• 4min

De Boeddha adviseerde vijf leefregels (pañca-sīla) voor het ontwikkelen van moraliteit (sīla). De eerste van deze leefregels is ‘afzien van doden’. Hoe kijkt het boeddhisme dan naar het eten van vlees? En was de Boeddha vegetarisch?

In het Theravāda-boeddhisme leeft de Sangha (de monniksorde) van aalmoezen. Het wordt als zeer heilzaam gezien om de Sangha van voedsel (en andere benodigdheden) te voorzien. Er wordt in het westen nog wel eens gedacht dat hierdoor wordt geprofiteerd van de bevolking, dat monniken een soort parasieten zijn. Bedenk hierbij dat de monniken niet gewoon lui in een hangmat liggen maar hard werken.

In het klooster van Ahba zijn ze, jong of oud, van zonsopgang tot ver na zonsondergang aan het studeren en werken. Dag in dag uit. Ze houden zich aan 227 leefregels, veel meer dan de vijf voor leken. En als ze zich wijden aan meditatie dan leveren ze de bovenmenselijke inspanning om het bewustzijn te zuiveren. Wie denkt dat het een makkelijk leven is moet het maar eens zelf proberen. Kijk maar eens hoe lang je het volhoudt!

Het belangrijkste is dat zij het leven volledig in het teken van de Dhamma stellen. Zo kunnen ze stappen zetten op de weg die de Boeddha onderwees en wijsheid ontwikkelen. Dit kunnen zij weer delen met de mensen die hen ondersteunen. De monniken zijn een inspiratie voor de leken, een voorbeeld waar ze naar kunnen streven. Het staat een ieder vrij om tot de Sangha toe te treden maar voor velen is deze stap te groot. De Sangha ondersteunen kunnen ze echter wel.

We gaan terug naar het leven van aalmoezen. De Boeddha onderwees dat er geen onderscheid gemaakt mocht worden tussen man of vrouw, arm of rijk. Iedereen moest de mogelijkheid hebben te geven als zij wilden geven. Als je aan het Indiase kastensysteem denkt, wat 2500 jaar geleden nog sterker aanwezig was dan nu, besef je hoe radicaal deze stap was.

Om iedereen de mogelijkheid te geven om vrijgevigheid te beoefenen onderwees de Boeddha geen vegetarisch dieet. Sterker nog, hij sprak zich zelfs tegen een puur vegetarisch dieet uit toen Devadatta dat in de Sangha probeerde te brengen om de Sangha de splitsen.

Monniken mochten niet kieskeurig zijn, niet aangeven wat zij lekker of niet lekker vonden. Dat is immers een uiting van verlangen. Er is zelfs een sutta (soetra) de Boeddha van een hele arme man zand als voedsel krijgt omdat de man niets anders heeft om te geven. De Boeddha ziet dat deze gift met goede intentie is gegeven en eet het zand als maaltijd op. Je eet wat wordt gegeven.

Wel leerde hij dat geen vlees gegeten mocht worden van een dier dat bewust voor een monnik geslacht was (MN 55):

… onder drie omstandigheden mag vlees niet worden gegeten: als gezien, gehoord of verondersteld wordt dat een levend wezen bewust geslacht is voor de monnik…”

Vandaag de dag verschilt het voor monniken per boeddhistische stroming of er wel of geen vlees gegeten wordt.

In het Theravāda-boeddhisme, waar de monniken zelf geen voedsel verbouwen en waar de Vinaya (de gedragsregels voor monniken) nog heel traditioneel zijn eten de monniken in het algemeen nog wel vlees. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de monniken in het klooster van Ahba. Toch heeft Ahba wel eens aangegeven dat vegetarisch eten in principe beter is.

In het Mahāyāna-boeddhisme is het voor monniken gebruikelijk om vegetarisch te eten. Dat heeft ten dele te maken met dat de kloosters soms hun eigen voedsel verbouwen, en een dier slachten is natuurlijk uit den boze. Maar het heeft ook te maken met enkele Mahāyāna sutta’s waarin de Boeddha zich wel tegen het eten van vlees zou hebben uitgesproken.

In het Vajrayāna (waaronder het Tibetaans boeddhisme) mag op filosofische gronden weer wel vlees worden gegeten. Waarschijnlijk speelt geografie een rol, groente maakt in Tibet slechts een bescheiden onderdeel uit van het dieet omdat het moeilijker te verbouwen is.

En hoe zit het dan voor westerse leken? Het is moeilijk om het onderwijs van de Boeddha op een leven met vlees in de supermarkt te projecteren. De Boeddha zelf gaf geen adviezen aan leken ten aanzien van eten, en wij hebben geen pasklaar antwoord.

Ervaar je wroegingen bij het eten van vlees, vind je het niet in overeenstemming met mettā (liefde-vriendelijkheid), twijfel je of dit de leefregel van het afzien van doden tegen gaat, of vind je dat een leven volgens de Dhamma de natuur moet ontzien, dan kun je misschien beter op een (deels) vegetarisch dieet overstappen. Het blijft een afweging die een ieder zelf moet maken, rekening houdend met de eigen omstandigheden en gezondheid.