Sinds het over­lij­den van de Boed­dha in de 5de v.Chr is het Boed­dhis­me van­uit India de wereld over getrok­ken. Het is niet ver­ras­send dat het Boed­dhis­me na ver­loop van tijd en het in con­tact komen met aller­lei vol­ke­ren en cul­tu­ren is ver­an­derd.

Zoals de Boed­dha onder­wijst, alles is aan ver­an­de­ring onder­he­vig.

De Dham­ma is als filo­so­fie, reli­gie, of hoe je het ook wilt noe­men, in staat om voor een ieder de weg naar bevrij­ding te tonen, onge­acht afkomst of ach­ter­grond.

Dat is de gro­te kracht van de waar­heid die voert tot bevrij­ding.

Na 2500 jaar kun­nen wij van­daag de dag drie gro­te stro­min­gen onder­schei­den: het The­ra­va­da, Mahaya­na en Vaj­raya­na.

Het The­ra­va­da, de Leer van de Oude­ren, begint rond 250 v.Chr vorm te krij­gen. Het wordt gezien als de meest ortho­doxe vorm van Boed­dhis­me en heeft van­daag de dag voor­al vol­ge­lin­gen in Zuidoost-Azië, met name in Thai­land, Myan­mar en Sri Lanka. De Vipas­sa­na bewe­ging (en in het ver­leng­de daar­van de mind­ful­ness hype) is een moder­ne school bin­nen het The­ra­va­da.

Het Mahaya­na, het Gro­te Voer­tuig, vindt zijn ingang rond de 1ste eeuw v.Chr, met heden­daags voor­al dis­ci­pe­len in Chi­na, Japan en Korea.  Beken­de scho­len bin­nen het Mahaya­na Boed­dhis­me zijn bij­voor­beeld Zen (Chen) en Puur Land.

Het Vaj­raya­na, ofwel Dia­mant Voer­tuig, ont­stond rond de 5de eeuw n.Chr in het ver­leng­de van het Mahaya­na. Het Tibe­t­aans Boed­dhis­me is hier een afsplit­sing van sinds onge­veer de 7de eeuw n.Chr.

Voor­dat we veder gaan is het goed om te besef­fen dat er zelfs na al die eeu­wen heel veel over­een­kom­sten zijn. Je zou kun­nen zeg­gen dat het fun­da­ment van de stro­min­gen altijd gelijk is geble­ven.

De Vier Ede­le Waar­he­den, het Acht­vou­di­ge Pad bestaan­de uit de trai­nin­gen in mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid. De leer van Afhan­ke­lijk Ont­staan en Kam­ma (Kar­ma). Het stre­ven naar Nib­ba­na en het eer­be­toon aan de Boed­dha vind je altijd terug.

De kern is onver­an­derd aan­we­zig.

Of nou naar de Pali Canon of de Chi­ne­se Agamas wordt geke­ken, het over­gro­te deel van de sutta’s, (lerin­gen van de Boed­dha) zijn gelijk. Het is meer de vorm die zich aan de omge­ving heeft aan­ge­past, gevormd naar de nei­gin­gen en omstan­dig­he­den van de beoe­fe­naar.

In alle lan­den waar het Boed­dhis­me werd geïn­tro­du­ceerd ziet men ver­zet van de oor­spron­ke­lijk inheem­se reli­gie, gevolgd door assi­mi­la­tie. Er ont­staan gaan­de­weg meer sub­groe­pen bin­nen de stro­min­gen, en weer groe­pen bin­nen deze groe­pen.

Onder­staand Engels over­zicht (met dank aan wiki­pe­dia) geeft dit enigs­zins gra­fisch weer. Let wel, de breed­te van de balk­jes geeft niet de omvang van de stro­min­gen weer, het Mahaya­na kent zo’n 185 mil­joen vol­ge­lin­gen, het The­ra­va­da 125 mil­joen en het Vaj­raya­na 20 mil­joen:

boeddhistische tijdslijn

In deze tekst zul­len wij kort stil­staan bij de geschie­de­nis van het Boed­dhis­me en de split­sin­gen.

De stro­min­gen ver­schil­len in opvat­ting en beoe­fe­ning maar mis­plaatste arro­gan­tie bij beoe­fe­na­ren van wel­ke stro­ming dan ook ten opzich­te van de ander, in de zin van wat ik doe is beter/hoger/verder dan wat jij doet is niets meer dan een mani­fes­ta­tie in de eigen mind van dosa (boos­heid, afkeer) naar ande­ren en lob­ha (ver­lan­gen, vast­hou­den) aan de eigen over­tui­gin­gen.

Het is dan ook niet de bedoe­ling met deze tekst aan te tonen wat het bes­te is.

Volg de beoe­fe­ning waar je van houdt, die bij je past, dat is het belang­rijkst.

Het moge ver­der dui­de­lijk zijn er hele boe­ken gevuld zijn met de geschie­de­nis van en stro­min­gen bin­nen het Boed­dhis­me. Deze tekst kan in dat licht niet meer zijn dan een opper­vlak­ki­ge samen­vat­ting voor de begin­nen­de stu­dent.

Nodige voorkennis over de Arahant

Een Ara­hant is een ont­waakt wezen, iemand die ver­lan­gen, boos­heid en onwe­tend­heid heeft ver­nie­tigd en Nib­ba­na (Nir­va­na) in dit leven uit eigen erva­ring heeft ver­wor­ven.

De Boed­dha was ook een Ara­hant. De Boed­dha heeft ech­ter in tegen­stel­ling tot de Ara­hant het pad zelf ont­dekt, zon­der aan­wij­zin­gen.

De Boed­dha was als het ware de eer­ste Ara­hant.

Er is ech­ter meer ver­schil dan enkel het pad als eer­ste te heb­ben ont­dekt. Want de Boed­dha was niet alleen de eer­ste maar ook de hoog­ste onder de Ara­hants.

Het ver­schil zit hem niet in de mate van bevrij­ding, die ver­schilt niet, maar in de ande­re men­ta­le kwa­li­tei­ten en vaar­dig­he­den. Zo kon de Boed­dha bij­voor­beeld als geen ander zijn bood­schap afstem­men op zijn luis­te­raars.

Ook onder de Ara­hants kan ver­schil wor­den gemaakt. Het ver­schil zit hem dan voor­al in hoe­veel van de zes abhiñña’s, vor­men van hoge­re ken­nis (ofwel men­ta­le krach­ten) er door een dis­ci­pel op basis van con­cen­tra­tie zijn ver­wor­ven.

De zes­de van deze abhiñña’s is de belang­rijk­ste, name­lijk de ken­nis van de men­ta­le ver­gif­ten. Wie deze ken­nis heeft bevrijdt zich name­lijk van het lij­den en bereikt ara­hant­schap.

Onder de ande­re vijf abhiñña’s valt bij­voor­beeld de kracht van het ken­nen van de mind van een ander.

Toen de Boed­dha leef­de was het altijd dui­de­lijk wie Ara­hant was en wie niet. De Boed­dha gaf ver­baal deze toe­ken­ning, zoals we in de sut­ta kun­nen lezen.

Was er onder vol­ge­lin­gen ondui­de­lijk­heid ten aan­zien van het sta­di­um van ver­lich­ting dat een dis­ci­pel had bereikt, dan kon het altijd aan de Boed­dha wor­den gevraagd.

Er was daar­om geen twij­fel nodig over de kwa­li­tei­ten van een mon­nik die Ara­hant was.

Goed, met deze ken­nis kun­nen we ver­der gaan. Laten we begin­nen bij het ein­de van de Boed­dha.

Het overlijden van de Boeddha

Het pre­cie­ze jaar waar­op de Boed­dha over­leed is niet zeker. Moder­ne his­to­ri­ci plaat­sen het over­lij­den rond het ein­de van de 5de eeuw v.Chr.

Na het over­lij­den waren er mon­ni­ken die vrij van ver­lan­gen waren en kalm op het heen­gaan van de Boed­dha reflec­teer­den: “Ver­gan­ke­lijk zijn alle gecon­di­ti­o­neer­de din­gen. Hoe had dit anders kun­nen zijn?”

En er waren mon­ni­ken die diep bedroeft waren, die jam­mer­den en ween­den. De eer­waar­de Anurud­dha zij tegen deze mon­ni­ken: “Genoeg vrien­den, wees niet bedroeft! Heeft de Geze­gen­de niet keer op keer gezegd dat alle din­gen waar men van  houdt onder­he­vig zijn aan ver­an­de­ring en ver­lies?”

Later, tij­dens het eer­be­toon aan het lichaam de Boed­dha, zegt de eer­waar­de Subad­dha, die pas op oude­re leef­tijd mon­nik was gewor­den: “Het is goed dat wij van de gro­te asceet af zijn. Te lang, vrien­den, wer­den wij onder­drukt door zijn woor­den: ‘dit is geen pas­send gedrag voor jou; dat is geen pas­send gedrag voor jou.’ Nu kun­nen we ein­de­lijk doen wat we wil­len, en wat we niet wil­len dat zul­len we niet meer doen.”

De eer­waar­de Maha Kas­sa­pa spreekt deze mon­nik direct streng toe. De woor­den van Subad­dha geven ech­ter dui­de­lijk aan dat niet elke dis­ci­pel een Nobe­le dis­ci­pel was die de wer­ke­lijk­heid door eigen erva­ring had door­grond, dat niet elke dis­ci­pel bereid was zich aan de regels te blij­ven hou­den.

In deze woor­den schuilt het begin van de eer­ste split­sing.

De eerste splitsing

Kort na zijn over­lij­den van de Boed­dha kwa­men 500 Ara­hants bij­een en vorm­den de 1ste raads­ver­ga­de­ring onder lei­ding van de eer­waar­de Maha Kas­sa­pa, de oud­ste onder hen, om de leer van de Boed­dha te her­ha­len en in het geheu­gen vast te leg­gen.

In de eer­ste jaren na zijn over­lij­den zijn er nog dis­ci­pe­len die recht­streeks onder de Boed­dha zijn ont­waakt.

Er waren nog gro­te Ara­hants, zoals de eer­waar­de Maha Kas­sa­pa die de toe­ken­ning had­den gekre­gen de mind van ande­ren te kun­nen ken­nen, waar­door bij twij­fel nog steeds gezien kon wor­den of iemand bevrij­ding had bereikt of niet.

Met het ver­strij­ken van de jaren over­le­den deze dis­ci­pe­len, en de dis­ci­pe­len na hun. Het werd steeds moei­lij­ker om Ara­hant­schap te toet­sen. Er waren men­sen die Ara­hant wer­den, die de wer­ke­lijk­heid had­den door­grond, maar bij­voor­beeld niet het ver­mo­gen had­den de mind van een ander te zien.

Soms dach­ten mon­ni­ken, niet per­se voort­ko­mend uit ver­keer­de inten­ties, Ara­hant te zijn ter­wijl dit niet klop­te. De Com­men­ta­ren van de Pali Canon geven het voor­beeld van mon­ni­ken in die tijd die 60 jaar lang dach­ten Ara­hant te zijn tot­dat een leer­ling van hun daad­wer­ke­lijk Ara­hant­schap bereik­te in com­bi­na­tie met de men­ta­le kracht om de mind van ande­ren te ken­nen. De jon­ge Ara­hant zag de men­ta­le tekort­ko­min­gen van zijn voor­ma­li­ge lera­ren die hele­maal geen Ara­hant ble­ken te zijn.

Er waren ook mon­ni­ken die onte­recht claim­den Ara­hant te zijn omdat dit meer aan­zien en offer-gaven ople­ver­de. Dit is natuur­lijk een breuk van een van de gro­te­re mon­niks­re­gels waar­in het is ver­bo­den (bewust) onte­recht een der­ge­lij­ke claim te doen, maar het con­tro­le­ren hier­van was inmid­dels uiterst moei­lijk gewor­den.

Hier­door leef­den er Ara­hants in de maat­schap­pij die bij lan­ge na niet aan de kwa­li­tei­ten vol­de­den. Dit gaf onrust bij de leken bevol­king en mon­ni­ken.

Je ziet, more­le cor­rup­tie nam al vroeg na het over­lij­den van de Boed­dha toe.

Hal­ver­we­ge de 4de eeuw v.Chr., nog geen 100 jaar na het over­lij­den van de Boed­dha, ont­staat er one­nig­heid bin­nen de Sang­ha. De pre­cie­ze aan­lei­ding is niet dui­de­lijk.

Waar­schijn­lijk lag een ver­schil in opvat­ting ten aan­zien van de Vinaya, de ethi­sche gedrags­re­gels voor mon­ni­ken hier­aan ten grond­slag, maar zelfs dat is niet zeker.

Deze one­nig­heid was reden voor een 2de raads­ver­ga­de­ring.

De Mahasang­hi­kas, onder lei­ding van Maha­de­va, lij­ken voor­stan­der te zijn geweest van min­der ethi­sche regels en hiel­den de mening dat de Ara­hant nog men­ta­le beper­kin­gen kent.

De Stha­vi­ra­vadins, lij­ken meer of stren­ge­re ethi­sche regels te heb­ben gewild en ble­ven bij Ara­hant­schap als het doel van de weg.

Hoe je het went of keert, uit­ein­de­lijk was de cor­rup­tie van enke­le dis­ci­pe­len het onder­lig­gen­de pro­bleem dat leid­de tot de split­sing.

Of de een nu regels uit de Vinaya wil­de ver­wij­de­ren of de ander er juist nieu­we aan wil­de toe­voe­gen is een blij­ven­de aca­de­mi­sche dis­cus­sie. Van­af dat moment zijn er ech­ter twee stro­min­gen met twee iets ver­schil­len­de Vinaya’s, de Stha­vi­ra­vadins en de Mahasang­hi­kas.

Het idee om te  stre­ven naar Boed­dha­schap in plaats van Ara­hant­schap begint voor het eerst te leven.

Na deze eer­ste split­sing ont­ston­den er lang­zaam maar zeker meer boed­dhis­ti­sche sub-groepen. De schei­dings­lijn was niet kei­hard, men medi­teer­de en leef­de in elkaars kloos­ters en bedis­cus­si­eer­den de Dham­ma met elkaar.

De Dham­ma had zich ech­ter voor het eerst aan­ge­past aan de nei­gin­gen van ver­schil­len­de men­sen.

Asoka de Grote en het ontstaan van het Theravada

Van 268 tot 232 v.Chr heerste Aso­ka de Gro­te van de Mau­rya dynas­tie over vrij­wel het hele Indi­sche sub­con­ti­nent. Het ver­haal gaat dat Aso­ka in 260 v.Chr een bloe­di­ge oor­log in Kalin­ga voer­de. Hij ver­o­ver­de Kalin­ga, maar het zien van de mas­sa­le slach­ting bracht hem tot bezin­ning.

Hij bekeer­de zich tot het Boed­dhis­me en richt­te zich op ahim­sa, geweld­loos­heid. Aso­ka wordt gezien als een groot, tole­rant en res­pect­vol lei­der, een voor­beeld voor konin­gen na hem. Onder hem was er een­heid en har­mo­nie, ook tus­sen men­sen en die­ren.

Hij gaf zijn rijk­dom uit voor zijn volk en voor de Sang­ha. Hier­mee cre­ëer­de hij ech­ter ook een pro­bleem.

Heb­be­ri­ge en amo­re­le man­nen infil­treer­de de Sang­ha om mis­bruik te kun­nen maken van zijn lief­da­dig­heid. Zij waren niet geïn­te­res­seerd in bevrij­ding, enkel in offer-gaven en sta­tus en hiel­den er der­hal­ve ver­keer­de ziens­wij­zen op na met als gevolg dat het res­pect voor de Sang­ha afnam.

Toen Aso­ka van deze cor­rup­tie hoor­de orga­ni­seer­de hij in 250 v.Chr een 3de raad­ver­ga­de­ring om het Boed­dhis­me te zui­ve­ren en de Dham­ma vast te leg­gen.

Aan het hoofd van de 9 maan­den duren­de 3de raads­ver­ga­de­ring stond de eer­waar­de Mog­ga­li­put­ta­tis­sa. De eer­waar­de Mog­ga­li­put­ta­tis­sa behoor­de tot de Vib­ha­j­ja­va­da school, de leer van ana­ly­se, een afsplit­sing van de Stha­vi­ra­vadins.

De Dham­ma die tij­dens de 3de raads­ver­ga­de­ring werd vast­ge­legd en door Aso­ka werd gesteund was de Tipi­ta­ka (de drie man­den). De vol­ge­lin­gen van deze stro­ming noem­den zich Theriya’s ‘oude­ren’ en het The­ra­va­da was gebo­ren.

Een detail is dat hier ook de The­ra­va­da Abhi­d­ham­ma werd vast­ge­legd, de ‘Kat­ha Vat­thu’ (pun­ten van con­tro­ver­se) bevat een ver­za­me­ling vra­gen en ant­woor­den door de eer­waar­de Mog­ga­li­put­ta­tis­sa.

Tij­dens deze raads­ver­ga­de­ring wer­den veel mon­ni­ken onder­vraagd. Wie een ant­woord gaf dat niet in over­een­stem­ming was met de Dham­ma werd uit de mon­niks­or­de gezet.

Zo zui­ver­de Aso­ka de Sang­ha.

Het meest belang­rij­ke aan deze raads­ver­ga­de­ring is dat Aso­ka mon­ni­ken de wereld in stuur­de om het The­ra­va­da te ver­sprei­den. Ze gin­gen naar Grie­ken­land, de Hima­layas, Myan­mar en mis­schien wel het belang­rijk­ste, naar Sri Lanka.

Het was nie­mand min­der dan de tot de Sang­ha toe­ge­tre­den zoon van Aso­ka, de eer­waar­de Mahin­da, die naar Sri Lanka reis­de. Het Boed­dhis­me, of eigen­lijk het The­ra­va­da Boed­dhis­me, flo­reer­de op Sri Lanka.

De The­ra­va­da Tipi­ta­ka werd in Sri Lanka in de 1ste eeuw v.Chr voor het eerst in het Sin­ha­la op schrift gezet zoals vast­ge­legd in de 3de raads­ver­ga­de­ring.

In de 5de eeuw n.Chr schreef de gro­te eer­waar­de Bud­dha­go­sa, over­ge­ko­men van het vas­te land van India, de leer op in het Pali, de oude taal van de Dham­ma, tesa­men met een hele reeks aan tot dan toe mon­de­ling over­ge­dra­gen com­men­ta­ren van de gro­te mees­ters van de eeu­wen daar­voor.

Sinds die tijd bestaat de Pali Canon, de Pali ver­sie van de Tipi­ta­ka. Sinds de 3de raads­ver­ga­de­ring van 250 v.Chr zijn aan de hoofd­tek­sten geen lerin­gen meer toe­ge­voegd of ver­wij­derd.

Wel zijn er meer com­men­ta­ren, en sub-commentaren bij­ge­ko­men. Die wor­den ech­ter altijd als para-canonisch gezien, en dus niet als direct door de Boed­dha onder­we­zen. Bud­dha­go­sa zelf schreef de Visud­dhimag­ga, een monu­men­ta­le samen­vat­ting van de Tipi­ta­ka.

De oneindige compassie van de Boeddha en het ontstaan van Mahayana

Het ont­staan van het Mahaya­na Boed­dhis­me is veel moei­lij­ker te rela­te­ren aan een spe­ci­fiek moment in de tijd, ster­ker nog, er lijkt in de oud­heid geen apar­te Mahaya­na stro­ming te zijn geweest.

Het Mahaya­na was in den begin­ne veel meer een meta­fy­si­sche filo­so­fie, een over­koe­pe­lend idee dat bij diver­se vol­ge­lin­gen van de vroeg boed­dhis­ti­sche scho­len heerste.

We heb­ben gele­zen hoe de Mahasan­gi­kas rond de 2de raads­ver­ga­de­ring (4de eeuw v. Chr) het Ara­hant­schap ontoe­rei­kend begon­nen te vin­den. Dit open­de de weg naar Boed­dha­schap als alter­na­tief, wat een eer­ste ver­trek­punt lijkt te zijn geweest.

Rond­om de 3de raads­ver­ga­de­ring 250 v.Chr waren er 18 ver­schil­len­de boed­dhis­ti­sche scho­len. Het kan niet gezegd wor­den dat een spe­ci­fie­ke school de voor­lo­per van het Maya­ha­na was, veel meer lij­ken er scho­len zoals bij­voor­beeld de Sar­vas­ti­va­das een afsplit­sing van de eer­der genoem­de Stha­vri­va­vadins tesa­men met de Mahasan­gi­kas van invloed te zijn geweest op de ont­wik­ke­ling van het Mahaya­na gedach­ten­goed.

Een belang­rij­ke vraag die aan de oor­sprong van het Mahaya­na lijkt te staan gaat over de com­pas­sie van de Boed­dha.

Kort door de bocht was de rede­na­tie: Als de Boed­dha echt onein­di­ge com­pas­sie kent, dan zou hij de wezens in het uni­ver­sum nooit in de steek laten. Dat bete­kent dat de Boed­dha nooit Nir­va­na in zou gaan zoals tot dan toe werd onder­we­zen, want van­uit dat Nir­va­na kan hij geen goeds meer doen voor ande­re wezens. Daar­om moet er een aspect van de Boed­dha zijn wat nog in het hier en nu aan­we­zig is als uiting van zijn onein­di­ge com­pas­sie.

Dit soort rede­na­ties wer­den uit­ge­werkt en er wer­den wegen gezocht om het­zelf­de Boed­dha­schap te kun­nen berei­ken om zo ook zelf een blij­ven­de bij­dra­ge te kun­nen leve­ren aan het wel­zijn van alle wezens.

Een van de oud­ste tek­sten die dit gedach­ten­goed op schrift zet is de Pra­jn­apa­ra­mi­ta sutra van rond de 1ste eeuw v.Chr.

In de eeu­wen die volg­den kwa­men er meer en meer tek­sten die het onder­lig­gen­de gedach­ten­goed vorm gaven en ver­diep­ten.

Een samen­vat­ting van de toen heer­sen­de opvat­tin­gen bin­nen het Mahaya­na is moei­lijk te geven, belang­rijk is voor­al het stre­ven naar Boed­dha­schap door het vol­gen van het Bod­his­att­va pad.

De nadruk ligt op het stre­ven naar ver­lich­ting van alle wezens en niet alleen jezelf. Hier­uit volgt de leer over de Boed­dha­na­tuur (Tat­ha­ga­tag­arb­ha) die in ieder­een aan­we­zig is. Dat wil zeg­gen, ieder­een heeft in essen­tie de moge­lijk­heid om Boed­dha te wor­den als de wol­ken van onwe­tend­heid die de inhe­ren­te Boed­dha­na­tuur ver­duis­te­ren door inspan­ning wor­den ver­wij­derd.

Een opval­lend ver­schijn­sel, moge­lijk hier­uit voort­ko­mend is een nieu­we boed­dhis­ti­sche kos­mo­lo­gie met ver­schil­len­de Boeddha’s en Bodhisattva’s die in diver­se werel­den (rij­ken) leven en zich nog voor het wel­zijn van wezens kun­nen mani­fes­te­ren.

Het zo lang­zaam maar zeker vorm krij­gen­de pad werd door de vol­ge­lin­gen als supe­ri­eur tot de vroeg boed­dhis­ti­sche scho­len gezien, en dat lever­de natuur­lijk kri­tiek. Het groot­ste kri­tiek­punt is dat de Mahaya­na sutra’s niet direct door de Boed­dha wer­den onder­we­zen maar door late­re dis­ci­pe­len zijn bedacht.

Waar­schijn­lijk ten dele als reac­tie op deze kri­tiek wordt in de Mahaya­na tek­sten fre­quent geschre­ven over het gro­te spi­ri­tu­e­le voor­deel dat men ver­werft door alleen al het lezen van de sutra’s.

De voor­va­de­ren van het Mahaya­na beroe­pen zich op geheim onder­wijs waar­in de Boed­dha wel dege­lijk de Mahaya sutra’s heeft gepreekt, enkel was niet ieder­een in staat deze sutra’s te begrij­pen en daar­om wer­den ze enkel aan spe­ci­fie­ke dis­ci­pe­len door­ge­ge­ven.

Het Maya­ha­na gedach­ten­goed ver­sprei­de zich rond de 1ste eeuw n.Chr met het Boed­dhis­me via de Zijden-route naar Cen­traal Azië.

De term Mahaya­na als naam voor deze stro­ming wordt voor het eerst in de 2de eeuw n.Chr aan­ge­trof­fen.

In de eeu­wen daar­na vol­gen al snel ver­schil­len­de scho­len, bij­voor­beeld Mad­hy­a­ma­ka, Yog­a­cha­ra, Puur Land en Chan (Zen).

Anders dan bij het The­ra­va­da is het gro­te cor­pus aan tek­sten die Mahaya­na niet vast­ge­legd, niet geslo­ten, maar dyna­misch. Het past zich aan de cul­tu­ren waar het komt aan en assi­mi­leert hier en daar de inheem­se volks­re­li­gie.

Hoe­wel de ver­schil­len­de Mahaya­na scho­len ver­schil­len­de lerin­gen en beoe­fe­nin­gen heb­ben zijn zij wat de onder­lig­gen­de Vinaya betreft rela­tief con­sis­tent.

Mahasiddha’s, Vajrayana en het Tibetaans Boeddhisme

Het Vaj­raya­na, een rela­tief late afsplit­sing van het Mahaya­na, lijkt ergens rond de 5de eeuw n.Chr te zijn begon­nen.

Moge­lijk lag de oor­sprong hier­van in een zoek­tocht naar een snel­le­re manier om Boed­dha­schap te berei­ken, moge­lijk was het een reac­tie op de ver­an­de­ren­de omge­ving op het vas­te land van India waar het Jaï­nis­me en Hin­doe­ïs­me meer aan­zien kre­gen en de Hun­nen regel­ma­tig op roof­tocht trok­ken met ver­woes­ten­de gevol­gen voor de kloos­ter­ge­meen­schap­pen.

Het begin van deze stro­ming wordt toe­ge­schre­ven aan een groep Maha­sid­dha (gro­te mees­ters), een soort magi­ërs die in India leef­den en de leer van de Boed­dha lij­ken te heb­ben aan­ge­vuld met eso­te­ri­sche ritu­e­len.

Zij wor­den gezien als zeer begaaf­de tan­tra beoe­fe­naars. Tanra’s zijn een com­bi­na­tie van mantra’s (bescher­men­de ver­zen), han­de­lin­gen en visu­a­li­sa­ties die de weg naar ver­lich­ting bespoe­di­gen.

Het Vaj­raya­na doet zijn intre­de in Tibet rond de 8ste eeuw n. Chr waar het ten dele ver­smelt met de inheem­se Bön reli­gie en zo vorm geeft aan bij­voor­beeld Dzog­chen.

Enkele andere invloeden op de verschillende stromingen

Net als van­daag de dag trok­ken men­sen met min of meer gelij­ke opvat­tin­gen ook vroe­ger naar elkaar toe. Het is dan ook niet gek dat in India een geo­gra­fi­sche gra­di­ënt ont­stond.

De voor­lo­pers van het Mahaya­na bevon­den zich meer in het noor­den van India, de voor­lo­pers van het The­ra­va­da in het zui­den.

Tij­dens de heer­schap­pij van de gro­te koning Aso­ka in India, die het The­ra­va­da als hoofd­stro­ming zag, wer­den er tevens mon­ni­ken uit deze laat­ste stro­ming naar Sri Lanka gestuurd.

Van­af de 5de eeuw n.Chr val­len de Hun­nen India bin­nen en ver­woest­ten veel boed­dhis­ti­sche kloos­ters. In de 12de eeuw n. Chr ver­o­ve­ren de Mos­lims het Indi­a­se sub­con­ti­nent.

Tij­dens de ver­o­ve­ring ver­nie­tig­den zij alle boed­dhis­ti­sche kloos­ters die zij tegen­kwa­men. Het Boed­dhis­me is op dat moment vrij­wel ver­dwe­nen in India.

Naast de inva­sie van India is in vrij­wel elk land waar het Boed­dhis­me zijn intre­de vond spra­ke van wis­se­len­de machts­dy­na­miek. Op Sri Lanka wordt het Boed­dhis­me bestre­den bij het aan­tre­den van een koning met een ande­re reli­gi­eu­ze visie, net als in Tibet, Chi­na, Myan­mar en ga zo maar door.

Op Sri Lanka moest het Boed­dhis­me bij­voor­beeld opnieuw geïn­tro­du­ceerd wor­den van­uit Myan­mar omdat er geen mon­ni­ken meer in leven waren. In Tibet over­leef­de de Dham­ma voor­al in de huis­hou­dens waar men in het geheim beoe­fen­de. In Chi­na was het reden voor het oppak­ken van krijgs­kun­sten onder de mon­ni­ken.

Ook de geo­gra­fi­sche sprei­ding heeft de vorm van beoe­fe­ning beïn­vloed, te samen met de invloe­den van inheem­se tra­di­ties.

Of het nou het geï­so­leer­de Tibe­t­aans Boed­dhis­me hoog in de Hima­laya, de beoe­fe­ning van The­ra­va­da op het afge­le­gen eiland Sri Lanka, de sprei­ding van de Dham­ma over de noma­den vol­ke­ren van het gigan­ti­sche Cen­traal Azië of het samen­smel­ten van vol­ke­ren en boed­dhis­ti­sche scho­len in Myan­mar betreft.

Je ziet door dit soort invloe­den bij­voor­beeld dat in Tibet de van oor­sprong niet-monastische (thuis door leken beoe­fen­de) Nying­ma school de oud­ste over­le­ven­de tra­di­tie is. Hier­mee kun je ook ver­kla­ren waar­om de Vinaya uit­ein­de­lijk ster­ker ver­an­der­de.

Van­daag de dag is bij­voor­beeld een heel groot ver­schil tus­sen het The­ra­va­da en de ove­ri­ge stro­min­gen dat de mon­ni­ken bin­nen het The­ra­va­da altijd geacht wor­den celi­ba­tair te leven ter­wijl dit bin­nen scho­len van de ande­re stro­min­gen niet altijd geldt.

Zijn de verschillen nou groot of niet?

Het aan­pas­sings­ver­mo­gen van de Dham­ma kan als zwak­te wor­den gezien. Wie die­per kijkt ziet ech­ter de behou­den kern en rea­li­seert zich dat de waar­heid, de wer­ke­lijk­heid waar de Dham­ma om draait in essen­tie niet in woor­den te vat­ten is.

Het is een erva­ring voort­ko­mend uit die­pe en lang­du­ri­ge ont­wik­ke­ling van de mind mid­dels mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid.

Zijn de ver­schil­len dan niet heel groot?

Wie zal het zeg­gen. Je kunt alleen iets zeg­gen over wat je zelf beoe­fent. Ahba heeft her­haal­de­lijk gezegd dat je niet moet den­ken dat wat jij doet beter is dan wat een ander doet. Want wat weet je nou wer­ke­lijk over de beoe­fe­ning van een ander? Over de diep­gang die te berei­ken valt door jaren­lan­ge inspan­ning bin­nen dat sys­teem?

Ahba zelf doet geen uit­spra­ken over het Nib­ba­na van het Mahaya­na of het bestaan van de Bodhisattva’s.

Het eni­ge dat hij wel eens heeft gezegd is dat het hoog­ste sta­di­um van ver­lich­ting berei­ken ter­wijl je een vrouw (of man) hebt niet kan omdat je dan nog ver­lan­gen hebt. Juist voor het ver­nie­ti­gen van dit ver­lan­gen heeft de Boed­dha zijn weg onder­we­zen.

Als je lang medi­teert kan het gebeu­ren dat je toch her­ken­nings­pun­ten hebt bij het lezen van erva­rin­gen bin­nen ande­re sys­te­men.

Als je op Bud­dho medi­teert dan her­ken je mis­schien wel erva­rin­gen uit Dzog­chen of Zen.

Medi­te­ren op de kwa­li­tei­ten van de Boed­dha is in alle sys­te­men behou­den geble­ven. Dil­go Khy­ent­se Rin­po­che, een gro­te Tibe­t­aan­se mees­ter leert bij­voor­beeld dat alle Boeddha’s uit het ver­le­den op de kwa­li­tei­ten van de Boed­dha heb­ben geme­di­teerd.

Veel van de meta-filosofie waar de stro­min­gen voor­al ver­schil­len is mis­schien ook niet zo van belang voor alle­dag. Als je je bewust­zijn zui­vert, con­cen­treert en er wijs­heid ont­staat wordt je een beter per­soon.

Maakt het uit of je dit nou doet met de inten­tie om Boed­dha of Ara­hant te wor­den?

Als je zelf lang genoeg een spe­ci­fiek sys­teem beoe­fent ga je zelf erva­ren dat er din­gen zijn die van te voren niet voor moge­lijk had gehou­den. Dat er paden zijn waar­over je niet in boe­ken hebt gele­zen.

Uit­ein­de­lijk geven de woor­den van Boed­dha zelf denk ik een voor­zich­tig kader waar­in de ver­schei­den­heid aan beoe­fe­nin­gen en inter­pre­ta­ties kan wor­den gezien (SN 56:31):

Op een gege­ven moment ver­bleef de Geze­gen­de in Kos­am­bi, in het Sims­a­pa bos. Aldaar raap­te hij een hand­vol Sims­a­pa bla­de­ren op en vroeg aan de mon­ni­ken:

Wat den­ken jul­lie mon­ni­ken, wat zijn er meer, deze paar Sims­a­pa bla­de­ren in mijn hand of de bla­de­ren boven onze hoof­den in dit bos?”

De bla­de­ren in de hand van de Geze­gen­de zijn maar wei­nig, heer. De bla­de­ren boven onze hoof­den in dit Sims­a­pa bos zijn er veel meer.”

Op dezelf­de manier, mon­ni­ken, zijn die din­gen die ik weet uit direc­te ken­nis maar niet onder­we­zen heb veel meer dan wat ik wel onder­we­zen heb. En waar­om heb ik ze niet onder­we­zen? Omdat ze niet samen­han­gen met het doel, niet van belang zijn voor het hei­li­ge leven, niet tot het los­la­ten van ver­lan­gen, tot het opge­ven van pas­sies, tot ophou­den, tot kalm­te, tot direc­te ken­nis, tot zelf-ontwaking, tot bevrij­ding voert. Dat is waar­om ik ze niet heb onder­we­zen.

Daar­om is het jul­lie taak om te over­we­gen, ‘dit is lij­den… dit is de oor­zaak van het lij­den… Dit is het ophou­den van het lij­den.’ Jul­lie taak is om te over­we­gen, ‘Dit is de weg van beoe­fe­ning die voert tot het ophou­den van onbe­vre­di­gend­heid.’

De wer­ke­lijk­heid kent vele aspec­ten, lever inspan­ning voor het ont­wik­ke­len van mora­li­teit, con­cen­tra­tie en wijs­heid en wie weet zul je zelf kun­nen zien hoe het zit.

Referenties

Onli­ne:

Boe­ken:

  • Mahaya­na Bud­dhism, door Paul Wil­li­ams
  • The Bod­his­att­va Ide­al, essays on the emer­gen­ce of Mahaya­na, uit­ge­ge­ven door de BPS
  • His­to­ry of Bud­dhism in Cey­lon, door Wal­po­la Rahu­la
  • Boed­dhis­me: Stich­ter, scho­len en sys­te­men, door Hans Wolf­gang Schu­mann
  • The­ra­va­da Bud­dhism, door Richard Gom­brich
  • The Way of the Whi­te Clouds, door Lama Ana­ga­ri­ka Govin­da.
Schrijf je in voor nieuws en updates!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak (het kost geen geld, wel eigen inspanning).

Is de stap naar meditatie nog te groot? Kom dan bijvoorbeeld langs voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven? Waar staat spanning op de boog?