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak (het kost geen geld, wel eigen inspanning).

Is de stap naar meditatie nog te groot? Kom dan bijvoorbeeld langs voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven? Waar staat spanning op de boog?