Wat is Abhidhamma?


Wie dat leuk vindt kan als toevoeging tot de meditatie de Abhidhamma bestuderen. De prefix ‘abhi’ betekent ‘overstijgend’ of ‘hoger’; het woord ‘dhamma’ heeft in dit geval de betekenis van ‘waarheid of leer’. Samen dus ‘hogere leer’. Tot zover de vertaling. Maar wat is het?

Bhikkhu Bodhi schrijft in zijn vertaling van de Abhidhammattha Sangaha (een samenvatting van de Abhidhamma geschreven door Acariya Anuruddha rond de 11e–12e eeuw n. Chr.):

“In de Sutta maakt de Boeddha regelmatig gebruik van conventionele taal (Voharavacana) en accepteert hij conventionele waarheid (Sammutisacca). Dit is waarheid uitgedrukt in termen die zelf in ultieme zin niet werkelijk bestaan, maar waarnaar wel verwezen kan worden. Zodoende spreekt de Boeddha in de Sutta over ‘ik’ en ‘jij’, over ‘man’ en ‘vrouw’, over levende wezens, personen en zelfs over een zelf, alsof dat concrete realiteiten zijn.

“De Abhidhamma daarentegen beperkt zich tot termen die geldig zijn vanuit een ultiem realiteits-standpunt (Paramatthasacca): Dhammas [fenomenen], karakteristieken, functies en relaties. Zo worden in de Abhidhamma alle concepten, die in de Sutta nog geaccepteerd worden voor een makkelijkere communicatie, niet meer gebruikt. In plaats daarvan wordt de werkelijkheid in ultieme bouwstenen ingedeeld. Dat wil zeggen, in kale mentale en materiële fenomenen die vergankelijk, geconditioneerd, en afhankelijk ontstaan zijn. Leeg van een zelf of agent.”

De Abhidhamma ‘overstijgt’ het conventionele karakter van de Sutta. Wat wordt hiermee bedoeld? Neem als voorbeeld een auto. Is het nog steeds een auto als je elk schroefje losdraait, elk onderdeel apart op de grond legt? In ultieme zin is een auto geen realiteit. Wij noemen het samenraapsel van materiële fenomenen dat in een specifieke vorm met specifieke eigenschappen is samengevoegd ‘auto’. Het is een afspraak, een conventie. In de Abhidhamma zou niet over ‘auto’ worden gesproken, maar over deze kleinste fenomenen en hun onderlinge relaties en eigenschappen.

In het eerste boek van de Abhidhamma (de Dhammasangani) worden alle kleinste bouwstenen opgesomd, en worden zo de kleinste bestanddelen van de werkelijkheid weergegeven. Dit is de analyse. In het laatste boek (de Patthana) zijn de conditionele relaties, de verbindingen tussen deze bouwstenen, te vinden. Dit is de synthese. Deze twee aspecten samen, de analyse en de synthese, geven het unieke karakter van de leer van de Boeddha weer. Welk karakter?

Dat alles vergankelijk en zonder zelf is, maar dat het toch de moeite waard is om moreel gedrag, concentratie en wijsheid te ontwikkelen. Aan de ene kant wordt zo aangetoond dat ‘wij’ en de buitenwereld niets meer zijn dan een samenraapsel van losse, vergankelijke momenten. Momenten die ieder op zich ontstaan en vergaan. Een hele hoop van deze mentale en materiële fenomenen samen zijn niets meer dan een conventie, een ‘ik’ zonder dat daar in werkelijkheid een ‘agent’ of iets blijvends te vinden is. Aan de andere kant wordt duidelijk gemaakt dat deze momenten wel degelijk van invloed op elkaar zijn en dat je wel degelijk door oefeningen (noem het vrije wil) verandering in de condities teweeg kan brengen.

Daarom is het belangrijk om je moreel te gedragen, zodat de juiste condities voor concentratie ontstaan. En om concentratie te ontwikkelen, zodat de juiste condities voor wijsheid ontstaan. En om wijsheid te ontwikkelen, zodat de juiste condities voor bevrijding, voor werkelijk gelukkig leven ontstaan. Om het nog even te benadrukken, je kunt niet de momenten van het heden veranderen, daar ben je altijd te laat voor. Je kunt alleen proberen de voorwaarden, de condities, zo te veranderen dat de volgende bewustzijnsmomenten van een hogere waarde zijn.

Eens persoonlijk verder praten? Neem dan contact met ons op!

Abhidhammattha Sangaha


Hier volgt een door Herman Schreuder gemaakte vertaling en sammenvatting van Bhikkhu Bodhi’s Engelse boek: “A Comprehensive Manual of Abhidhamma”, een vertaling met commentaar van Acariya Anuruddha’s Abhidhammattha Sangaha (© 1993 Buddhist Publication Society). Hij heeft geprobeerd zo goed mogelijk de Nederlandse termen te vinden die passen bij de oorspronkelijke Pali-begrippen. Eventuele onjuistheden in de vertaling komen geheel voor verantwoordelijkheid van de vertaler. Herman heeft deze vertaling gemaakt zodat de waardevolle inhoud voor een breder publiek doorklikbaar toegankelijk wordt. De volledige inhoude is als powerpoint presentatie beschikbaar, een copie is verkrijgbaar door contact met ons op te nemen. Aan de versie op deze website wordt gewerkt, wij hopen deze in 2017 af te hebben.

Inhoud


Introductie


De kern van dit huidige boek is een middeleeuws compendium van Boeddhistische filosofie getiteld de Abhidhammattha Sangaha. Dit werk wordt toegeschreven aan Acariya Anuruddha, een Boeddhistische hooggeleerde waar zo weinig over bekend is dat zelfs zijn geboorteland en de eeuw waarin hij leefde een vraag blijven. Maar ondanks de onduidelijkheid rondom de auteur, is zijn kleine handboek een van de meest belangrijke en invloedrijke tekstboeken van het Theravada Boeddhisme geworden. In negen korte hoofdstukken, samen ongeveer vijftig pagina’s aan geprinte tekst, geeft de auteur een meesterlijke samenvatting van die diepzinnige Boeddhistische leer die men Abhidhamma noemt. Zo groot is zijn kunde in het vastleggen van de essentie van dat systeem, en in het ordenen er van in een formaat geschikt voor gemakkelijk begrip, dat dit werk in Theravada Boeddhistische landen in Zuid en Zuidoost Azië de standaard introductie voor het bestuderen van de Abhidhamma is geworden. In deze landen, met name in Birma waar de studie van Abhidhamma het meest volhardend wordt bedreven, wordt de Abhidhammattha Sangaha gezien als een onmisbare sleutel tot de grote schatkist van Boeddhistische wijsheid.

1. De Abhidhamma

Het hart van de Abhidhamma filosofie is de Abhidhamma Pitaka, een van de onderdelen van het Pali canon, dat door het Theravada Boeddhisme als de gezaghebbende vertolking van de leer van de Boeddha wordt erkend. Dit canon is samengesteld tijdens drie grote Boeddhistische concilies die in India in de eerste eeuwen na het heen gaan van de Boeddha werden gehouden: de eerste in Rajagaha, 3 maanden na het parinibbana van de Boeddha, bijeengeroepen door vijf honderd hoge senior monniken onder lijding van de Eerwaarde Mahakassapa; de tweede, in Vesali, honderd jaar later; en de derde, in Pataliputta, twee honderd jaar later. Het canon dat uit deze concilies voort kwam, behouden in de Middel Indiase taal die nu Pali wordt genoemd, staat bekent als de Tipitaka, de drie “manden” of verzamelingen van de leer. De eerste verzameling, de Vinaya Pitaka, is het boek van discipline, waarin de gedragsregels van de bhikkhu’s en bhikkhunis – de monniken en nonnen – en de regelgeving betreffende de Sangha, de monastische orde, staan vervat. De Sutta Pitaka, de tweede verzameling, brengt de Boeddha’s leerredenen die door hem op verschillende momenten werden gegeven tijdens zijn vijfenveertig jarige leraarschap, bij elkaar. En de derde verzameling is de Abhidhamma Pitaka, de “mand” van de Boeddha’s “hogere” of “speciale” leer.

Dit derde grote onderdeel van het Pali canon wordt gekenmerkt door een duidelijk verschillend karakter vergeleken met de andere twee onderdelen. Waar de Sutta’s en Vinaya een duidelijk praktisch doel hebben, namelijk het verkondigen van een scherp omlijnde boodschap over bevrijding, en het voorzien van een methode van persoonlijke training, geeft de Abhidhamma Pitaka het beeld af een abstracte en hoog technische sytematisatie van de leer te zijn. De verzameling bestaat uit zeven boeken: de Dhammasangani, de Vibhanga, de Dhatukatha, de Puggalapaññatti, de Kathavatthu, de Yamaka, en de Patthana. In tegenstelling tot de Sutta’s, zijn dit geen in schrift opgenomen leerredenen en discussies uit het dagelijks leven; ze zijn, veel meer, geheel ontwikkelde uiteenzettingen waarin de principes van de leer methodisch georganiseerd, minutieus gedefinieerd, en minutieus getabelleerd en geclassificeerd zijn. Ondanks dat ze zonder twijfel oorspronkelijk mondeling samengesteld en overgeleverd werden en pas later zijn opgeschreven, samen met de rest van het canon in de eerste eeuw v.Chr., tonen zij de kwaliteiten van een gestructureerd gedachtegoed met rigoureuze consistentie, typerend voor het geschreven woord.

In de Theravada traditie geniet de Abhidhamma Pitaka het hoogste aanzien, vereerd als het kroonjuweel van de Boeddhistische geschriften. Dit hoogste aanzien valt bijvoorbeeld te zien doordat, Koning Kassapa V (tiende eeuw n.Chr.) in Sri Lanka de hele Abhidhamma Pitaka in gouden platen heeft laten ingraveren en het eerste boek met edelstenen heeft laten bezetten, terwijl een andere koning, Vijayabahu (elfde eeuw) de Dhammasangani elke ochtend voordat hij aan zijn Koninklijke taken begon bestudeerde en er een Sinhaleze vertaling van heeft geschreven. Bij vluchtig lezen echter, is deze verering van de Abhidhamma moeilijk te begrijpen. De tekst lijkt niets meer dan een academische oefening in het manipuleren van termen uit de leer, zwaarwichtig en zich tot vermoeiends toe herhalend.

De reden voor de diepe verering van de Abhidhamma Pitaka wordt pas duidelijk bij grondig bestuderen en diepgaand reflecteren, ondernomen in de overtuiging dat deze oude teksten iets belangrijks over te brengen hebben. Wanneer men de Abhidhamma verhandelingen met  een dergelijke instelling benadert en wat inzichten in hun wijde implicaties en organische eenheid verkrijgt, zal men vinden dat ze niets minder trachten, dan het verwoorden van een alomvattende visie over de totaliteit van de ervaren realiteit, een visie gekenmerkt door uitgebreidheid van omvang, systematische volledigheid, en analytische precisie. Vanuit het standpunt van het orthodoxe Theravada is het systeem dat zij verklaren niet een verzinsel van speculatief denken, niet een mozaïek samengesteld uit metafysische hypothesen, maar een onthulling van de ware natuur van het bestaan zoals gekend door een bewustzijn dat de totaliteit van de dingen zowel in diepte als in het fijnste detail heeft doorgrond. Omdat het dit karakter heeft, acht de Theravada traditie de Abhidhamma de meest perfect mogelijke uiting van de Boeddha’s ongehinderde alwetende kennis (sabbaññuta-ñana). Het is zijn verklaring over hoe de dingen verschijnen aan het bewustzijn van een Volledig Verlichte, geordend in overeenkomst met de twee polen van zijn leer: lijden en het ophouden van lijden.

Het systeem dat de Abhidhamma Pitaka verwoord is tegelijkertijd een filosofie, een psychologie, en een ethische leer, allen geïntegreerd in het kader van een programma tot bevrijding. De Abhidhamma kan als een filosofie worden omschreven omdat het een ontologie voorstelt, een perspectief op de ware natuur van de realiteit. Dit perspectief wordt de “dhamma theorie” (dhammavada) genoemd. In het kort stelt de dhamma theorie dat de ultieme realiteit uit een veelvoud van elementaire bestanddelen bestaat, die dhamma’s worden genoemd. De dhamma’s zijn geen noumena verstopt achter fenomenen, geen “dingen op zichzelf” in tegenstelling tot “enkel schijn,” maar de fundamentele bestanddelen van de actualiteit. De dhamma’s zijn globaal te verdelen in twee klassen: de ongeconditioneerde dhamma, welk alleen Nibbana is, en de geconditioneerde dhamma’s, de momentaire mentale en materiële fenomenen die het proces van ervaren vormen. De bekende wereld van substantiële objecten en blijvende personen is, volgens de dhamma theorie, een conceptueel construct, dat door het bewustzijn middels de onbewerkte data verkregen van de dhamma’s, wordt gevormd. De entiteiten van ons dagelijkse referentie kader bezitten niet meer dan een afgesproken realiteit, afgeleid van het fundamentele stratum van de dhamma’s. Het zijn de dhamma’s alleen, die ultieme realiteit bezitten: een vast bestaan “vanuit hun eigen kant” (sarupato) onafhankelijk van de conceptuele verwerking van de data door het bewustzijn.

Eendergelijke  opvatting van de ware natuur van de realiteit lijkt al impliciet in de Sutta Pitaka aanwezig te zijn, vooral in de Boeddha’s verhandelingen over de aggregaten, de zintuig basissen, elementen, afhankelijk ontstaan, etc., maar het blijft daar stilzwijgend in de achtergrond, als onderstroom van de meer pragmatisch geformuleerde leringen van de Sutta’s. Zelfs in de Abhidhamma Pitaka zelf wordt de dhamma theorie nog niet als expliciete filosofische leerstelling gepresenteerd; dit komt pas later, in de Commentaren. Niettemin, hoewel alleen maar impliciet, komt de theorie toch in beeld in zijn rol van het regulerende principe achter de evidentere taak van de Abhidhamma, het project van systematisering.

Dit project begint vanuit de veronderstelling dat er, om de wijsheid te verkrijgen die de dingen kent “zoals ze daadwerkelijk zijn”, een scherpe wig gedreven dient te worden tussen die typen entiteiten die ontologische ultimiteit bezitten, dat wil zeggen, de dhamma’s, en die typen entiteiten die alleen bestaan als conceptuele constructen maar verkeerd gegrepen worden als werkelijk in ultieme zin. Voortgaand vanuit dit onderscheid poneert de Abhidhamma een vast aantal dhamma’s als de bouwblokken van de actualiteit, de meesten afkomstig uit de Sutta’s. Er wordt dan verder gegaan met het definiëren van alle termen uit de leer, zoals gebruikt in de Sutta’s, op een manier die hun identiteit in overeenstemming met de ontologische ultiemen zoals erkend door het systeem, onthult. Op basis van deze definities worden de dhamma’s op grondige wijze in een net van vooraf bepaalde categorieën en modi van verwantschap geclassificeerd, die hun plek in het systeem benadrukken. En omdat het system wordt gezien als een getrouw beeld van de actualiteit, betekent dit dat de classificatie de plek van elke dhamma binnen de algehele structuur van de actualiteit nauwkeurig aanwijst.

De poging van de Abhidhamma om de ware natuur van de realiteit te begrijpen begint, in tegenstelling tot de klassieke wetenschap in het Westen, niet vanaf het standpunt van een neutrale waarnemer die naar buiten toe de externe wereld in kijkt. De primaire zorg van de Abhidhamma is de ware natuur van de ervaringswereld te begrijpen en zodoende is de realiteit waarop het zich richt de bewuste realiteit, de wereld zoals gegeven vanuit de ervaring, wat zowel kennis als het gekende in de breedste zin omvat. Om deze reden buigt de filosofische onderneming van de Abhidhamma zich om tot een fenomenologische psychologie. Om het begrijpen van de te ervaren realiteit te faciliteren, begint de Abhidhamma aan een uitvoerige analyse van het bewustzijn, zoals deze zich aanbiedt tijdens introspectieve meditatie. Het classificeert bewustzijn in een verscheidenheid van typen, specificeert de factoren en functies van elk type, correleert ze met hun objecten en fysiologische basissen, en toont hoe de verschillende typen van bewustzijn zich aan elkaar en aan materiële fenomenen koppelen, om zo het voortdurende proces van ervaring te vormen.

Deze analyse van het bewustzijn komt niet voort uit theoretische nieuwsgierigheid, maar uit het overheersend praktische doel van de Boeddha’s leer, het bereiken van bevrijding van lijden. Omdat de Buddha het lijden tot onze bedorven houdingen herlijdt – een mentale oriëntatie geworteld in hebberigheid, haat, en onwetendheid – neemt de Abhidhamma’s fenomenologische psychologie ook het karakter van een psychologische ethiek aan, waarbij het woord “ethiek” niet in de nauwe zin van een morele code, maar als complete gids tot nobel leven en mentale zuivering gezien moet worden. Dienovereenkomstig vinden we dat de Abhidhamma toestanden van het bewustzijn hoofdzakelijk onderscheidt op basis van ethische criteria: de heilzame en de onheilzame, de wonderschone factoren en de vervuilingen. De schematisering van het bewustzijn volgt een hiërarchisch plan dat overeenkomt met de successievelijke stadia van zuivering die de Boeddhistische volgeling bereikt door het beoefenen van de Boeddha’s weg. Dit plan traceert de verfijning van het bewustzijn door een reeks meditatieve absorpties, de fijn-materiele-sfeer en immateriële-sfeer jhana’s, en dan door de stadia van inzicht en de wijsheid van de bovenwereldse paden en vruchten. Ten slotte toont het dat het hele scala aan ethische ontwikkeling culmineert in de perfectie van zuivering welk wordt verkregen met het bewustzijn’s onherroepelijke emancipatie van alle vervuilingen.

Alle drie de dimensies van de Abhidhamma – de filosofische, de psychologische, en de ethische – ontlenen hun uiteindelijke rechtvaardiging vanuit de hoekstenen van de Boeddha’s leer, het programma van bevrijding aangekondigd door de Vier Nobele Waarheden. Het ontologische onderzoek van dhamma’s stamt van de Boeddha’s uitspraak dat de nobele waarheid van het lijden, geïdentificeerd met de wereld van geconditioneerde fenomenen als geheel, volledig begrepen dient te worden (pariññeyya). De prominentie van mentale verontreinigingen en vereisten voor verlichting in de schema’s van de categorieën, wijzend op het psychologische en ethische belang, verbinden de Abhidhamma met de tweede en vierde nobele waarheden, de oorzaak van het lijden en de weg die voert naar het einde  ervan. En de gehele taxonomie van dhamma’s uitgewerkt door het systeem bereikt zijn vervolmaking in het “ongeconditioneerde element” (asankhata dhatu), Nibbana, de derde nobele waarheid, die van het einde van het lijden.

2. De Tweevoudige Methode

De grote Boeddhistische commentator, Acariya Buddhaghosa, legt het woord “Abhidhamma” uit als “datgene dat onderscheidend is in de Dhamma, en het overstijgt” (dhammatireka-dhammavisesa), het prefix abhi heeft hier de betekenis van overwicht en onderscheiding, en dhamma heeft hier de betekenis van de leer van de Sutta Pitaka1. Wanneer van de Abhidhamma wordt gezegd dat het de leer van Sutta’s overtreft, wil dit niet suggereren dat Suttanta leer tekort schiet op wat voor vlak dan ook, of dat de Abhidhamma een nieuwe openbaring of esoterische leer verkondigt die de Sutta’s onbekend is. Zowel de Sutta’s als de Abhidhamma zijn gefundeerd in de Boeddha’s unieke leer over de Vier Nobele Waarheden, en alle principes die essentieel zijn tot het bereiken van verlichting worden al in de Sutta’s uiteengezet. Het verschil tussen de twee zit in geen geval in fundamentele dingen, maar is veelmeer deels een kwestie van omvang en deels een kwestie van methode.

Wat de omvang betreft, biedt de Abhidhamma een grondigheid en een compleetheid van verhandeling die niet in Sutta Pitaka gevonden kan worden. Acariya Buddhaghosa legt uit dat in de Sutta’s zulke leerstellige categorieën als de vijf aggregaten, de twaalf zintuiglijk basen, de achttien elementen, en zo voort, maar deels geclassificeerd zijn, terwijl ze in de Abhidhamma Pitaka volledig geclassificeerd zijn, volgens verschillende schema’s van classificatie, sommige in overeenkomst met de Sutta’s, andere uniek voor de Abhidhamma2. Zodoende heeft de Abhidhamma een omvang en gedetailleerde complexiteit die het onderscheidt van de Sutta Pitaka.

Het andere belangrijke verschilgebied  betreft de methode. De leerredenen in de Sutta Pitaka werden door de Boeddha onder diverse omstandigheden aan luisteraars met verschillend begrijpend vermogen verkondigd. Ze dienen hoofdzakelijk een pedagogisch doel, uiteengezet op de manier die het meest effectief was om de luisteraar te begeleiden in de beoefening van de leer en om van zijn waarheid doordrongen te worden. Om dit doel te bereiken gebruikt de Boeddha vrijelijk de noodzakelijke didactische middelen om de leer voor de luisteraars duidelijk te maken. Hij gebruikt vergelijkingen en metaforen; hij vermaant, adviseert, en inspireert; hij bepaalt de neigingen en bekwaamheden van zijn publiek en past de presentatie van de leer aan, zodat het een positieve respons opwekt. Om deze reden staat de Suttanta methode van onderwijzen bekent als pariyaya-dhammadesana, de figuurlijke en verfraaide lering over de Dhamma.

In tegenstelling tot de Sutta’s, is de Abhidhamma bedoeld om het totale systeem dat onderliggend is aan de Suttanta exposities, en waar de individuele leerredenen op steunen, zo zuiver en direct mogelijk te openbaren. De Abhidhamma houdt geen rekening met persoonlijke neigingen of cognitieve capaciteiten van de luisteraars; het doet geen concessies aan specifieke pragmatische benodigdheden. Het onthult de bouwkunde van de actualiteit op een abstracte, formalistische manier, verstoken van literaire verfraaiingen en pedagogische hulpmiddelen. Zodoende wordt de Abhidhamma methode beschreven als de nippariaya-dhammadesana, de letterlijke of onverfraaide lering over de Dhamma.

Het verschil in techniek tussen de twee methoden beïnvloedt mede hun respectievelijke terminologieën. In de Sutta’s maakt de Boeddha geregeld gebruik van conventionele taal (voharavacana) en accepteert hij conventionele waarheid (sammutisacca), waarheid die wordt uitgedrukt in termen van entiteiten die geen ontologische ultimiteit bezitten maar waar nog steeds legitiem naar gerefereerd kan worden. Zo spreekt de Boeddha in de Sutta’s over “Ik” en “Jij,” over “man” en “vrouw,” over levende wezens, personen, en zelfs over een zelf alsof het concrete realiteiten zouden zijn. De Abhidhamma methode van expositie echter, beperkt zich rigoureus tot termen die valide zijn vanuit het standpunt van de ultieme waarheid (paramatthasacca): dhamma’s, hun karakteristieken, hun functies, en hun relaties. Zo worden in de Abhidhamma alle conceptuele realiteiten die in de Sutta’s in eerste instantie geaccepteerd worden met het oog op betekenisvolle communicatie, opgelost in hun ontologische ultiemen, in naakte mentale en materiële fenomenen die niet-permanent, geconditioneerd, en afhankelijk ontstaan zijn, leeg van enigerlei blijvend zelf of substantie.

Maar een kanttekening is nodig. Wanneer een onderscheid wordt gemaakt tussen de twee methoden, dient dit te worden begrepen als datgene wat het meest karakteristiek is van elke Pitaka en mag het niet worden geïnterpreteerd als een absolute dichotomie. Tot op zeker hoogte overlappen en interpenetreren de twee methoden. Zo vinden wij in de Sutta Pitaka leerredenen die gebruik maken van de strikte filosofische terminologie van de aggregaten, de zintuiglijk basissen, elementen, etc., en zo binnen de grenzen van de Abhidhamma methode komen. Voorts vinden wij in de Abhidhamma Pitaka paragrafen, zelfs een heel boek (de Puggalapaññatti), die afwijken van de rigoureuze bewoording, gebruik makend van conventionele terminologie, en zo binnen de reikwijdte van de Suttanta methode komen.

3. Karakteristieke Kenmerken van de Abhidhamma

Behalve de strikte trouw aan de filosofische methode van uiteenzetting, levert de Abhidhamma nog een aantal andere noemenswaardige bijdragen intrinsiek aan de taak van systematisatie. Één is de toepassing, in de hoofd boeken van de Abhidhamma Pitaka, van een matika – een matrix of rooster van categorieën – als blauwdruk voor het gehele bouwwerk. Deze matrix, helemaal in het begin van de Dhammangani als voorwoord tot de Abhidhamma Pitaka zelf staande, bestaat uit 122 modi van classificatie, een bijzonderheid van de Abhidhamma methode. Van deze, zijn tweeëntwintig triaden (tika), sets van drie termen waarin de fundamentele dhamma’s worden verdeeld; de overige honderd zijn diaden (duka), sets van twee termen gebruikt als basis voor classificatie3. De matrix dient als een soort raster om de veelvuldigheid van de ervaringswereld te ordenen volgens principes die bepaald zijn door de doeleinden van de Dhamma. Bijvoorbeeld, in de triaden zijn sets opgenomen zoals toestanden die heilzaam, onheilzaam of onbepaald zijn; toestanden die resultaten van karma zijn, resultaten van karma  producerend of geen van beide zijn; en zo voort. In de diaden zijn zulke sets opgenomen als toestanden die wortels zijn, die niet wortels zijn; toestanden die gelijktijdig zijn met wortels, die niet gelijktijdig zijn met wortels; toestanden die geconditioneerd zijn, die ongeconditioneerd zijn; toestanden die werelds zijn, die bovenwerelds zijn; en zo voort. Door middel van de keuze van categorieën, omarmt de matrix de totaliteit van fenomenen, ze toelichtend vanuit verschillende invalshoeken die filosofisch, psychologisch en ethisch van aard zijn.

Een tweede onderscheidend kenmerk van de Abhidhamma is de ontleding van de ogenschijnlijk continue stroom van bewustzijn in een opeenvolging van discrete, vergankelijke cognitieve gebeurtenissen, die citta’s worden genoemd, elk een complexe eenheid van bewustzijn zelf, als een fundamentele bewustwording van een object, en een stelsel van mentale factoren (cetasika), die een meer gespecialiseerde taak uitvoeren tijdens de cognitie. Een dergelijke zienswijze betreffende het bewustzijn kan, in ieder geval op hoofdlijnen, gemakkelijk uit de Sutta Pitaka’s analyse van de ervaringswereld in de vijf aggregaten afgeleid worden, waarbij de vier mentale aggregaten altijd onlosmakelijk samenhangen, al blijft dit idee daar enkel suggestief. In de Abhidhamma Pitaka wordt deze suggestie niet alleen opgepikt, maar uitgebreid tot een buitengewoon gedetailleerde en coherente weergave van het functioneren van het bewustzijn zowel in zijn microscopische onmiddelijkheid als in zijn verlengde continuïteit van leven tot leven.

Een derde contributie komt tevoorschijn door de drang om orde te scheppen in de chaos van technische termen die de gangbaarheid van de Boeddhistische leerredenen vormen. Door het definiëren van elk van de dhamma’s, ordenen en schikken de Abhidhamma teksten lange lijsten van synoniemen, die voor het grootste deel uit de Sutta’s afkomstig zijn. Deze methode van definiëren toont hoe een enkele dhamma onder verschillende namen in verschillende categorieën ondergebracht kan zijn. Bijvoorbeeld, onder de mentale verontreinigingen  kan de mentale factor begeerte (lobha) gevonden worden als de smet van zintuiglijk verlangen, de smet van (hechten aan) bestaan, de lichamelijke knoop van hebzucht, vastklampen aan zintuiglijke vormen van plezier, de hindernis van zintuiglijk verlangen, etc.; onder de benodigdheden van verlichting kan de mentale factor wijsheid (pañña) gevonden worden als de faculteit en kracht van wijsheid, de factor van verlichting naar onderzoek van bewustzijnsstaten, de pad factor juiste zienswijze, etc. Door deze overeenkomsten vast te stellen, helpt de Abhidhamma om de onderlinge verbindingen tussen  termen van de leer te belichten, die mogelijk niet uit de Sutta’s zelf zouden blijken. In het proces voorziet het ook van een nauwkeurig gemaakt werktuig voor het interpreteren van de Boeddha’s leerredenen.

Het idee over bewustzijn dat de Abhidhamma aandraagt resulteert verder in een nieuw primair schema voor het classificeren van de ultieme bestanddelen van het bestaan, een schema dat uiteindelijk, in latere Abhidhamma literatuur, de voorkeur geniet boven schema’s overgenomen uit de Sutta’s zoals de aggregaten, zintuiglijke basen, en elementen. In de Abhidhamma Pitaka doemen de laatstgenoemden nog op, maar de zienswijze over het bewustzijn als bestaand uit kortstondige samenkomsten van bewustzijn en zijn metgezellen leidt tot een viervoudige methode van classificatie die zich meer voor systematisatie leent. Dit is de verdeling van de actualiteit in de vier ultieme realiteiten (paramattha): bewustzijn, mentale factoren, materiële fenomenen, en Nibbana (citta, cetasika, rupa, nibbana), waarbij de eerste drie de geconditioneerde werkelijkheid vormen en de laatste het ongeconditioneerde element is.

De laatste vernieuwing van de Abhidhamma methode die hier genoemd zal worden – een bijdrage van het laatste boek van de Pitaka, de Patthana – is een set van vierentwintig conditionele relaties, vastgelegd met het doel te laten zien hoe de ultieme realiteiten tot ordelijke processen gesmeed kunnen worden. Dit schema van condities brengt de nodige aanvulling op de analytische aanpak die in de eerdere boeken van de Abhidhamma overheerst. De methode van analyse gaat te werk door ogenschijnlijk gehelen in hun bestanddelen te ontleden, waardoor hun leegheid van een ondeelbare kern, die als zelf of substantie gekwalificeerd  zou kunnen worden, wordt blootgelegd. De synthetische methode brengt de conditionele relaties tussen de naakte fenomenen verkregen door de analyse in kaart om te laten zien dat deze niet geïsoleerde op zichzelf staande eenheden vormen, maar knooppunten zijn in een uitgestrekt meerlagig web van onderling-gerelateerde, onderling-afhankelijke gebeurtenissen. Samen genomen bekrachtigen de analytische methode van de eerdere werken van de Abhidhamma Pitaka en de synthetische methode van de Patthana de wezenlijke eenheid van de twee filosofische principes van het Boeddhisme, niet-zelf of egoloosheid (anatta) en afhankelijk verschijnen  of conditionaliteit (paticca samuppada). Zo blijft het fundament van de Abhidhamma methodologie in perfecte harmonie met de inzichten die ten grondslag liggen aan het hart van de gehele Dhamma.

4. Oorsprong van de Abhidhamma

Hoewel moderne kritische geleerdheid probeert de formatie van de Abhidhamma uit te leggen door middel van een gradueel evolutionair process4, schrijft het orthodoxe Theravada het ontstaan ervan aan de Boeddha zelf toe. Volgens het Grote Commentaar (maha-atthakatha) zoals geciteerd door Acariya Buddhaghosa, “Wat bekend is als Abhidhamma is niet het gebied nog de sfeer van een discipel; het is het gebied, de sfeer van de Boeddha’s5.” De commentariële traditie is bovendien van mening dat het niet alleen de geest van de Abhidhamma was, maar ook het letterlijke, dat al door de Boeddha gedurende zijn leven gerealiseerd en uiteengezet werd.

De Atthasalini vertelt dat in de vierde week na de verlichting, terwijl de Gezegende nog steeds in de omgeving van de Bodhi Boom verbleef, hij in een juwelen huis (ratanaghara) in noordwestelijke richting zat. Dit juwelen huis was niet letterlijk een huis wat gemaakt was van waardevolle stenen, maar was een plaats waar hij de zeven boeken van de Abhidhamma Pitaka overpeinsde. Hij overpeinsde hun inhoud stuk voor stuk, beginnend met de Dhammasangani, maar terwijl hij de eerste zes boeken onderzocht straalde zijn lichaam nog niet. Echter, toen hij bij de Patthana kwam, toen “hij de vierentwintig universele conditionele relaties van wortel, object, en zo voort begon te overpeinzen, vond zijn alwetendheid zeker de mogelijkheden daarin. Want, zoals de grote vis Timiratipingala alleen de ruimte vindt in de grote oceaan van 84,000 yojanas diep, zo vindt zijn alwetendheid waarachtig alleen de ruimte in het Grote Boek. Stralen van zes kleuren – indigo, goud, rood, wit, taankleurig, en oogverblindend – kwamen voort uit het lichaam van de Leraar, terwijl hij de subtiele en diepzinnige Dhamma met zijn alwetendheid, die deze mogelijkheid had gevonden, overpeinsde6.”

Het orthodoxe Theravada betoogt zo dat de Abhihdamma Pitaka het authentieke Woord van de Boeddha is, op dit punt verschillend van een vroege rivaliserende school, de Sarvastivadins. Deze school had ook een Abhidhamma Pitaka bestaande uit zeven boeken, aanzienlijk verschillend in detail van de Theravada verhandelingen. Volgens de Sarvastivadins zijn de boeken van de Abhidhamma Pitaka samengesteld door discipelen, waarbij meerdere zijn toegeschreven aan auteurs die generaties na de Boeddha leefden. De Theravada school, echter, is van mening dat de Boeddha zelf de boeken van de Abhidhamma uiteen heeft gezet, behalve de gedetailleerde weerlegging van afwijkende zienswijzen in de Kathavatthu, welk het werk is van de Eerwaarde Moggaliputta Tissa gedurende de heerschappij van Koning Asoka.

De Pali Commentaren, zich schijnbaar baserend op een oude mondelinge traditie, betogen dat de Boeddha de Abhidhamma uiteen heeft gezet, niet in de menselijke wereld aan zijn menselijke discipelen, maar aan een bijeenkomst van deva’s of goden in de Tavitamsa hemel. Volgens deze traditie, steeg de Boeddha net voor het begin van zijn zevende jaarlijkse regenretraite op naar de Tavitamsa hemel en daar, zittend op de Pandukambala steen aan de voet van de Paricchattaka boom, onderwees hij gedurende de drie maanden van de regenretraite de Abhidhamma aan de deva’s die zich daar bijeen hadden verzameld vanuit de tienduizend wereldsystemen. Hij maakte de hoofd ontvanger van deze leer zijn moeder, Mahamaya-devi, die was wedergeboren als een deva. De reden dat de Boeddha de Abhidhamma in de deva wereld onderwees in plaats van de menselijke wereld is, zo wordt gezegd, omdat om een volledig beeld van de Abhidhamma te kunnen geven, deze in één aaneengesloten sessie voor één en hetzelfde publiek uiteengezet moet worden. Omdat de volledige uiteenzetting van de Abhidhamma drie maanden duurt, kunnen alleen deva’s en Brahma’s het onderwijs in ononderbroken continuïteit krijgen, want alleen zij kunnen gedurende zo een lange tijd in dezelfde houding blijven zitten.

Echter keerde de Boeddha elke dag, om zijn lichaam te onderhouden, terug naar de menselijke wereld om daar op aalmoesronde te gaan in het noordelijke deel van Uttarakuru. Na aalmoesvoedsel gekregen te hebben ging hij naar de kust van het Anotatta Meer om zijn maaltijd te nuttigen. De Eerwaarde Sariputta, de maarschalk van de Dhamma, ontmoette de Boeddha daar en kreeg een samenvatting van de leer die op die dag in de deva wereld was gegeven: “Toen dan gaf de Leraar aan hem de methode, zeggend, ‘Sariputta, zoveel Leer is getoond.’ Zo werd de methode gegeven aan de hoofd discipel, die begiftigd was met analytische kennis, alsof de Boeddha op de rand van de kust stond en de oceaan met zijn open hand aanwees. Voor de Eerwaarde werd ook de door de Gezegende op honderden en duizenden manieren onderwezen leer, heel duidelijk7.”

Nadat Sariputta de  Dhamma geleerd had, zoals aan hem door de Boeddha onderwezen was, onderwees Sariputta hem op zijn beurt aan zijn eigen kring van 500 leerlingen, en zodoende werd de tekstuele versie van de Abhidhamma Pitaka gevormd. Aan de Eerwaarde Sariputta wordt zowel de tekstuele volgorde van de Abhidhamma verhandelingen als ook de numerieke series in de Patthana toegeschreven. Misschien moeten we in deze erkenning van de Atthasalini de impliciete toekenning zien, dat terwijl de filosofische visie van de Abhidhamma en de basis architectuur afstammen van de Boeddha, het eigenlijke uitwerken van de details, en misschien zelfs de prototypen van de teksten zelf, toegeschreven moeten worden aan de grote Hoofd Discipel en zijn entourage aan studenten. In andere vroeg Boeddhistische scholen wordt de Abhidhamma ook in nauw verband gebracht met de Eerwaarde Sariputta, die in sommige tradities wordt gezien als de literaire auteur van de verhandelingen van de Abhidhamma8.

5. De Zeven Boeken

Een korte omschrijving van de inhoud van de zeven canonische Abhidhamma boeken zal wat inzicht geven in het plethora van het tekstuele materiaal dat in de Abhidhammattha Sangaha wordt gecondenseerd en samengevat. Het eerste boek, de Dhammasangani, is de bron van het gehele systeem. De titel kan worden vertaald als “Opsomming van fenomenen,” en het werk streeft er in feite ook naar een uitputtende catalogus van de ultieme bestanddelen van het bestaan samen te stellen.

Openend met de matika, het schema van categorieën die dienen als het kader van de hele Abhidhamma, wordt de hoofdtekst verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste, “Toestanden van Bewustzijn,” beslaat ongeveer het halve boek en ontvouwt zich als een analyse van de eerste triade van de matika, die van het heilzame, het onheilzame, en het onbepaalde. Om die analyse te voorzien, somt de tekst 121 bewustzijnstypes op, geclassificeerd op basis van hun ethische kwaliteit9. Elk type bewustzijn wordt op zijn beurt weer ontleed in zijn gelijktijdige mentale factoren, welke individueel volledig worden gedefinieerd. Het tweede hoofdstuk, “Over Materie,” gaat verder met de zoektocht naar het ethisch onbepaalde door de verschillende materiële fenomenen op te sommen en te classificeren. Het derde hoofdstuk, “De Samenvatting” geheten, biedt een korte uitleg over alle termen die in de Abhidhamma matrix evenals de Suttanta matrix worden gebruikt. Als laatste biedt een afsluitende “Samenvatting” een meer gecondenseerde uitleg over de Abhidhamma matrix, maar laat de Suttanta matrix achterwege.

De Vibhanga, het “Boek van Analyse,” bestaat uit achttien hoofdstukken, elk een op zichzelf staande dissertatie over een van het volgende: aggregaten, zintuigelijke-basissen, elementen, waarheden, faculteiten, afhankelijk ontstaan, fundamenten van opmerkzaamheid, grote inzetten, handvaten voor de voltooiing, factoren van verlichting, het achtvoudige pad, jhana’s, onbegrensden, trainings regels, analytische kennissen, soorten kennis, kleinere punten (een numerieke inventarisatie van vervuilingen), en “het hart van de leer” (dhammahadaya), een psycho-kosmische topografie van het Boeddhistische universum. De meeste hoofdstukken in de Vibhanga, maar niet allemaal, worden onderverdeeld in drie subsecties: een analyse volgens de methodologie van de Sutta’s; een analyse volgens de methodologie van de Abhidhamma zelf; en een ondervraging, die het onderzochte subject aan de categorieën van de matrix onderwerpt.

De Dhatukatha, de “Leerrede over de Elementen,” is geheel in catechistische vorm geschreven. Het bediscussieert alle fenomenen in relatie tot de drie schema’s van aggregaten, zintuiglijke basissen, en elementen, trachtend om te bepalen of, en in hoeverre, ze er wel of niet in geïncludeerd zijn, en of ze er wel of niet mee geassocieerd zijn.

De Puggalapaññatti, “Concepten van Individuen,” is het enige boek van de Abhidhamma Pitaka dat meer richting de methode van de Sutta’s dan van de Abhihdamma zelf gaat. Het werk begint met een algemene opsomming van typen concepten, en dit suggereert dat het oorspronkelijk bedoeld was als een toevoeging aan de andere boeken om rekening te houden met de conceptuele realiteit die door de strikte toepassing van de Abhidhamma methode wordt buiten gesloten. Het bulk van het werk geeft formele definities over verschillende typen individuen. Het heeft tien hoofdstukken: het eerste houdt zich bezig met enkele typen van individuen; het tweede met paren; het derde met groepen van drie, etc.

De Kathavatthu, “Punten van Controverse,” is een polemische verhandeling toegeschreven aan de Eerwaarde Moggaliputta Tissa. Er wordt gezegd dat hij het gedurende de tijd van Koning Asoka heeft samengesteld, 218 jaar na het Parinibbana van de Boeddha, om de ketterse meningen van Boeddhistische scholen buiten het Theravada te verwerpen. De Commentaren verdedigen het opnemen hiervan in het Canon door te stellen dat de Boeddha zelf, de fouten die zouden opkomen voorziend, de schets van de verwerping heeft vastgelegd, welke Moggaliputta Tissa enkel heeft aangevuld in overeenstemming met de intentie van de Leraar.

De Yamaka, het “Boek van Paren,” heeft als doel onduidelijkheden op te lossen en het precieze gebruik van elke term te definiëren. Het wordt zo genoemd vanwege de methode van behandeling, die door het hele werk heen gebruik maakt van de tweevoudige groep van vraag en tegengestelde formulering. Bijvoorbeeld, het eerste paar vragen in het eerste hoofdstuk gaan als volgt: “Zijn alle heilzame fenomenen heilzame wortels? En zijn alle heilzame wortels heilzame fenomenen?” Het boek bevat tien hoofdstukken: wortels, aggregaten, zintuiglijke basissen, elementen, waarheden, formaties, latente disposities, bewustzijn, fenomenen, en faculteiten.

De Patthana, het “Boek van Conditionele Relaties,” is mogelijk het meest belangrijke werk van de Abhihdamma Pitaka en zodoende wordt het traditioneel betiteld als de “Grote Uiteenzetting” (mahapakarana). Gigantisch in omvang en inhoud, beslaat het boek vijf volumes met in totaal 2500 pagina’s in de Birmese script editie van het Zesde Concilie. Doel van de Patthana is het toepassen van zijn schema van vierentwintig conditionele relaties op alle fenomenen die in de Abhidhamma matrix zijn geïncorporeerd. De hoofdtekst bestaat uit vier grote divisies: ontstaan volgens de positieve methode, volgens de negatieve methode, volgens de positief-negatieve methode, en volgens de negatief-positieve methode. Elk is op zijn beurt onderverdeeld in zes subdivisies: ontstaan van triaden, van diaden, van diaden en triaden gecombineerd, van triaden en diaden gecombineerd, van triaden en triaden gecombineerd, en van diaden en diaden gecombineerd. In dit model van vierentwintig secties, worden de vierentwintig modi van conditionaliteit in volgorde toegepast op alle fenomenen van het bestaan in al hun denkbare permutaties. Ondanks het droge en tabulaire formaat kan zelfs vanuit een “schendende” humanistische zienswijze de Patthana gemakkelijk kwalificeren als een van de waarachtig monumentale producten van het menselijke bewustzijn, verbazingwekkend in zijn brede visie, de rigoureuze consistentie, en de nauwgezette aandacht voor detail. Voor het orthodoxe Theravada is het het meest welsprekende getuigenis van de Boeddha’s ongehinderde kennis van alwetendheid.

6. De Commentaren

De boeken van de Abhidhamma Pitaka dienden als inspiratie voor het vormen van een volumineuze massa aan exegetische literatuur om het kader,  opgezet door de canonische teksten, door middel van uitleg en verklaring, te vullen. De meest belangrijke werken uit deze groep zijn de geautoriseerde commentaren van Acariya Buddhaghosa. Hiervan zijn er drie: de Atthasalini, “de Uitlegger,” het commentaar op de Dhammasangani; de Sammohavinodani, “de Verdrijver van Onwetendheid,” het commentaar op de Vibhanga; en de Pañcappakarana Atthakatha, de gecombineerde commentaren op de andere vijf werken. Tot ditzelfde stratum aan literatuur behoort de Visuddhimagga, “het Pad van Zuivering,” ook samengesteld door Buddhaghosa. Hoewel dit laatste werk hoofdzakelijk een encyclopedische gids voor meditatie is, leggen de hoofdstukken genaamd “het fundament voor begrip” (XIV-XVII) de theorie die men onder de knie moet hebben alvorens te beginnen met het ontwikkelen van inzicht uit, waardoor ze in feite een compacte dissertatie over de Abhidhamma vormen. Elk van de commentaren op zijn beurt heeft weer een subcommentaar (mulatika), door een eerwaarde uit Sri Lanka, Acariya Ananda geheten, en deze hebben op hun beurt weer een sub-subcommentaar (anutika), door Ananda’s leerling Dhammapala (die onderscheiden dient te worden van de grote Acariya Dhammapala, auteur van de tikas over Buddhaghosa’s werken).

Als het auteurschap van de Commentaren aan Acariya Buddhaghosa wordt toegeschreven wil dit niet zeggen dat ze op wat voor manier dan ook originele composities zijn, of zelfs originele pogingen om het traditionele materiaal te interpreteren. Ze zijn, veel meer, zorgvuldig bewerkte versies van de grote hoeveelheid verzameld exegetisch materiaal dat Buddhaghosa bij de Mahavihara in Anuradhapura vond. Dit materiaal moet de grote commentator eeuwen voor zijn gegaan, de collectieve inzet van generaties van geleerde Boeddhistische leraren om de betekenis van de canonische Abhidhamma op te helderen vertegenwoordigend. Hoewel het verleidelijk is om te proberen bewijs te zien van een historische ontwikkeling van de Coemmentaren over en naast de ideeën bie besloten liggen in de Abhidhamma Pitaka, is het risicovol om deze lijn te ver door te voeren, omdat een groot deel van de canonische Abhidhamma de Commentaren nodig lijken te hebben om bij te dragen aan de verenigende contaxt waarin de individuele elementen aan elkaar hanegn als onderdeel van een systematisch geheel en zonder welke ze belangrijke dimensies  van betekenis verliezen. Het is dus niet onredelijk te veronderstellen dat  een substantieel deel van de commentarische organisatie in nauwe opvolging met de canonische Abhidhamma zijn ontstaan en tegelijkertijd met de laatste zijn overgedragen, alhoewel ze niet zijn voorzien van een stempel dat het finaal af was, stond het wel open voor veranderingen en aanvullingenop een manier die niet gold voor de canonische teksten.

Met dit in gedachten kunnen we kort kennis nemen van enkele Abhidhammische concepties die karakteristiek zijn aan de Commentaren maar, of onbekend zijn voor, of in de achtergrond staan in de Abhidhamma Pitaka zelf. Een is de gedetailleerde bespreking van het cognitieve proces (cittavithi). Hoewel deze gedachte stilzwijgend herkend kan worden in de canonische boeken, wordt het nu uitvergroot en gebruikt als een op zichzelf staand werktuig om dingen uit te leggen. De functies van citta’s, de verschillende typen van bewustzijn, worden gespecificeerd, en soms worden de citta’s zelf aangewezen op basis van hun functies. De  term khana, “moment,” vervangt het canonische samaya, “gelegenheid,” als de basis eenheid voor het afbakenen van het voorvallen van gebeurtenissen, en de duur van een materieel fenomeen word vastgesteld als zijnde zeventien momenten van mentale fenomenen. De onderverdeling van een moment in drie submomenten – opkomen, aanwezigheid, en vergaan – lijkt ook nieuw in de Commentaren10. De structurering van materiële fenomenen in groepen (kalapa), hoewel impliciet door het onderscheid tussen de primaire elementen van materie en afgeleide materie, wordt voor het eerst gepreciseerd in de Commentaren, net als de specificatie van de hartbasis (hadayavatthu) als materiële basis voor het bewustzijns-element en mentaal-bewustzijns-element.

De Commentaren introduceren veel (maar niet alle) van de categorieën om karma te classificeren, en werken de gedetailleerde correlaties tussen karma en zijn resultaat uit. Ze beperken ook het totale aantal mentale factoren (cetasika). De zin in de Dhammsangani, “of welke andere (ongenoemde) conditioneel opgekomen immateriële fenomenen er op die gelegenheid zijn,” lijkt een oneindig universum aan mentale factoren te suggereren, die de Commentaren beperken door de “of-welke-andere-staten” (yevapanaka dhamma) te specificeren. Weer vullen de Commentaren de dhamma theorie aan door er de formele definities van dhamma’s als “dingen die hun eigen intrinsieke natuur hebben” (attano sabhavam dharenti ti dhamma) te geven. De taak om specifieke dhamma’s te definiëren wordt uiteindelijk afgerond door het veelomvattende viervoudige definitiehulpmiddel van eigenschap, functie, manifestatie, en directe oorzaak in te zetten, een hulpmiddel verkregen van een paar oude exegetische teksten, de Petakopadesa en de Nettipakarana.

7. De Abhidhammattha Sangaha

Met de toename in volume en complexiteit van het Abhidhamma systeem, dat al massief was in de canonische versie, moet het steeds onhandzamer zijn geworden voor studie en begrip. Dus, op een bepaald moment in de evolutie van het Theravada Boeddhistisch denken, moet de noodzaak gevoeld zijn voor bondige samenvattingen van de Abhidhamma in zijn geheel om de nieuwe student van dit onderwerp van een helder beeld van de hoofdlijnen te voorzien – trouw en grondig, maar zonder het onhandzame massa aan detail.

Om in deze noodzaak te voorzien begonnen er, mogelijk al vanaf de vijfde eeuw en doorgaand tot diep in de twaalfde, korte handboeken en compendia van de Abhidhamma te verschijnen. In Birma worden deze let-than, oftewel “ kleine-vinger handboeken” genoemd, waar er negen van zijn:

  1. Abhidhammattha Sangaha, door Acariya Anuruddha;
  2. Namarupa-pariccheda, door dezelfde;
  3. Paramattha-vinicchaya, door dezelfde(?);
  4. Abhidhammavatara, door Acariya Buddhadatta (een senior tijdsgenoot van  Buddhaghosa);
  5. Ruparupa-vibhaga, door dezelfde;
  6. Sacca-sankhepa, door Bhadanta Dhammapala (waarschijnlijk Sri Lankaans; verschillend van de grote subcommentator);
  7. Moha-vicchedani, door Bhadanta Kassapa (Zuid Indisch of Sri Lankaans);
  8. Khema-pakarana, door Bhadanta Khema (Sri Lankaans);
  9. Namacara-dipaka, door Bhadanta Saddhamma Jotipala (Birmees).

Hiervan is het werk dat vanaf de twaalfde eeuw tot vandaag de dag de studie van de Abhidhamma heeft gedomineerd het eerst genoemde. De Abhidhammattha Sangaha, “Het Compendium van de Dingen vervat in de Abhidhamma.” De populariteit kan gewijd worden aan de bijzondere balans tussen kortheid en grondigheid. Binnen het korte bestek worden alle essentiële dingen van de Abhidhamma kort en zorgvuldig samengevat. Hoewel de schrijfstijl van het boek extreem beknopt is, zelfs tot het punt van het raadselachtige, wanneer het op zichzelf staand gelezen wordt, wordt het zodra het met behulp van een gekwalificeerde leraar of met behulp van een uitleg gevend gids-boek wordt bestudeerd, een overtuigende leidraad die de student door het doolhof van het systeem naar een heldere perceptie van de gehele structuur kan brengen. Om deze reden wordt de Abhidhammattha Sangaha in de Theravada Boeddhistische wereld altijd als eerste tekstboek gebruikt voor de studie van Abhidhamma. In Boeddhistische kloosters, in het bijzonder in Birma, moeten novicen en jonge monniken de Sangaha uit het hoofd leren voordat ze mogen beginnen met het bestuderen van de boeken van de Abhidhamma Pitaka en zijn Commentaren.

Gedetailleerde informatie over de auteur van het handboek, Acariya Anuruddha, bestaat vrijwel niet. Hij wordt gezien als de auteur van twee andere handboeken, boven geciteerd, en in Boeddhistische landen gelooft men dat hij in totaal negen compendia heeft geschreven, waarvan enkel deze drie zijn overgebleven. De Paramattha-vinicchaya is geschreven in een elegante Pali stijl en bereikt een hoge graad van literaire excellentie. Volgens de colofon, werd de auteur geboren in Kaveri in de staat  Kañcipura (Conjeevaram) in zuid India. Over Acariya Buddhadatta en Acariya Buddhaghosa wordt ook gezegd dat ze in die regio verbleven, en de subcommentator Acariya Dhammapala was mogelijk inheems in die regio. Er is bewijs dat gedurende enkele eeuwen Kañcipura een belangrijk centrum voor het Theravada Boeddhisme was vanwaar geleerde bikkhu’s naar Sri Lanka gingen voor verdere studie.

Het is niet precies bekend wanneer Acariya Anuruddha leefde en zijn handboeken schreef. Een oude monastische traditie ziet hem als medestudent van Acariya Buddhadatta onder dezelfde leraar, wat hem in de vijfde eeuw zou plaatsen. Volgens deze traditie schreven de twee eerwaarden hun respectievelijke boeken, de Abhidhammatta Sangaha en de Abhidhammavatara, als gaven van dankbaarheid voor hun leraar, welke zei: “Buddhadatta heeft een kamer met allerlei soorten rijkdom gevuld en de deur op slot gedaan, terwijl Anuruddha ook een kamer met allerlei soorten rijkdom heeft gevuld maar de deur open heeft gelaten11.” Moderne academici, echter, steunen deze traditie niet, volhoudend dat gebaseerd op de stijl en inhoud van Anuruddha’s werk, hij niet eerder dan de achtste eeuw zou kunnen hebben geleefd, en waarschijnlijk tussen de tiende en twaalfde eeuw12.

In de colofon van de Abhidhammattha Sangaha stelt Acariya Anuruddha dat hij het handboek in het Mulasoma Klooster heeft geschreven, wat door alle exegetische tradities in Sri Lanka wordt geplaatst. Er zijn meerdere wegen om dit gegeven in overeenstemming te brengen met de afsluitende verzen van de Paramattha-vinicchaya, waar wordt beweerd dat hij geboren was in Kañcipura. Een hypothese is dat hij van zuid Indische afkomst was, maar naar Sri Lanka ging, waar hij de Sangaha schreef. Een andere, op gebracht door G.P. Malalasekera, beweert dat hij van Sri Lankaanse komaf was maar tijd in Kañcipura heeft doorgebracht (wat, echter, de bewering dat hij in Kañcipura geboren was niet adresseert). Weer een derde hypothese, voorgesteld door de Eerwaarde A.P. Buddhadatta Mahathera, stelt dat er twee verschillende monniken genaamd Anuruddha waren, een in Sri Lanka die de auteur van de Abhidhammattah Sangaha was, een andere in Kañcipura die de Paramattha-vinicchaya schreef13.

8. Commentaren op de Sangaha

Als gevolg van zijn extreme kortheid kan de Abhidhammattha Sangaha niet makkelijk worden begrepen zonder uitleg. Daarom, om deze beknopte en kernachtige samenvatting van de Abhidhamma filosofie op te helderen, zijn er een grote hoeveelheid tikas, of commentaren, op geschreven.  Sterker nog, dit werk heeft waarschijnlijk tot meer commentaren aangezet dan welke andere Pali tekst dan ook, niet alleen in het Pali, maar ook in het Birmees, Sinhala, Thai, etc. Vanaf de vijftiende eeuw is Birma het internationale centrum van de Abhidhamma studie, en daarom vinden we veel commentaren geschreven door Birmese geleerden zowel in het Pali als in het Birmees. Alleen al van de Pali commentaren op de Sangaha zijn er negentien, van welke de volgende de meest belangrijke zijn:

1. Abhidhammatthasangaha-Tika, ook bekent als de Porana-Tika, “het Oude Commentaar.” Dit is een hele kleine tika geschreven in Sri Lanka in de twaalfde eeuw door een eerwaarde genaamd Acariya Navavimalabuddhi.

2. Abhidhammatthavibhavini-Tika, of in het kort, de Vibhavini, geschreven door Acariya Sumangalasami, leerling van de emintente Sri Lankaanse eerwaarde Sariputta Mahasami, ook geschreven in de twaalfde eeuw. Deze tika overtrof snel het Oude Commentaar en wordt in het algemeen als het meest diepgaande en betrouwbare exegetische werk op de Sangaha gezien. In Birma staat dit werk bekend als tika-gyaw, “het Beroemde Commentaar.” De auteur wordt zeer gerespecteerd om zijn geleerdheid in, en meesterschap van de Abhidhamma. Hij steunt hevig op de oude authoriteiten zoals de Abhidhamma-Anutika en de Visuddhimagga-Mahatika (ook bekend als de Paramatthamanjusa). Hoewel Ledi Sayadaw (zie hieronder) de Vibhavini uitgebreid bekritiseert in zijn eigen commentaar op de Sangaha, is de populariteit hiervan niet afgenomen maar eerder toegenomen, en meerdere Birmeze geleerden zijn opgestaan om het te verdedigen tegen de kritiek van Ledi Sayadaw.

3. Sankhepa-vanna, geschreven in de zestiende eeuw door Bhadanta Saddhamma Jotipala, ook bekend als Chapada Mahathera, een Birmeze monnik die Sri Lanka gedurende de heerschappij van Parakramabahu VI van Kotte (vijftiende eeuw) bezocht14.

4. Paramatthadipani-Tika, “de Opheldering van de Ultieme Betekenis,” door Ledi Sayadaw. Ledi Sayadaw van Birma (1846-1923) was een van de grootste monnik-geleerden en meditatie meesters van de Theravada tradie in de recente tijd. Hij was de auteur van meer dan zeventig handboeken over verschillende aspecten van het Theravada Boeddhisme, inclusief filosofie, ethiek, meditatie beoefening, en Pali grammatica. Zijn tika veroorzaakte een sensatie op het gebied van de studie van Abhidhamma omdat hij 325 plaatsen in de gewaardeerde Vibhavini-tika aanwees waar hij vermeende dat fouten en verkeerde interpretaties voorkwamen, hoewel zijn kritiek ook een reactie ter verdediging van het oudere werk veroorzaakte.

5. Ankura-Tika, door Vimala Sayadaw. Deze tika is vijftien jaar na de uitgave van de Paramatthadipani geschreven en steunt de algemeen geacepteerde meningen van de Vibhavini tegen de kritiek van Ledi Sayadaw.

6. Navanita-tiak, door de Indiase geleerde Dhammananda Kosambi, oorspronkelijk uitgegeven in het devanagari script in 1933. De titel van dit werk betekent letterlijk “het Boter Commentaar,” en het wordt waarschijnlijk zo genoemd omdat het de Sangaha in een soepele en simpele manier uitlegt, zo filosofische controverse vermijdend.

9. Schets van de Sangaha

De Abhidhammattha Sangaha bevat negen hoofdstukken. Het begint met het opsommen van de vier ultieme realiteiten – bewustzijn, mentale factoren, materie, en Nibbana. De gedetailleerde analyse hiervan is de klus waar de eerste zes hoofdstukken voor komen te staan. Hoofdstuk 1 is het Compendium van Bewustzijn, waarin de 89 en 121 citta’s, of typen bewustzijn, worden gedefinieerd en geclassificeerd. In omvang behandelt dit hoofdstuk hetzelfde terrein als het Staten van Bewustzijn hoofdstuk van de Dhammasangani, maar het verschilt van aanpak. Het canonische werk begint met een analyse van de eerste triade in de matika, en daardoor in eerste instantie met het classificeren van bewustzijn op basis van de drie ethische kwaliteiten heilzaam, onheilzaam en onbepaald; daarna wordt bewustzijn in deze categorieën weer onderverdeeld op basis van niveau in de categorieën zintuiglijke-sfeer, fijn-materiele-sfeer, immateriële-sfeer, en bovenwerelds. De Sangaha, aan de andere kant, niet gebonden aan de matika, verdeeld bewustzijn eerst op basis van niveau, en verdeeld daarna onder op basis van ethische kwaliteit.

Het tweede hoofdstuk, het Compendium van Mentale Factoren, somt eerst de tweeënvijftig cetasika’s, of metgezellen van het bewustzijn, op en verdeeld deze in vier klassen: universelen, soms-aanwezigen, onheilzame factoren, en mooie factoren. Daarna worden de factoren onderzocht volgens twee methoden: ten eerste, de methode van associatie (sampayoganaya), wat de mentale factoren als eenheid van onderzoek neemt en de typen bewustzijn waarmee ze elk individueel geassocieerd zijn aan het licht brengt; en ten tweede, de methode van inclusie of combinatie (sangahanaya), welk de typen bewustzijn als eenheid van onderzoek neemt en de mentale factoren die bij de samenstelling van elk type hoort aan het licht brengt. Ook dit hoofdstuk berust zicht hoofdzakelijk op het eerste hoofdstuk van de Dhammasangani.

Het derde hoofdstuk, getiteld Compendium van het Diverse, classificeerd de bewustzijnstypen samen met hun factoren met betrekking tot de zes categoriën: wortel (hetu), gevoel (vedana), functie (kicca), deur (dvara), object (arammana), en basis (vatthu).

De eerste drie hoofdstukken houden zich hoofdzakelijk met de structuur van bewustzijn bezig, zowel intern als in relatie met externe variabelen. Daarentegen gaan de volgende twee hoofdstukken over de dynamiek van het bewustzijn, dat wil zeggen, over wijzen van optreden. Volgens de Abhidhamma treedt bewustzijn in verschillende, maar in elkaar verwikkelde, wijzen op – als actief proces en als passief proces. Hoofdstuk IV onderzoekt de natuur van het “cognitieve proces,” hoofdstuk V de passieve “process-vrije” flow, met een voorwoord waarin een overzicht van traditionele Boeddhistische kosmologie wordt gegeven. De uiteenzetting hier is grotendeels op de Abhidhamma Commentaren gebaseerd. Hoofdstuk VI, het Compendium van Materie, keert zich van de mentale naar de materiële wereld. Het baseert zich hoofdzakelijk op het tweede hoofdstuk van de Dhammasangani, somt de typen van materiële fenomenen op, classificeert ze op verschillende manieren, en legt hun ontstaanswijze uit. Het introduceert ook het commentariële idee van materiële groepen, die het in detail behandelt, en beschrijft het voorkomen van materiële processen in verschillende bestaanswerelden. Dit hoofdstuk sluit af met een kort artikel over de vierde ultieme realiteit, Nibbana, het enige ongeconditioneerde element in het systeem.

Met het zesde hoofdstuk voltooit Acariya Anuruddha zijn analytische expositie van de vier ultieme realiteiten, maar er blijven nog enkele zeer belangrijke onderwerpen over die uitgelegd moeten worden om een compleet beeld van de Abhidhamma te geven. Deze worden aangepakt in de laatste drie hoofdstukken. Hoofdstuk VII, het Compendium van Categorieën, schikt de ultieme realiteiten volgens een verscheidenheid aan categorische schemata, die onder vier globale noemers te plaatsen zijn: een compendium van verontreinigingen; een compendium van gemengde categorieën, waarin onderdelen van verschillende ethische kwaliteit worden geïncludeerd; een compendium van benodigdheden voor verlichting; en een compendium van het geheel, een alles-inclusief overzicht van de Abhidhamma ontologie. Dit hoofdstuk leunt zwaar op de Vibhanga, en voor een deel op de Dhammasangani.

Hoofdstuk VIII, het Compendium van Conditionaliteit, wordt geïntroduceerd om de Abhidhamma leer van onderlinge afhankelijkheid van fysieke en mentale fenomenen te includeren, waardoor de analytische verhandeling van de ultieme realiteiten met een synthetische verhandeling die hun kale functionele correlaties blootlegt, wordt aangevuld. De uiteenzetting presenteert summier twee alternatieve manieren van aanpak van conditionaliteit zoals gevonden in het Pali canon. Een is de methode van afhankelijk ontstaan, prominent in de Sutta’s en geanalyseerd vanuit zowel een Suttanta als ook een Abhidhamma oogpunt in de Vibhanga (VI). Deze methode onderzoekt conditionaliteit in termen van een oorzaak-en-gevolg model dat de gevangenschap in samsara, de cirkel van geboorte en dood, in stand houdt. De andere methode is die van de Patthana, met zijn vierentwintig conditionele relaties. Dit hoofdstuk sluit af met een korte bespreking van concepten (paññatti), waardoor de Puggalapaññatti er, in ieder geval impliciet, bij wordt betrokken.

Het negende en laatste hoofdstuk van de Sangaha houdt zich niet bezig met theorie, maar met de praktijk. Dit is het Compendium van Meditatie Onderwerpen. Dit hoofdstuk dient als een soort samenvatting van de Visuddhimagga. Het is een beknopte bespreking van alle methoden van meditatie die in het laatst genoemde werk grondig worden uitgelegd, en het beschrijft gecondenseerd de stadia van progressie in beide meditatie systemen, concentratie en inzicht. Net als het meesterwerk dat het samenvat, eindigt het met een verslag over de vier typen verlichte individuen en het bereiken van de specifike stadia van realisatie en die waarin alles stopt.. Deze schikking van de Abhidhammattha Sangaha dient misschien het doel het ultieme soteriologische doel van de Abhidhamma te onderstrepen. Alle theoretische analyse van bewustzijn en materie komt uiteindelijk samen bij de beoefening van meditatie, en culmineert in het bereiken van het hoogste doel van het Boeddhisme, de bevrijding van het bewustzijn door niet-vastklampen.

10. Voetnoten

1. Asl. 2; Expos., p. 3.

2. Asl. 2-3; Expos., pp. 3-4.

3. De Dhammasangani omhelst ook een Suttanta matrix die uit tweeënveertig diaden uit de Sutta’s bestaat. Dit is echter een bijkomend product van de hoofdmoot in de Abhidhamma zelf, en dient meer als een appendix om beknopte definities van kernbegrippen uit de Sutta’s te geven.

4. Zie, bijvoorbeeld, het volgende: A.K. Warder, Indian Buddhism, 2nd rev. ed. (Delhi: Motilal Banarsidass, 1980), pp. 218-24; Fumimaro Watanabe, Philosophy and its Development in the Nikayas and Abhidhamma (Delhi: Motilal Banarsidass, 1983), pp. 18-67; en het artiekel “Abhidharma Literature” door Kogen Mizuno in Encyclopaedia of Buddhism, Fasc. 1 (Govt. of Ceylon, 1961).

5. Asl. 410; Expos., p. 519

6. Asl. 13; Expos., pp. 16-17

7. Asl. 16; Expos., p. 20

8. Het eerste boek van de Sarvastivadin Abhidhamma, de Sangitiparyaya, wordt toegeschreven aan Sariputta door Chineze bronnen (maar niet door Sanskriet en Tibetaanse bronnen), terwijl het tweede boek, de Dharmaskandha, aan hem wordt toegeschreven door Sanskriet en Tibetaanse bronnen (maar niet door Chineze bronnen). Het Chineze canon beïnhoudt ook een werk getiteld de Shariputra Abhidharma-Shastra, waarvan de school niet bekend is.

9. Deze zijn gereduceerd tot de bekende achtennegentig citta’s door de vijf citta’s waarin elk pad en vrucht bewustzijn wordt onderverdeeld door ze met de vijf jhana’s te verbinden, samen te groeperen.

10. De Yamaka, en zijn hoofdstul “Citta-yamaka,” gebruikt de term khana om aan de onderverdeling van een moment te refereren en introduceert ook de uppada-khana en bhavanga-khana, de sub-momenten van opkomen en vergaan. Het drievoudig systeem van sub-momenten lijkt echter voor het eerst in de Commentaren op te duiken.

11. Ven. A. Devananda Adhikarana Nayaka Thero, in Preface to Paramattha-vinicchaya and Paramattha-vibhavini-vyakhya (Colombo: Vidya Sagara Press, 1926), p. iii.

12. G.P. Malalasekera, The Pali Literature of Ceylon (Colombo: M.D. Gunasena, repr. 1958), pp. 168-70. Malalasekera laat zien dat James Gray, in zijn editie van de Buddhaghosuppatti, een chronologische lijst van heilige en geleerde mannen in het zuidelijke India geeft, verkregen uit het Talaing archief, en daar vinden we Anuruddha genoemd na auteurs die waarschijnlijk later dan de zevende of achtste eeuw hebben geleeft. Omdat Bhadanta Sariputta Mahasami een Sinahala omschrijving van de Abhidhammattha Sangaha heeft samengesteld gedurende de heerschappij van Parakrama-Bahu de Grote (1164-97), plaatst dit Anuruddha vroeger dan het midden van de twaalfde eeuw.

13. Zie het artiekel “Anuruddha (5)” in Encyclopaedia of Buddhism, Fasc. 4 (Govt. of Ceylon, 1965). Ven Buddhadatta’s zienswijze wordt ook geaccepteerd Warder, Indian Buddhism, pp. 533-34.

14. Deze auteur wordt vaak verwisseld met een andere Birmese monnik Chapada geheten, die gedurende de twaalfde eeuw naar Sri Lanka kwam en onder Bhadanta Sariputta studeerde. De zaak voor twee Chapada’s wordt overtuigend beargumenteerd door Eerwaarde A.P. Buddhadatta, Corrections of Geiger’s Mahavamsa, Etc. (Ambalangoda: Ananda Book Co., 1957), pp. 198-209.

I. Compendium van Bewustzijn (cittasangahavibhaga)


1. Woorden van Verering
(thutivacana)

Na respectvol eer te hebben getoond aan de Volledig Verlichte, Zonder Weerga, tezamen met het Verheven Onderricht en de Nobele Orde, ga ik nu het Handboek van de Abhidhamma uitspreken - een compendium van de dingen die in de Abhidhamma staan.

i. Na respectvol eer te hebben getoond (abhivadiya)

Het is een vastgestelde praktijk in de Pali Boeddhistische traditie voor degenen die de Dhamma verklaren om hun uitleg te beginnen met een vers met eerbetoon naar het Drievoudig Juweel, te weten- de Boeddha, de Dhamma en de Sangha- het ultieme toevluchtsoord voor iedereen die het ongestoorde begrip van de werkelijkheid zoeken.

Een gedachte van verering gericht op een waardig object is een heilzaam karma die verdienste genereert in het mentale continuüm van de persoon die aanleiding geeft voor een dergelijke gedachte. Wanneer deze verering gericht wordt richting de meest waardige objecten van verering – het Drievoudig Juweel - is de verdienste die wordt gegenereerd snel en krachtig. Dergelijke verdienste die wordt verzameld in het bewustzijn, heeft de capaciteit om obstructies af te wenden die de vervulling van iemand zijn deugdzame ondernemingen in de weg staan. Bovendien geldt dat voor een volger van de Boeddha het schrijven van een boek over de Dhamma een waardevolle gelegenheid is om de perfectie van wijsheid te ontwikkelen (paññapāramī). Daarom, voordat hij met zijn werk begint, drukt de auteur met extatische woorden van verering zijn blijdschap uit dat hij een dergelijke gelegenheid heeft verworven.

ii. De Volledig Verlichte (sammasambuddha)

De Boeddha wordt de Volledig Verlichte genoemd omdat hij degene is die geheel op eigen kracht de ultieme aard van alle verschijnselen volledig heeft begrepen, zowel in hun universele als specifiekekarakteristieken. De term impliceert dat hij de directe kennis van alle realiteiten heeft verworven zonder hulp van een leraar. De Boeddha wordt ook Degene Zonder Weerga (atula) genoemd, omdat zijn kwaliteiten en eigenschappen niet kunnen worden geëvenaard door welk ander wezen dan ook. Alhoewel alle Arahants over de onderscheiden kwaliteiten van moraliteit, concentratie en wijsheid beschikken, die voldoende zijn om te resulteren in bevrijding, beschikt niemand van hen over de onnoemelijke en onmetelijke kwaliteiten waarmee een verheven Boeddha volledigmee is uitgerust - de tien Tathāgata’s krachten van kennis (M.12), de vier gronden van zelfvertrouwen (M.12), de realisatie van enorm mededogen (Pṭs.i,126) en de ongehinderde kennis van alwetendheid (Pṭs.i,131). Daarom is de Boeddha iemand zonder gelijke onder alle levende wezens. Zoals het wordt gezegd: Er is iemand, monniken die uniek is, zonder gelijke, zonder tegenhanger, niet te vergelijken, weergaloos, niet te evenaren, de beste van de mensen - de Tathāgata, de Arahant, de Volledig Verlichte”(A.1:13/i,22).

iii. Het Verheven Onderricht (saddhamma)

Het onderricht, of Dhamma, vertegenwoordigt de drie aspecten van studie (pariyatta), training (paṭipatti) en realisatie (paṭivedha). “Studie” is de studie van de Tipiṭaka, de geschriften die het onderwijs van de Boeddha bevatten, die bestaat uit de drie verzamelde werken van de Vinaya, de Sutta’s en de Abhidhamma. “Training” is de drievoudige training in kwaliteiten, concentratie en wijsheid. “Realisatie” is het doorgronden van de bovenwereldse paden en de realisatie van de verheven vruchten. Elk genoemd werk is het fundament voor de volgendeomdat studie voorziet in de richtlijnen voor training en training zorgt voor de doorbraak in de realisatie. Het Onderricht wordt “verheven” genoemd omdat wanneer het wordt toegepast in overeenstemming met de instructies van de Boeddha het definitief leidt tot de realisatie van Nibbāna, de opperste waarheid en het hoogste goed.

iv. De Nobele Orde (ganuttama)

Het woord gaṇa, wat bedrijf of groep betekent wordt hier gebruikt als een synoniem van het woord saṅga, de gemeenschap of orde. Er zijn twee soorten Sanga: de conventionele Sangha (sammutisaṅgha), de orde van volledig gewijde monniken en nonnen; en de Sangha van de Nobelen (ariyasaṅgha), waar in het vers van verering naar wordt gerefereerd als “de Nobele Orde”. De Nobele Orde is de nobele of heilige gemeenschap van de gerealiseerde volgelingen van de Boeddha- de vier paren van personen die zijn aangekomen bij de bestaansgebieden van de Nobelen, te onderscheiden als achtvoudig of ze de paden of de vruchten van Stroom-Intreding, Eenmalige Terugkeer, Degenen die niet meer terugkeren en Arahant-schap hebben bereikt.

v. Ga ik nu het handboek van de Abhidhamma uitspreken

De titel van het boek Abhidhamma Saṅgaha betekent letterlijk: ”een overzicht van de dingen die in de Abhidhamma staan”, dat wil zeggen in het speciale of "gerenommeerde"(abhi) onderricht (dhamma) zoals vastgelegd in de Abhidhamma Piṭaka. De verklaring van de auteur: ”Ik ga spreken” (bhāsissaṃ) herinnert ons eraan dat de tekst bedoeld is om te reciteren en uit het hoofd te leren zodat het altijd beschikbaar is voor ons als een instrument om de werkelijkheid te analyseren.

2. Vier Ultieme Werkelijkheden
(catudha paramattha)

De dingen waarover de Abhidhamma spreekt zijn viervoudig vanuit eenultiem werkelijkheidsperspectief, namelijk: Bewustzijn (citta), Mentale Factoren (cetasika), Materie (rupa), Ongeconditioneerde Element (nibbāna).

i. Ultieme Werkelijkheid

Volgens de Abhidhamma zijn er twee soorten realiteiten, te weten de conventionele (sammuti) en de ultieme (paramattha). Conventionele realiteiten zijn de referenties van gewone conceptuele gedachten (paññatti) en conventionele manieren van uitdrukken (vohāra). Denk aan personen, dieren en de schijnbare stabiele objecten die ons niet geanalyseerde beeld van de wereld uitmaken. De Abhidhamma filosofie stelt dat deze concepten geen ultieme validiteit bevatten, omdat de objecten waar ze naar verwijzen niet op zichzelf bestaan als niet verder te reduceren realiteiten. Hun zijnstoestand is conceptueel, niet actueel. Ze zijn het product van mentale constructie (parikappanā), het zijn geen realiteiten die bestaan op basis van hun eigen natuur. In tegenstelling tot concepten zijn ultieme realiteiten dingen die bestaan op basis van hun eigen intrinsieke natuur (sabhāva). Dit worden de dhamma’s genoemd, het zijn de finale, niet verder te reduceren componenten van het bestaan, de ultieme entiteiten die voortkomen uit een correct uitgevoerde analyse van de ervaring. Die bestanddelen staan geen verdere reductie toe maar zijn zelf de finale onderdelen van de analyse, de echte bestanddelen van de complexiteit van de menselijke ervaring. Daarom is het woord paramattha hier van toepassing, wat is afgeleid van het woord parama = ultiem, het hoogste en attha= realiteit, ding.

ii. Relatie tussen bewustzijn en de mentale componenten

Bewustzijn (citta) is als een koning, die samen met zijn gevolg, de mentale componenten (cetasika’s) verschijnt. De koning komt nooit alleen. Als we het over 'bewustzijn' hebben bedoelen we dus de citta’s en de cetasika’s gezamenlijk. De volgende eigenschappen worden onderkend:

  • Cetasika’s en citta verschijnen tegelijkertijd (ekuppāda)
  • Cetasika’s en citta verdwijnen tegelijkertijd (ekanirodha)
  • Cetasika’s en citta hebben hetzelfde object (ekālambana)
  • Cetasika’s en citta hebben dezelfde basis (ekavatthuka)

iii. De vier ultieme werkelijkheden

3. Vier Klassen van Bewustzijn
(catubbidha citta)

De eerste ultieme werkelijkheid (catudhā paramattha) is bewustzijn (citta). Het eerste hoofdstuk van de Abhidhamma gaat over de eerste ultieme werkelijkheid (catudhā paramattha) dat wil zeggen bewustzijn (citta). De boeddhistische analysevan de realiteit is gebasseerd op ervaring en bewustzijn (titta) staat daarin boven aan. De Commentaren geven de meest scherpe definitie van bewustzijn (citta). Zij geven aan dat bewustzijn (citta) de activiteit of het proces van het kennen van een object is. Het is niet een agent of een instrument dat waarde bevat als een "zijn" of "wezen" buiten de activiteit van "kennen".

Je kunt bewustzijn (citta) indelen op onderstaande manier.

In de Abhidhammattha Sangaha wordt bewustzijn (citta) echter eerst viervoudig ingedeeld, namelijk als zintuigelijke-sfeer bewustzijn (kāmāvacara), fijn-materiële-sfeer bewustijzn (rūpāvacara), immateriële-sfeer bewustzijn (arūpāvacara) en bovenwerelds bewustzijn (lokuttara), welke daarna al snel verder worden geanalyseerd tot 89 typen zoals in de tabel hieronder te zien is:

89 Bewustzijnsgebieden (citta)

Werelds (lokiya) - 81Bovenwerlds (lokuttara) - 8
Zintuigelijke-sfeer (kāmāvacara) - 54Subliem (mahagatta) - 27
Niet-heilzaam (akusala) - 12Zonder wortels (ahetuka) - 18Verheven (sobhana) - 24Fijn-materiële-sfeer (rūpāvacara) - 15Immateriele-sfeer (arūpāvacara) - 12
Geworteld in begeerte
Geworteld in boosheid
Geworteld in onwetendheid
Onheilzaam resultaat
Heilzaam resultaat
Functioneel
Heilzaam
Resultaat
Functioneel
Heilzaam
Resultaat
Functioneel
Heilzaam
Resultaat
Functioneel
Pad
Vrucht
82278388555444444

4. Zintuigelijke-sfeer bewustzijn (kamavacara) - 54

De eerste groep bewustzijn is het bewustzijn van de zintuigelijke sfeer. Dit bewuwstzijn kan verder onderverdeeld worden in:

i. Niet-heilzame citta (akusala) - 12

Somanassa (plezier, blijdschap). Su = plezierig, manas = bewustzijn. Dus een plezierig gevoel. Dit gevoel begeleidt dit type citta en is niet van de citta te onderscheiden, net zoals twee rivieren die bij elkaar komen niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Domanassa (onaangenaamheid). Du = slecht, manas = bewustzijn. Dus een onplezierig gevoel. Dit gevoel komt alleen voor in combinatie met haat. Daarom is domanassa altijd onheilzaam.Dit in tegenstelling tot een onplezierig lichamelijk gevoel, wat karmisch neutraalis en ook in tegenstelling tot somanassa en upekkhā die zowel heilzaam, niet heilzaam als neutraal kunnen zijn.

Upekkhā (neutraal gevoel). Upekkhā ervaart het object op een neutrale manier. Synoniem is adukkhamasukhā vedanā, een noch pijnlijk noch plezierig gevoel. Alle drie horen bij de aggregaat van gevoel (vedanākkhanda).

Paṭigha (boosaardigheid). Paṭigha omvat alle gradaties van boosaardigheid,van subtiele irritatie tot gewelddadige razernij. Het hoort bij de aggregatie van mentale formaties (saṅkhārakkhandha).

Diṭṭhi (onjuiste zienswijze). De manier van kijken kan of de gehechtheid versterken van waaruit het type citta ontstond of de manier van kijken is een gehechtheid in zichzelf.

ii. Citta zonder wortels (ahetukacittani) - 18

Deze citta's bevatten niet de onheilzame wortels (lobha, dosa en moha) maar ook niet de drie mooie wortels (alobha, adosa en amoha). Omdat een wortel stevigheid en stabiliteit brengt in een citta zijn deze citta's dus minder stabiel en stevig dan de citta's waar wortels in vertegenwoordigd zijn.

Onderstaande citta’s zijn het resultaat van onheilzaam karma,maar zijn in zichzelf dus niet onheilzaam en karmisch onbepaald (abyākata).

In het geval van de onheilzame lichaam resultaat citta is deimpact op het lichaam sterk en dus is het bijbehorende gevoelpijn (dukkha)

Onderstaande citta’s zijn het resultaat van heilzame karma,maar zijn in zichzelf dus niet onheilzaam en karmisch onbepaald (abyākata).Deze types citta's ontstaan als resultaat van objecten die als gewenst (ittha) of extreem gewenst (ati-ittha) kunnen worden geclassificeerd.

De onderzoeks-citta verschijnt onmiddellijk na de citta die het heeft ontvangen van bijvoorbeeld het oogbewustzijn.

De overblijvende drie typen citta zijn geen karmische resultaten. Ze behoren tot de categorie 'kiriya’, hier vertaald als ‘functioneel’ om aan te geven dat ze taken uitvoeren die geen karmische potentie hebben. Dergelijke type citta zijn noch causaal karmisch noch het resultaat van karma.

Wanneer een visueel object zich aandient is er allereerst een citta die zich naar het object keert, de citta die zich op de 5 zintuigen richt. Deze citta ziet niets, maar heeft als enige taak zich op het object te richten, om daarmee b.v. het oogbewustzijn te activeren

Hier zijn twee mogelijkheden. In een cognitief proces wat zich bij één van de 5 zintuigen afspeelt bepaalt of definieert deze citta het object wat net is gezien. Het heet dan votthapanacitta, de bepaal-citta. Het komt dan direct na de onderzoeks-citta (santirana). Bij een bewustzijns-toegangsdeur proces (komt direct voort uit het levenscontinuüm) keert deze citta zich naar het bewustzijns-object wat zich aandient en heet dan bewustzijns-toegangsdeur richt-citta.

Dit is een citta die uitsluitend is voorbehouden aan Arahants, Boeddha’s en Paccekaboeddha’s, die beiden ook typen Arahants zijn. Zijn functie is om Arahants te laten glimlachten over zintuiglijke sfeer verschijnselen. Volgens de Abhiddhamma kunnen Arahants glimlachen met één van vijf citta’s- de vier mooie zintuiglijke sfeer functionele citta’s en de glimlachproducerende citta zonder wortels die hier vermeld staat.

iii. Verheven citta horend bij de zintuiglijke sfeer (kamavacara-sobhanacittani) - 24

Deze klasse citta is verdeeld in 8 types op basis van drie variabelen, het gevoel, de aan-of afwezigheid van kennis en of de citta geïnduceerd is of niet.

Kennis gaat hier om de dingen zoals ze zijn (yathāsabhāvam). Ňāna refereert aan de mentale factor wijsheid (panna) die ook de wortel non-onwetendheid (amoha) vertegenwoordigt. Citta niet verbonden aan kennis mist de wijsheidsfactor, maar heeft geen betrekking op onwetendheid (avijjā) of illusie (moha), die alleen voorkomen bij onheilzame citta’s. De vier heilzame citta’s verbonden met kennis bezitten alle drie de wortels, de vier niet verbonden aan kennis missen non-onwetendheid (amoha).

De acht typen citta worden heilzaam (kusala) of vol van verdiensten (puñña) genoemd, omdat ze de verontreinigingen onderdrukken en goede resultaten produceren. Ze verschijnen in wereldburgers (puthujjana) en degenen die in training zijn (sekkha), de Nobele discipelen uit de drie lagere stadia van Stroom-Intreder, Degene die nog 1x terugkeert en Degene die niet meer terugkeert- wanneer ze heilzame lichamelijke en verbale daden doen en wanneer ze bewustzijnsstaten genereren die bij de zintuiglijke sfeer horen. Deze citta’s kunnen niet bij Arahants verschijnen, wiens acties zonder karmische potentie zijn.

Zoals er 8 heilzame types citta zijn zo zijn er ook 8 types resultaat citta's. Deze 8 zijn de karmische effecten van de heilzame zintuiglijke sfeer citta's.

De wortelloze heilzame resultaat citta's en deze resultaat citta's met wortels worden door dezelfde vorige 8 geproduceerd. Ze verschillen alleen in hun kwaliteiten en functies.

De volgende 8 citta's komen alleen voor bij Arahants en Boeddha’s. Ze voeren alleen hun functie uit en laten geen karmische nalatenschap achter. Immers zowel de Arahant als de Boeddha hebben alle sporen van moha en lobha achter zich gelaten. Daarom kunnen acties ook geen toekomstige resultaten genereren.

De sobhanba citta’s (alle 24) krijgen de kwalificatie Groot toegevoegd vanwege de enorme heilzaamheid ervan. Ze worden aldus aangeduid als mahākusalas, mahāvipākas en mahākiriyas, de Grote Heilzame citta’s, de Grote Resultaten en de Grote Functionele citta’s.

5. Fijn-materiële-sfeer citta (rupavacaracittani) - 15

Bij dit type citta is de grove materie verdwenen en rest nog een subtiele restvorm. Hier geboren worden wordt mogelijk door realisatie van een meditatieve staat luisterend naar de omschrijving jhāna's, dit zijn absorpties, zeer hoge stadia van concentratie.

De jhāna's worden bereikt door een vorm meditatie die de ontwikkeling van kalmte of sereniteit (samadhi) wordt genoemd. Deze methode betreft de versterking van de concentratie (samadhi). Door het bewustzijn te fixeren op een object wordt alle mentale afleiding geëlimineerd.

Jhāna is afgeleid van een woord wat zowel contemplatie als oplossen, verbranden betekent. Dus de jhāna's zijn zo genoemd omdat er intense contemplatie plaats vindt op het object en omdat ze de obstructieve staten van bewustzijn verbranden.

De dwarsliggende staten van bewustzijn zijn de 5 hindernissen (nivarana),te weten begeerte, boosheid, inertie en luiheid, onrust en piekeren en twijfel.

Elke jhāna wordt gedefinieerd door een selectie van mentale componenten die als jhāna-factoren bekend staan (jhānaṅga). De eerste jhāna bevat 5 factoren. Om de jhāna te bereiken moeten deze factoren gebalanceerd ten opzichte van elkaar ontwikkeld aanwezig zijn.

Daarbij worden de hindernissen verbrand die de absorptie verhindert.

Het object van het jhāna-bewustzijn is een mentale beeld wat het tegenhangersymbool wordt genoemd (paṭibhāganimitta).Dit symbool wordt gezien als een concept (paññatti), maar het verschijnt in zijn algemeenheid op basis van een visuele vorm en dus horen deze jhāna’s bij de Fijn-Materiële-Sfeer. De meditator die de aspiraties heeft om jhāna te bereiken kan als zijn originele concentratie-object een contemplatief voorwerp kiezen die een kasiṇa genoemd wordt, zoals een gekleurde schijf waarop de aandacht wordt gefixeerd. Wanneer de concentratie groeit wordt, geeft dit fysieke voorwerp aanleiding tot een gevisualiseerde replica van zichzelf wat het “leersymbool” (uggahanimitta) genoemd wordt en dit op zijn beurt geeft aanleiding voor het verschijnen van het tegenhangersymbool wat wordt aangegrepen als het jhāna-object.

6. Immateriële-sfeer citta (arupavacaracittani) - 12

Dit bewustzijnsgebied bestaat uitsluitend uit citta’s die horen bij het Immateriële bestaansgebied (arūpabhūmi), vier gebieden waar de materie voor 100% is getranscendeerd. Hier geboren worden kan worden bereikt door de realisatie van de 4 Immateriële absorpties (arūpajhānas). De Immateriële Sfeer bestaat uit 12 citta’s, de eerste 4 door training te bereiken, de tweede vier door daar geboren te worden, en de laatste 4 door Arahants die deze sfeer betreden.

De basis van oneindige ruimte

Teneinde deze absorptie te bereiken moet iemand die de 5de jhāna heeft gerealiseerd op basis van het werken met een schijfobject (kasina), de mentale tegenhanger van het schijfobject groter laten worden zodanig dat het onmetelijk groot wordt. Daarna verwijdert hij mentaal het schijfobject en richt daarna zijn aandacht op de ruimte die het inneemt, door het mentaal te contempleren als ‘oneindige ruimte’. Door het op deze manier aandacht te geven ontstaat er uiteindelijk een absorptie-citta die als object het concept van oneindige ruimte heeft. (ākāsapaññatti). Hier betekent het woord basis (āyatana) de habitat voor deze jhāna-citta. In afgeleide zin verwijst het ook naar de jhāna zelf.

De basis van oneindig bewustzijn

Aan de basis van oneindige ruimte zit ook de implicatie gekoppeld dat het bewustzijn wat die ruimte doordringt ook onderdeel is van die oneindigheid. De meditator neemt als object het bewustzijn van de basis van oneindige ruimte en contempleert dat als ‘oneindig bewustzijn’.

De basis van het niets

Hier wordt als object het concept van de leegheid van het bewustzijn van de oneindige ruimte genomen (natthibhāva-paññatti).

De basis van noch perceptie noch non-perceptie

De factor van perceptie (sañña) is hier zo subtiel geworden dat er niet meer gesproken kan worden van perceptie. Maar perceptie is nog niet geheel verdwenen zodat er ook niet gezegd kan worden dat perceptie geheel is verdwenen. Deze beschrijving geldt trouwens ook voor de andere mentale componenten. Deze citta neemt het bewustzijn van de derde realisatie als zijn object.

Er zijn twee soorten objecten (ālambana) die begrepen moeten worden te weten:

  • Het object wat door de citta wordt gehanteerd (ālambitabba)
  • Het object wat moet worden getranscendeerd (atikkamitabba)

Tijdsbeleving

De tijdsbeleving verandert ook met de toename van concentratie. Bijvoorbeeld de fase na de vierde realisatie (nirodha samāpatti) kan een week in beslag nemen gemeten vanaf de perceptie van de thuisblijvers. Er dienen derhalve dan ook allerlei voorzorgsmaatregelen genomen te worden.

De verschillen tussen de Fijn-materiële-sfeer citta’s en de Immateriële-sfeer citta’s

  • De Fijn-Materiële-sfeer kan verschillende objecten hebben (schijven), terwijl de Immateriële-Sfeer 1 object heeft
  • De Fijn-Materiële-sfeer citta’s hebben 5, 4, 3 en 2 mentale factoren (in elke volgende jhāna valt er één af). In de Immateriële-sfeer zijn er geen factoren die nog moeten of kunnen worden getranscendeerd. Dat betekent dat in de Immateriële-Sfeer citta’s eveneens en uitsluitend de mentale factoren gelijkmoedigheid (upekkhā) en éénpuntigheid (ekaggatā) aanwezig zijn.
  • Zoals aangegeven worden de Fijn-Materiële-Sfeer en de Immateriële-sfeer citta’s gezamenlijk aangeduid als subliem, verheven en geëxalteerd (mahaggata) Alle 81 type citta die tot dusver zijn behandeld worden lokiyacitta, werelds bewustzijn genoemd, omdat ze horen bij de drie werelden- de zintuigijke wereld (kāmaloka), de Fijn-materiële wereld (rūpaloka) en de Immateriële wereld (arūpaloka)

7. Bovenwereldse citta (lokuttaracittani) - 8 of 40

Dit zijn de citta’s waarom het uiteindelijk om te doen is. Bovenwereldse citta’s zijn citta’s die horen bij het proces om de wereld (loka) te trancenderen (uttara). Bij elkaar lokuttara. Dit type citta heeft Nibbāna als object en heeft het beëindigen van het lijden als doel. Zoals te zien zijn het er 8. Ze horen bij de vier stadia van verlichting. Elk stadium kent twee types citta, te weten een pad-citta (maggacitta) en een vrucht-citta (phalacitta). Alle 8 hebben als object Nibbāna, alleen verschillen pad en vrucht-citta’s van elkaar als je naar hun functies kijkt. De pad-citta’s hebben als functie om de mentale vergiften te vernietigen; de vrucht-citta’s hebben als functie om de mate van bevrijding te ervaren die hoort bij de desbetreffende pad-citta. De pad-citta’s zijn heilzaam (kusala), de vrucht-citta’s zijn resultaat-citta’s (vipāka). Elke pad-citta duurt een bewustzijns-moment en zal in dat leven niet meer herhaald worden. De vrucht-citta’s die direct na de pad-citta’s komen duren in eerste instantie ook maar een paar besutzijns-momenten maar dit kan door training verder uitgebreid worden tot de bovenwereldse absorptie die vruchtrealisatie (phalasamāpatti) genoemd wordt.

De bovenwereldse pad-en vrucht-jhāna’s verschillen van de wereldse jhāna’s op verschillende belangrijke punten

Pad-citta van stroom-intreding (sotapatti-maggacitta)

De stroom (sotā) is het Nobele Achtvoudige Pad, met zijn acht factoren, juiste manier van kijken, juiste intentie, juiste spraak, juiste actie, juiste manier van leven, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie. Deze pad-citta vernietigt het idee dat er een persoonlijkheid bestaat, twijfel over de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, en het geloof in rituelen en ceremoniën als een manier om tot bevrijding te komen. Daarnaast verdwijnen de cetasika’s gierigheid en jaloersheid en worden lobha, moha en dosa verminderd tot een niveau die de Stroom-Intreder verzekert van een geboorte vanaf het mensenrijk. Tot slot verdwijnen de volgende citta’s: de 4 geworteld in hebzucht vergezeld van een onjuiste zienswijze (diṭṭhi) en de citta geworteld in onwetendheid vergezeld van twijfel (vicikiccha)

Pad-citta van éénmalige terugkeer (sakadagami-maggacitta)

Deze citta vernietigt geen verdere citta's maar zorgt voor een verdere verzwakking van sensuele begeerte en boosheid. Deze persoon zal ten hoogste nog 1 leven leiden.

Pad-citta van geen terugkeer (anagami-maggacitta)

Deze citta vernietigt geen verdere citta's maar vernietigt sensuele begeerte en boosheid. Deze persoon zal ten hoogste nog 1 leven leiden.

Pad-citta van Arahant-schap (arahatta-maggacitta)

Een Arahant is een volledig bevrijd persoon die de vijand (ari) heeft vernietigd (hata). Hierbij wordt gedoeld op de mentale vergiften. Deze citta vernietigt de wens om in Fijn-Materiële- en Immateriële bestaansvormen geboren te worden, hoogmoed, onrust en onwetendheid. Daarnaast worden de resterende citta's vernietigd: 4 citta’s geworteld in begeerte, niet verbonden aan een onjuiste zienswijze en de citta geworteld in onwetendheid verbonden aan onrust.

Vruchtbewustzijn (phalacitta)

Elke pad-citta zet automatisch zijn respectievelijke vrucht in beweging in dezelfde cognitieve series, in onmiddellijke opvolging aan het pad. Daarna kan de vrucht-citta heel vaak verschijnen wanneer de Nobele discipel de meditatieve vruchtrealisatie binnengaat. Het vruchtbewustzijn zoals eerder vermeld wordt geclassificeerd als een resultaat-citta (vipāka). Tot slot moet nog worden opgemerkt dat er geen bovenwereldse functionele (kiriya) citta’s zijn. De reden hiervoor is dat wanneer een Arahant de vruchtrealisatie binnengaat, de citta’s die zich voordoen in die realisatie tot de klasse van resultaat citta’s behoren, die de vruchten van het bovenwereldse pad zijn.

II. Compendium van Mentale Factoren (cetasikasangahavibhaga)


1. De 52 Mentale Factoren (cetasika)

Die 52 factoren die geassocieerd zijn met bewustzijn (citta), die samen verschijnen en verdwijnen met bewustzijn (citta), die hetzelfde object hebben als basis hebben als bewustzijn (citta), staan bekend als mentale factoren (cetasika)

Cetasika zijn mentale fenomenen die in onmiddelijke samenhang met bewustzijn (citta) ontstaan en bewustzijn (citta) steunen door specifieke taken in het waarnemings-moment uit te voeren. Bewustzijn (citta) kan niet ontstaan zonder mentale factoren (cetasika) en mentale factoren (cetasika) kunnen niet zonder bewustzijn (citta). Toch wordt bewustzijn (citta) als primair gezien omdat dit het primaire cognitieve element (het kennen) is, terwijl mentale factoren (cetasika) dit element steunen.De eerder genoemde volgende eigenschappen worden onderkend:

  • Cetasika’s en citta verschijnen tegelijkertijd (ekuppāda)
  • Cetasika’s en citta verdwijnen tegelijkertijd (ekanirodha)
  • Cetasika’s en citta hebben hetzelfde object (ekālambana)
  • Cetasika’s en citta hebben dezelfde basis (ekavatthuka)

Acariya Anuruddha maakt de volgende onderverdeling van mentale factoren (cetasika):

2. Ethisch Variabele Factoren (aññasamanacetasikas) - 13

i. Universele Factoren (sabbacittasadharana) - 7

ii. Soms Aanwezigen (pakinnaka) - 6

3. Onheilzame Mentale Factoren (akusalacetasika) - 14

i. Onheilzam Universelen (akusalasadharana) - 4

ii. Onheilzame Soms Aanwezigen (akusalapakinnaka) - 10

4. Mooie Mentale Factoren (sobhanacetasika) - 25

i. Mooie Universelen (sobhanasadharana) - 19

ii. Onthoudingen (Virati) - 3

iii. Onmetelijken (appamañña) - 2

iv. Niet-onwetendheid (amoha) - 1

6. Combinaties van Citta en Cetasika

Toelichting boven-wereldse citta

De twee onbegrensde cetasika’s (compassie en blij kunnen zijn voor iemand anders) komen niet voor in de boven-wereldse citta’s omdat ze altijd als object een levend wezen hebben, terwijl de boven-wereldse citta’s Nibbāna als object hebben.

Toelichting jhana citta

De onthoudingen (virati) komen niet voor in jhāna citta omdat iemand die is geabsorbeerd in die tijd zich niet bewust onthoudt van iets verkeerds doen. Compassie (karuna) en blij zijn voor iemand anders (mudita) kunnen niet tegelijkertijd in dezelfde citta voorkomen, omdat karuna zich voordoet in de modus van mededogen en mudita zich voordoet in de modus van zich verblijden. Dus vanwege hun tegengestelde objecten en hun verschillende modi, kunnen ze niet in dezelfde citta voorkomen.

Toelichting zintuigelijke-sfeer verheven citta

De citta kunnen per paar worden behandeld, omdat de geïnduceerde en niet-geïnduceerde citta’s gelijk zijn t.a.v. de cetasika’s die geraakt kunnen worden.

De drie onthoudingen (virati) kunnen niet in 1 citta voorkomen omdat ze verschillende toepassingsgebieden hebben. Dus afhankelijk van het toepassingsgebied waarop je van plan bent jezelf te onthouden komt de desbetreffende cetasika in beeld.

Hetzelfde principe geldt ook voor de twee onbegrensde citta’s, compassie (karuna) en blij zijn voor iemand anders (mudita). Die kunnen ook niet tegelijkertijd in dezelfde citta voorkomen. Zonder enthousiasme (pīti). De combinatie met gelijkmoedigheid (upekkhā) is niet mogelijk. Dus alle citta’s die gepaard gaan met gelijkmoedigheid zijn uitgesloten van enthousiasme.

Resultaat types bewustzijn (vipāka): Zintuiglijke-Sfeer resultaat citta’s sluiten de onbegrensden uit omdat ze uitsluitend zintuiglijke voorwerpen als object hebben, terwijl de onbegrensden het concept van een levend wezen als object hebben. De onthoudingen worden uitgesloten omdat er dan geen sprake is van onthouding van verkeerde daden ingeval van de zintuiglijke resultaat-citta.

Functionele typen bewustzijn (kiriya): Functionele citta’s van dit type komt alleen voor bij Arahants. Deze citta’s sluiten de onthoudingen uit omdat een Arahant die alle mentale vergiften achter zich heeft gelaten zich niet bewust hoeft in te spannen om vrij te blijven van verkeerde daden.

Toelichting bewustzijn zonder wortels

Onderzoeks-citta (santīrana) vergezeld van gelijkmoedigheid (upekkhā): Vervult de rol van hergeboorte (patṭisandhi).

Onderzoeks-citta (santīrana) vergezeld van blijdschap (somanassa): Deze citta is een heilzaam resultaatcitta die is ontstaan als resultaat van een buitengewoon gewenst object; het gaat vergezeld van enthousiasme (pīti), omdat het bijbehorende gevoel blijdschap is. Energie is bijna altijd afwezig omdat de wortelloze typen bewustzijn zwak en passief zijn.

Het drievoudige mind-element (manodhātuttika): Dit is een verzamelterm voor de 5-deurs verwijs-citta (pañcadvārāvajjana) en de twee ontvangst-citta’s (sampaṭicchana).

Toelichting onheilzame citta

Afwezigheid van een verkeerd manier van kijken (diṭṭhi): De derde en vierde citta kan dan hoogmoed bevatten, maar dat hoeft niet.

In de citta’s die geassocieerd zijn met aversie (dosa) zitten 4 cetasika’s uit de „aversieklasse‟ te weten boosheid, jaloersheid, gierigheid en piekeren.

De laatste drie sluiten zichzelf onderling uit en kunnen alledrie dus afwezig zijn in deze citta.

In de citta die is geassocieerd met onrust (uddhacca): De twee citta’s die geworteld zijn in onwetendheid zijn uitgesloten van de wens om te handelen (chanda) omdat ze niet in staat zijn tot doelgerichte activiteit te komen.

In de citta die is geassocieerd met twijfel wordt besluit (adhimokkha) vervangen door twijfel (vicikiccha). De twee zijn wederzijds niet compatibel.

III. Compendium van de Diversen (pakinnakasangahavibhaga)


Compendium van Gevoel (vedanasangaha)

onderverdeling van citta's naar gevoel

Werelds (lokiya) - 81
Zintuigelijke-sfeer (kāmāvacara) - 54Subliem (mahagatta) - 27
Niet-heilzaam (akusala) - 12Zonder wortels (ahetuka) - 18Verheven (sobhana) - 24Fijn-materiële-sfeer (rūpāvacara) - 15Immateriele-sfeer (arūpāvacara) - 12
  • 8 Citta geworteld in begeerte (lobhamūlacittāni):
    4 met gelijkmoedigheid (upekkhā),
    4 met blijdschap (somanasssa)
  • 2 Citta geworteld in boosheid (dosamūlacittāni):
    beiden met aversie (patigha)
  • 2 Ciita geworteld in onwetendheid (mohamūlacittāni):
    beiden met gelijkmoedigheid (upekkhā)
  • 7 niet heilzame resultaat citta:
    6 met gelijkmoedigheid,
    1 met (lichamelijk) pijn (dukkha)
  • 8 heilzame resultaat citta:
    5 met gelijkmoedigheid,
    1 met blijdschap,
    1 met (lichamelijk) aangenaam gevoel (sukha)
  • 3 functionele citta:
    2 met gelijkmoedigheid,
    1 met blijdschap
  • 8 heilzame citta:
    4 met blijdschap,
    4 met gelijkmoedigheid
  • 8 resultaat citta:
    4 met blijdschap,
    4 met gelijkmoedigheid
  • 8 functionele citta:
    4 met blijdschap,
    4 met gelijkmoedigheid
  • 3 1ste jhāna citta:
    heilzaam, resultaat, functioenele citta met blijdschap
  • 3 2ste jhāna citta:
    heilzaam, resultaat, functioenele citta met blijdschap
  • 3 3ste jhāna citta:
    heilzaam, resultaat, functioenele citta met blijdschap
  • 3 4ste jhāna citta:
    heilzaam, resultaat, functioenele citta met blijdschap
  • 3 5ste jhāna citta:
    heilzaam, resultaat, functioenele citta met gelijkmoedigheid
  • 4 heilzame citta met gelijkmoedigheid
  • 4 resultaat citta met gelijkmoedigheid
  • 4 functionele citta met gelijkmoedigheid
Bovenwerlds (lokuttara) - 8 of 40
Pad (magga) - 4 of 20Vrucht (phala) - 4 of 20
  • 5 Stroombetreder-pad (sotāpatti-magga) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 éénmalige-terugkeerder-pad (sakadāgāmi-magga) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 niet-meer-terugkeerder-pad (anāgāmi-magga) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 arahant-pad (Arahatti-magga) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 Stroombetreder-vrucht (sotāpatti-phala) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 éénmalige-terugkeerder-vrucht (sakadāgāmi-phala) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 niet-meer-terugkeerder-vrucht (anāgāmi-phala) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid
  • 5 arahant-vrucht (Arahatti-phala) citta:
    4 met blijdschap,
    1 met gelijkmoedigheid

Analyse van gevoel

Elke citta wordt begeleid door een gevoel. Gevoel wordt of 3-voudig of 5-voudig beschreven:

  • 3-voudig aan de hand van zijn affectieve kwaliteit; plezierig, pijnlijk of noch plezierig, noch pijnlijk.
  • 5-voudig aan de hand van zijn leidende vermogen (indriya). Deze 5 types worden zo genoemd omdat ze heerschappij (indra) uitoefenen over hun geassocieerde staten indachtig de affectieve modus bij het ervaren van het object. Plezierig wordt onderscheiden in een lichamelijke en een mentale component, lichamelijk aangenaam gevoel (sukha) en blijdschap (somanassa). Pijnlijk wordt onderscheiden in weer een lichamelijke component pijn (dukkha) en een mentale component onaangenaamheid (domanassa). Het noch plezierige, noch pijnlijke gevoel wordt neutraal gevoel (upekkhā)
  • Uitspraak van de Boeddha: wat er ook gevoeld wordt, het maakt onderdeel uit van het lijden (yaṃ kiñci vedayitaṃ taṃ dukkhasmiṃ)

Compendium van Wortels (hetusangaha)

Overzicht van de Wortels

Een wortel is een mentale factor die ervoor zorgt dat er stevigheid en stabiliteit komt in de citta’s en cetasika’s met wie het is verbonden. De citta’s die wortels hebben zijn stevig en stabiel zoals bomen terwijl de citta’s die zonder wortels zijn zwak en onstabiel zijn, zoals mos.

De 12 verheven zintuiglijke sfeer citta’s niet verbonden met kennis. Deze zintuiglijke sfeer citta’s, vier elk (heilzaam, resultaat en functioneel ) zijn geconditioneerd door loslaten en liefdevriendelijkheid; helder weten is buitengesloten omdat ze niet verbonden zijn met kennis.

Compendium van Functies (kiccasangaha)

Overzicht van de Functies

Een belangrijke onderverdeling wordt gemaakt door te kijken of bewustzijn binnen het cognitieve proces plaats vindt of daarbuiten. In het laatste geval heet het proces-vrij bewustzijn (vīthimutta) bij de functies 1, 2 en 3. De 14 functies kunnen worden teruggebracht tot 10 als de 5 zintuigfuncties bij elkaar worden genomen.

functies 1, 2 en 3: Wedergeboorte, levenscontinuüm, dood

NB: Er is een onderscheid tussen het type bewustzijn en de functie waarnaar het gewoonlijk is vernoemd. Soms is het zo dat een citta is vernoemd naar de specifieke functie die het vervult, maar ook komt het voor dat een citta meerdere functies vervult.

Functie 1: wedergeboorte (patisandhi)

Deze functie wordt uitgeoefend tijdens de conceptie. Hij wordt zo genoemd omdat hij de koppeling maakt van het oude naar het nieuwe bestaan. De citta die deze functie uitoefent, het wedergeboorte-verbindend bewustzijn (paṭisandhi-citta) doet dit maar 1x in het individuele bestaan en wel op het moment van wedergeboorte.

Functie 2: levens-continuüm (bhavanga)

Het woord bhavaṅga betekent letterlijk factor (aṅga) van bestaan (bhava). Het is de onontbeerlijke conditie voor het bestaan. Het is de functie van het bewustzijn waarbij de continuïteit is gewaarborgd voor de duur van het individuele bestaan. Nadat de paṭisandhi-citta is verschenen en weer is verdwenen wordt het opgevolgd door de bhavaṅga-citta die een resultaat citta is van hetzelfde type, maar die een andere functie vervult, namelijk die van het in standhouden van de continuïteit van het individuele bestaan. Bhavaṅga-citta’s verschijnen en verdwijnen elk moment van het leven wanneer er geen bewust cognitief proces plaats vindt. Ze hebben altijd hetzelfde object en zijn van hetzelfde type citta als de paṭisandhi-citta. Het is evident aanwezig tijdens droomloze slaap maar ook zoals gezegd tussen cognitieve processen door. Op deze manier functionerend kun je veilig stellen dat de bhavaṅgacitta stroomt als een rivier, zonder ooit een moment statisch te zijn.

Functie 3: Het doodsbewustzijn (cuti)

Het doodsbewustzijn (cuti) is het laatste bewustzijnsmoment in een individueel bestaan; het is de citta die het einde aangeeft van een individueel leven. Deze citta is van hetzelfde type als het wedergeboortebewustzijn (paṭisandhi) en de levenscontinuüm (bhavaṅga) en hoort dus ook bij de proces-vrije kant van het bestaan, de passieve stroom van bewustzijn buiten een actief cognitief proces. Het enige verschil is dat het een andere functie vervult.

Er zijn 19 citta’s die deze drie functies uitvoeren, te weten :

  • Onheilzame Resultaat onderzoeks-citta (santīrana) in het geval van die wezens die een wedergeboorte hebben in de miserabele bewustzijnsgebieden te weten de hellewerelden, het dierenrijk, het gebied van de peta’s en de leefwereld van de asura’s.
  • Heilzame Resultaat onderzoeks-citta vergezeld van gelijkmoedigheid vervult deze functie in het geval van die wezens die een menselijke wedergeboorte krijgen bij wie sprake is van aangeboren blindheid, doofheid,etc. Terwijl de misvorming het gevolg is van onheilzaam karma, de menselijke wedergeboorte is het resultaat van heilzaam karma, weliswaar van een relatief zwakke graad. Hoewel wellicht verleidelijk moet de gedachte worden onderdrukt dat onderzoeks-citta’s kunnen verschijnen ten tijde van de wedergeboorte of op enig moment tijdens de levens-continuüm, omdat een citta maar 1 functie tegelijkertijd kan vervullen.
  • De acht Grote Resultaat citta’s – de verheven zintuiglijke-sfeer resultaat-citta’s met twee en drie wortels vervullen deze functie voor die wezens die in de fortuinlijke zintuiglijke sferen geboren worden als goden en mensen die vrij zijn van aangeboren misvormingen. De bovengenoemde 10 citta’s hebben betrekking op de wedergeboorte in de zintuiglijke bestaansgebieden.
  • De vijf Fijn-Materiële-Sfeer resultaat citta’s dienen als wedergeboorte-verbindende citta, levens-continuüm-citta en doods-citta voor diegenen die wedergeboren worden in de Fijn-Materiële bestaansgebieden, de vier Immateriële-Sfeer resultaat citta’s voor diegenen die wedergeboren worden in de Immateriële bestaansgebieden.

Functie 4: richten (avajjana)

Wanneer een object zich aandient bij één van de 5 zintuigen of bij de mind, dient er zich eerst een speciaal mind-moment aan, namelijk een vibratie van het levens-continuüm (bhavaṅga calana). Direct daarna komt er een ander mindmoment waarin het levenscontinuüm wordt „gearrresteerd‟. Hiermee wordt de gang van het levens-continuüm afgebroken. Onmiddellijk daarna verschijnt er een citta die zich naar het object keert, met als ingang of één van de vijf fysieke zintuigen of de mind. Deze functie van het zich naar het object keren wordt richten genoemd. De 5-zintuigdeurs richt citta (pañcadvārāvajjana) voert de functie uit ingeval het één van de zintuigen betreft, de mind-deur richt citta (manodvārāvajjana) doet dit ingeval er een object zich aandient via de mind. Beide citta’s zijn functionele citta’s zonder wortels (ahetukakiriya).

Functies 5 t/m 9: zien (dassana), horen (savana), ruiken (ghayana), proeven (sayana), aanraken (phusana)

In een cognitief proces via één van de 5 zintuigen na het moment van het richten (āvajjana) verschijnt er een citta die direct het object waarneemt wat zich aandient. Deze citta en de specifieke functie die het uitvoert, wordt bepaald door de eigenschappen van het object. Als het object een visuele vorm is, verschijnt oogbewustzijn die het ziet; als het een geluid is, verschijnt er oorbewustzijn die het hoort, enz. In deze context refereren de genoemde functies niet aan de cognitieve handelingen die de objecten van zien en horen expliciet identificeren. Ze geven meer de kortstondige bewustzijnsmomenten aan door middel waarvan de zintuigdata worden ontvangen in zijn kale onmiddellijkheid en eenvoud voorafgaand aan alle cognitieve operaties die gericht zijn op identificatie. De twee citta’s die deze functies vervullen zijn de heilzame resultaat en onheilzame resultaat oog-citta, enz.

Functie 10, 11 en 12: ontvangen (sampaticchana), onderzoeken (santirana), bepalen (votthapana)

In het geval van een cognitief proces wat verloopt via één van de 5 zintuigen verschijnen er achtereenvolgens citta’s die de functies vervullen van ontvangen, onderzoeken en bepalen. Ingeval er zich direct een object aandient via de mind worden bovengenoemde citta’s niet afgevuurd. In plaats daarvan wordt de mind-deur richt citta (manodvārāvajjana) direct na het afbreken van het levens-continuüm (bhavaṅga) afgevuurd.

Functie 13: Javana

Javana is een technische term in de Abhidhamma die het beste onvertaald kan blijven. De letterlijke betekenis is „snel verlopend‟. Ten aanzien van de functie hebben de javana’s betrekking op het stadium van het cognitieve proces dat onmiddellijk volgt op de fase van het bepalen en bestaat uit een serie van 7 identieke citta’s die razendsnel over het object heen gaan tijdens „het zich eigen maken‟ van het object. De javana-fase is de belangrijkste fase vanuit een ethisch standpunt, omdat op dit punt de heilzame of onheilzame citta’s ontspruiten.

De 55 citta’s die deze functie kunnen vervullen zijn:

  • 12 onheilzame citta’s
  • 21 heilzame citta’s
  • 4 resultaat citta’s uit de bovenwereldse groep
  • 18 functionele citta’s

Functie 14 : registratie (tadarammana)

Het woord tadārammaṇa betekent letterlijk “dat object hebben” en beschrijft de functie van het aannemen van het object dat door de javana’s is gearresteerd. Deze functie wordt gedurende twee mind-momenten uitgevoerd direct na de javana-fase in een zintuiglijk cognitief proces wanneer het object erg prominent is voor de zintuigen of erg duidelijk voor de mind. Wanneer het object niet erg prominent is of niet erg duidelijk is, of in andere cognitieve processen, dan wordt deze functie in het geheel niet uitgevoerd. Nadat de registratie heeft plaatsgevonden of als dat niet gebeurt direct na de javana-fase valt de stroom van bewustzijn terug in het levens-continuüm (bhavaṅga). Het gaat hier om 11 resultaat citta’s. Als de drie onderzoeks-citta’s de functie van registratie vervullen kunnen ze niet tegelijkertijd ook de onderzoeksfunctie uitvoeren.

Compendium van Toegangsdeuren (dvarasangaha)

Overzicht van de Toegangsdeuren

De term toegangsdeur (dvārā) wordt in de Abhidhamma gebruikt om de media te beschrijven waarmee de mind interacteert met de objectieve wereld. Er worden drie actie- toegangsdeuren gespecificeerd, te weten, lichaam, spraak en mind, de kanalen waarlangs de mind reageert op de wereld.

Er worden 6 toegangsdeuren van cognitie onderkend. Deze moeten zo worden opgevat dat het oog zelf de toegangsdeur is, enz. De toegangsdeur bestaat uit materie (rūpa), namelijk de sensitieve materie (pasādarūpa) in elk van de 5 zintuigorganen. Oogsensitiviteit is dus de toegangsdeur voor de citta’s die horen bij een oog-toegangsdeurproces, die ze in staat stellen visuele vormen waar te nemen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de andere zintuigen. Het levenscontinuüm is de toegangsdeur voor de mind (bhavaṅga). De toegangsdeur voor de mind is niet materieel maar mentaal (nāma). In deze situatie is er dus geen onmiddellijke afhankelijkheid van materie die bij de zintuigen hoort.

Toegangsdeur vrije citta’s (dvaravimutta)

Deze 19 citta’s zijn bekend als toegangsdeur vrije citta’s omdat hun specifieke functies van wedergeboorte, levens-continuüm en dood niet In de zintuig-toegangsdeuren voorkomen en omdat ze geen nieuw object ontvangen maar zich alleen toegang verschaffen tot het object wat bepaald wordt door het laatste cognitieve proces van het voorafgaande bestaan (zie verder bij objecten).

46 soorten citta’s verschijnen in de oog-toegangsdeur

De 46 zijn als volgt opgebouwd:

  • 1x vijf-deurs richt-citta
  • 2x oog-citta
  • 2x ontvangst-citta
  • 3x onderzoeks-citta
  • 1x bepaal-citta
  • 29x zintuig-sfeer javana’s (12 onheilzaam, 8 heilzaam, 8 prachtige functioneel, 1 glimlach-producerende)
  • 8x registratie (= zintuig-sfeer prachtige resultaat-citta’s; de andere drie worden meegenomen onder de onderzoeks-citta

In de andere zintuigen worden dezelfde typen citta’s onderkend alleen worden de corresponderende citta’s vervangen door het juiste zintuigtype.

Deze citta’s verschijnen overeenkomstig de omstandigheden (yatharaham)

Alhoewel in totaal 46 citta’s verschijnen in de oog-toegangsdeur kunnen ze niet allemaal tegelijkertijd verschijnen in 1 proces, maar reageren ze op condities. De volgende worden onderkend:

  • Het object: Wanneer het object ongewenst is dan zijn de oog-citta, de ontvangst-citta, de onderzoeks-citta en de registratie-citta onheilzame resultaat citta’s, terwijl als het object gewenst is, ze heilzame resultaat citta’s zijn. Is het object buitengewoon gewenst dan gaat de onderzoeks-citta en de registratie-citta gepaard met blijdschap, terwijl als het object beperkt gewenst is gaan ze gepaard met gelijkmoedigheid
  • Het bewustzijnsgebied: Als een oogtoegangsdeur proces zich afspeelt in het zintuiglijke bewustzijnsgebied (kāmabhūmi) kunnen alle 46 citta’s verschijnen, maar als het proces zich afspeelt in het Fijn-Materiële bewustzijnsgebied (rūpabhūmi) kan de registratie-citta niet verschijnen, omdat de registratiecitta alleen voorkomt in het zintuiglijke bewustzijnsgebied.
  • Het individu: Als de persoon een normaal mens is of een trainee, zullen de javana-citta’s heilzaam of niet heilzaam zijn overeenkomstig het bereikte niveau ingeval van een trainee. Als de persoon een Arahant is zullen de javana’s functioneel zijn.
  • Aandacht: Als een normaal mens of een trainee juiste aandacht toepast (yoniso manaisikāra) zullen heilzame javana’s verschijnen terwijl als er geen juiste aandacht wordt gegeven er onheilzame javana’s zullen verschijnen. Overeenkomstig zijn geïnduceerde of niet-geïnduceerde verschijnende citta’s afhankelijk van condities.

Compendium van Objecten (alambanasangaha)

Analyse van de Objecten

Elke citta tezamen met zijn bijbehorende cetasika’s vereisen noodzakelijkerwijs een object, omdat citta zelf in essentie bestaat uit het waarnemen van een object. In het Pali worden twee woorden gebruikt om een object te omschrijven:

  • ārammaṇa, afgeleid van een werkwoord wat betekent “ergens behagen in scheppen”.
  • ālambana, afgeleid van een werkwoord wat “ergens aan vast houden“ betekent.

6 soorten objecten worden onderkend:

  • Eerste 5 maken onderdeel uit van materie:
    • Vier hiervan (visuele vorm, geluid, geur en smaak) zijn soorten afgeleide materie (upādā rūpa), dat zijn secundaire materiële fenomenen die afhankelijk zijn van de primaire materie-elementen.
    • Het tastobject wordt geïdentificeerd met drie van de vier primaire elementen, te weten het aarde-element, wat door aanraking wordt ervaren als hard-of zachtheid, het vuur-element wat wordt ervaren als hitte of koude, en het lucht-element wat wordt ervaren als uitzetting of druk. Het vierde element, het water-element heeft de karakteristiek van cohesie en kan daarom volgens de Abhidhamma niet worden ervaren als resultaat van een aanraking, maar kan alleen worden ervaren door de toegangsdeur van de mind.
  • Het zesde object is het mentale object (dhammārammana) en dit bestaat uit 6 onderdelen:
    • Sensitieve materie (pasādarūpa), betreft de zintuiglijk gevoelige substantie in de 5 zintuigen.
    • Subtiele materie (sukhamarūpa)
    • Citta. Hoewel citta objecten ervaart, kan citta zelf ook als object dienen. Een citta kan niet zijn eigen object vormen, omdat de waarnemer niet zichzelf kan waarnemen maar een citta in een mentaal continuüm kan zich eerder voorgedane citta’s in hetzelfde continuüm ervaren, evenals de citta’s van andere wezens.
    • De cetasika’s kunnen ook als objecten dienen voor een mind-toegangsdeur proces.
    • Nibbāna
    • Concepten, de klasse van de conventionele realiteit, dingen die niet bestaan vanuit een ultiem realiteitsbesef.

Classificatie van objecten naar toegangsdeuren

Voor alle typen oog-toegangsdeur citta’s geldt dat uitsluitend de visuele vorm het object is. De visuele vorm is niet alleen het object voor het oogbewustzijn. De 5-deurs richt citta, de ontvangst-, onderzoeks- en bepaal-citta, de javana‟s en de registratie-citta’s vinden ook plaats met dezelfde visuele vorm als hun object. Het geldt alleen voor het heden. Met heden wordt hier het ragfijne moment bedoeld tussen verschijnen en verdwijnen (khaṇikapaccuppanna). Omdat materie een langzamere veranderingsgraad heeft dan mentale fenomenen blijft een visuele vorm beschikbaar en aanwezig voor alle citta’s in een proces wat zich voordoet in de oog-toegangsdeur. Dit geldt uiteraard ook voor de 4 andere zintuigen.

Het object voor de mind-toegangsdeur citta is zesvoudig en het object kan betrekking hebben op het heden, verleden, toekomst of onafhankelijk zijn van tijd (kālavimutta). Dit laatste begrip heeft betrekking op Nibbāna en concepten. Nibbāna is tijdloos omdat zijn intrinsieke natuur (sabhāva) zonder verschijnen, verandering en verdwijnen is. Concepten zijn tijdloos omdat ze geen intrinsieke werkelijkheid kennen. De tijdsfacetten doen zich voor overeenkomstig de omstandigheden (yathāraham). De omstandigheden hebben betrekking op het gegeven wat voor soort javana‟s de citta’s zijn:

  • Zintuiglijke-Sfeerjavana‟s: richten zich op objecten van de drie tijdklasses en tijdsloze objecten
  • Glimlach producerende citta (hasitupādda) richten zich op objecten van de drie tijdsklassen
  • De directe kennis citta’s (abhiññās) richten zich op objecten van de drie tijdsclasses en tijdsloze objecten
  • De sublieme javana’s accepteren tijdsloze objecten (concepten) , behalve de 2de en 4de Immateriële jhāna’s die citta’s uit het verleden accepteren als objecten.
  • De bovenwereldse javana’s richten zich op Nibbāna wat tijdloos is

De citta’s die in een mind-toegangsdeur proces verschijnen kunnen alle 5 fysieke zintuiglijke objecten waarnemen evenals alle types mentale objecten die niet toegankelijk zijn voor de citta’s in een zintuigtoegangsdeur proces.

Bij toegangsdeur vrije citta’s (dvāravimutta), te weten wedergeboorte-, levens-continuüm- en doods-citta zijn de objecten 6-voudig en gewoonlijk (yebhuyyena) is een dergelijk object gearresteerd in één van de 6 toegangsdeuren in het voorafgaande bestaan als een object uit het heden, uit het verleden of als een concept, overeenkomstig de situatie (yathāsambhavaṃ). Bij alle drie de functies (die uitgevoerd worden door 19 types zoals eerder is beschreven) houdt deze citta het object vast vanaf het moment van wedergeboorte tot het moment van overlijden. Dus kan gesteld worden dat het object van de toegangsdeurvrije citta gewoonlijk identiek is aan het object van het laatste cognitieve proces in het onmiddellijk daaraan voorafgaande bestaan. Als een persoon op het punt staat dood te gaan zal in de laatste fase van het actieve bewustzijn een object zich aan het cognitieve proces aandienen wat bepaald wordt door voorafgaand karma en huidige omstandigheden. De volgende drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:

  • Het kan een karma (kamma) zijn, een goede of slechte daad.
  • Het kan een teken van karma zijn (kammanimitta), dat houdt in een beeld wat geassocieerd is met wat van een zodanig gehalte is dat het de toekomstige geboorte gaat bepalen. Bijvoorbeeld een devoot iemand kan een beeld zien van een tempel, enz
  • Het kan een teken van bestemming zijn (gatinimitta), Bijvoorbeeld iemand die richting een hemelse wedergeboorte gaat kan hemelse paleizen zien, of iemand die op weg is naar de hel, kan hellevuren zien, enz

Nadere uitleg specifieke punten bij objecten

Yathasambhavam (overeenkomstig de situatie)

Het object wat door de toegangsdeur/vrije citta wordt waargenomen varieert overeenkomstig de toegangsdeur bij welke het oorspronkelijk is gearresteerd door het laatste mentale proces van het voorafgaande leven en afhankelijk van of het een object is uit het heden of verleden, of het een concept is of een karma, een teken van karma of een aanwijzing voor de volgende bestemming is. De uitleg is als volgt:

  • Ingeval van een wedergeboorte in de zintuiglijke sfeer kan één van de zes toegangsdeuren van het laatste javana-proces van het voorafgaande bestaan een teken van karma worden. Een dergelijk object, bij gelegenheid van de wedergeboorte-link citta en de eerste serie citta’s van het levenscontinuüm kan of uit het heden of uit het verleden zijn. Uit het heden omdat het zintuigobject wat door het laatste javanaproces van het vorige bestaan nog steeds aanwezig kan zijn in het licht van de eerste paar mind-momenten van het nieuwe bestaan. Daarna geldt dat het object vanuit de optiek van het levenscontinuüm en voor de doods-citta van het nieuwe bestaan noodzakelijkerwijs hoort tot het verleden.
  • Een mentaal object wat door de mind-toegangsdeur in het laatste javana-proces van het vorige bestaan wordt gearresteerd kan een object voor de wedergeboorte-link citta, levenscontinuüm- en een doods-citta worden als een karma of een teken van karma wat tot het verleden behoort. Als het object een voorteken is van een bestemming, is het gewoonlijk een visuele vorm die wordt gearresteerd in de mindtoegangsdeur en behoort daarmee tot het heden.
  • Ingeval van een wedergeboorte in de Fijn-Materiële-Sfeer, is het object van de drie proces-vrije citta’s een mentaal object wat in de mindtoegangsdeur van het vorige bestaan wordt gearresteerd; het is een concept en dus tijdloos en moet worden gezien als een teken van karma. Hetzelfde geldt voor de situatie van een wedergeboorte in de eerste en derde Immateriële bestaansgebieden. Ingeval van wedergeboorte in het tweede en vierde Immateriële bestaansgebied is het object, omdat het een citta betreft, noodzakelijkerwijs mentaal; het behoort tot het verleden en moet worden gezien als een teken van karma.

Yebhuyyena (gewoonlijk)

Deze kwalificatie is toegevoegd indachtig het feit dat er ook wezens zijn die wedergeboren worden nadat ze een leven hebben doorgebracht in de wereld zonder perceptie (asaññasattā). Dit is een wereld waar bewustzijn zo ongeveer afwezig is. Voor die wezens geldt dat het object van de toegangsdeur vrije citta’s niet iets is wat in het onmiddellijk voorafgaande bestaan gearresteerd kan worden, omdat er in dat bestaan geen bewustzijn was. Voor die wezens presenteert het object zichzelf aan de wedergeboorte-link citta, levenscontinuüm-citta en doods-citta als een teken van een karma uit het verleden. Dit proces vindt geheel op basis van de eigen kracht van het karma uit het verleden plaats en komt voort uit een bestaan voorafgaand aan die in de wereld zonder perceptie.

Overzicht van objecten afgezet tegen citta’s

Conceptuele objecten van sublieme citta’s

Overzicht van fysieke basissen

In die bestaansgebieden waar materie aanwezig is verschijnen citta’s en cetasika’s in afhankelijkheid van een conditie die basis (vatthu) genoemd wordt. Een basis is een fysieke ondersteuning voor het verschijnen van citta’s en cetasika’s. Hoewel de eerste 5 basissen samengaan met de 5 toegangsdeuren, te weten de sensitieve materie van de 5 zintuigen is een basis niet hetzelfde als een toegangsdeur, omdat het een andere functie vervult in het verschijnen van citta.

Een toegangsdeur is een kanaal waarlangs citta’s en cetasika’s van een cognitief proces toegang krijgen tot een object, terwijl een basis de fysieke ondersteuning is voor het verschijnen van de citta’s en cetasika’s. In een oogdeur toegangsproces komen vele typen citta’s voor naast de oog-citta, met oog-sensitiviteit als hun toegangsdeur . Echter oog-sensitiviteit is uitsluitend de basis van oog-citta, niet van de andere citta’s die ook de oog-toegangsdeur gebruiken.

In relatie tot de toegangsdeuren zijn de verschillende citta’s die functioneren als wedergeboorte, levens-continuüm en dood „toegangsdeur-vrij‟, echter in bestaansgebieden waar zowel mind als materie te vinden is, komt geen enkele citta voor zonder een basis.

De hart-basis (hadayavatthu) is de fysieke basis voor alle citta’s behalve de twee sets 5-voudige zintuigcitta’s die hun eigen sensitiviteit als basis hebben.

De eerste pad-citta van Stroom-Intreder kan niet voorkomen in de Immateriële bewustzijnsgebieden omdat deze pad-citta afhankelijk is van het horen van de Dhamma en er dus een oorfaculteit aanwezig moet zijn.

De zeven bewustzijnselementen

IV. Compendium van het Cognitieve Proces (vithisangahavibhaga)


Opsomming van Cateogriën

De zes zessen

Binnen het cognitieve proces worden zes klassen met elk zes leden onderscheiden

  • Zes basissen (hierboven reeds behandeld)
  • Zes toegansdeuren (hierboven reeds behandeld)
  • Zes objecten (hierboven reeds behandeld)
  • Zes typen bewustzijn
  • Zes processen
  • Zesvoudige presentatie van objecten

Zes Typen Bewustzijn (citta)

  • Oog-citta
  • Oor-citta
  • Neus-citta
  • tong-citta
  • Lichaams-citta
  • Mind-citta

Zes Processen

Overeenkomstig de toegangsdeuren zijn de zes cognitieve processen:

  • Het proces verbonden met de oog-toegangsdeur
  • Het proces verbonden met de oor-toegangsdeur
  • Het proces verbonden met de neus-toegangsdeur
  • Het proces verbonden met de tong-toegangsdeur
  • Het proces verbonden met de lichaams-toegangsdeur
  • Het proces verbonden met de mind-toegangsdeur

Overeenkomstig citta zijn de zes cognitieve processen:

  • Het proces verbonden met de oog-citta
  • Het proces verbonden met de oor-citta
  • Het proces verbonden met de neus-citta
  • Het proces verbonden met de tong-citta
  • Het proces verbonden met de lichaams-citta
  • Het proces verbonden met de mind-citta

Om een cognitief proces (vīthipāta) plaats te laten vinden moeten alle essentiële condities aanwezig zijn. Voor elk type proces zijn dat:

    Oog-toegangsdeurproces
  • Oog-sensitiviteit (cakkhuppasāda)
  • Visueel object (rūpārammaṇa)
  • Licht (āloka)
  • Attentie (manasikāra)
    Oor-toegangsdeurproces
  • Oor-sensitiviteit (sotappasāda)
  • Geluid (saddārammaṇa)
  • Ruimte (ākāsa)
  • Attentie (manasikāra)
    Neus-toegangsdeurproces
  • Neus-sensitiviteit (ghānappasāda))
  • Geur (gandhārammaṇa))
  • Lucht-element (vayodhātu))
  • Attentie (manasikāra)
    Tong-toegangsdeurproces
  • Tong-sensitiviteit (jhivāppasāda)
  • Smaak (rasārammaṇa)
  • Water-element (āpodhātu)
  • Attentie (manasikāra)
    Lichaam-toegangsdeurproces
  • Lichaam-sensitiviteit (kāyappasāda)
  • Tastbaar object (phoṭṭhabbārammaṇa)
  • Aarde-element (paṭhavīdhātu)
  • Attentie (manasikāra)
    Mind-toegangsdeurproces
  • Hart-basis (hadayavatthu)
  • Mentaal object (dhammārammaṇa)
  • Levenscontinuüm (bhavaṅga)
  • Attentie (manasikāra)

Wanneer de citta’s verschijnen om een object waar te nemen verschijnen ze niet in willekeurige volgorde of geïsoleerd, maar als stappen in series van discrete cognitieve gebeurtenissen waarbij de ene citta de andere leidt in een reguliere en uniforme volgorde. Deze volgorde wordt vaste volgorde van de citta’s genoemd (cittaniyāma)

De 6 types zijn te verdelen in twee groepen, te weten:

  • Het 5-deurs toegangsproces (pañcadvāravīthi)
  • Het mind-toegangsdeurproces (manodvāravīthi)

Omdat het levenscontinuüm ook de bron is van waaruit het 5-deursproces ontstaat wordt de laatste ook wel het gemengde toegangsdeurproces genoemd (missaka-dvāravīthi). Het mind-toegangsdeurproces wordt dan het kale mindtoegangsdeur (suddha- manodvāravīthi) genoemd, omdat ze ontspruiten uit het levens-continuüm zonder tussenkomst van een zintuig-toegangsdeur.

Een compleet oog-toegangsdeur-proces

← 14 stappen proces-citta’s →
1234567891011121314151617
*********************************************************
Stroom van het levenscontinuüm
Voorafgaande levenscontinuüm (atita-bhavanga)
Vibratie v/h levenscontinuüm (bhavanga-calana)
Arrest v/h levenscontinuüm (bhavanga-upaccheda)
5-deursrichten (pañcadvārāvajjana)
Oog-citta (cakkhu-viññāna)
Ontvangen (sampaticchana)
Onderzoeken (santĩrana)
Bepalen (voṭṭhabbana)
← Impulsie (Javana →
Registreren (tadārammana)
Registreren (tadārammana)
Stroom van het levenscontinuüm

De drie *** stellen de drie submomenten voor van elk bewustzijnsmoment, te weten verschijnen (uppāda), het nu (thiti) en oplossen (bhaṅga)

De levensduur van een citta heet een mind-moment (cittakkhāna). Miljoenen mind-momenten gaan voorbij met het knipperen van je oog. Hoe kort ook, elke mind-moment bestaat weer uit drie onderdelen, zoals die hierboven zijn aangegeven. Materie heeft dezelfde opbouw qua de genoemde driedeling alleen is de materie trager. 1 mind-moment van materie staat gelijk aan 17 mind-momenten van een citta.

Zesvoudige presentatie van objecten

De zesvoudige presentatie van objecten is als volgt:

  • Bij de vijf-zintuig-toegangsdeur processen: Erg Groot; Groot; Klein; Erg Klein
  • Bij de mind-deur processen: Helder; Vaag

Gradaties van zintuig-deur objecten

1Erg Groot objectL{PVAFERIDJJJJJJJRgRg}L
2Groot objectL{PPVAFERIDJJJJJJJL}L
3L{PPPVAFERIDJJJJJJJ}L
4Klein objectL{PPPPVAFERIDDDLLLL}L
5L{PPPPPVAFERIDDDLLL}L
6L{PPPPPPVAFERIDDDLL}L
7L{PPPPPPPVAFERIDDDL}L
8L{PPPPPPPPVAFERIDDD}L
9L{PPPPPPPPPVAFERIDD}L
10Erg Klein objectL{PPPPPPPPPPVVLLLLL}L
11L{PPPPPPPPPPPVVLLLL}L
12L{PPPPPPPPPPPPVVLLL}L
13L{PPPPPPPPPPPPPVVLL}L
14L{PPPPPPPPPPPPPPVVL}L
15L{PPPPPPPPPPPPPPPVV}L
  • L = Stroom van het levenscontinuüm
  • P = voorafgaande levenscontinuüm
  • V = vibratie levenscontinuüm
  • A = arrest levenscontinuüm
  • F = 5 deurs richten
  • E = oog citta
  • R = ontvangen
  • I = onderzoeken
  • D = bepalen
  • J = Javana
  • Rg = Registratie
  • {} = levensduur van het object

Alle 15 soorten cognitieve processen kunnen plaatsvinden bij één van de 5 toegangsdeuren, wat ervoor zorgt wat het totaal aantal processen die in de 5 toegangsdeuren kunnen plaats vinden op 75 brengt.

Er zijn 7 modi en 14 verschillende bewustzijnsstaten in het cognitieve proces; 7 modi: 5-deurs richten, zintuigbewustzijn (één van vijf), ontvangen, onderzoeken, bepalen, javana en registreren; 14 staten: 7x javana en 2x registratie

Het (Vijf)-Zintuigs-deur Proces

Visayappavatti betekent de presentatie van een object aan het bewustzijn (citta) aan één van de zes toegangsdeuren. De termen groot (mahā) en klein (paritta) hebben niets te maken met de grootte van de objecten maar slaan op de impact die de objecten op het bewustzijn hebben. De impact die dan gemaakt wordt bepaalt het aantal proces-citta’s die verschijnen vanaf het moment dat het levenscontinuüm wordt gearresteerd en aldus binnen het bereik van een zintuig komt tot aan het moment dat het object weer verdwijnt. Wanneer er geen actief cognitief proces plaats vindt loopt het levenscontinuüm gewoon door als een rivier. Dit is het proces-vrije bewustzijn. Deze citta’s komen voor in diepe droomloze slaap en als er dus geen actief cognitief proces plaats vindt.

Erg Groot object

Het object verschijnt tegelijkertijd met het verschijnen van het sub-moment van het voorafgaande levenscontinuüm (atīta-bhavaṅga). Omdat het zintuigobject en het sensitieve materiaal van het zintuig (retina ingeval van het oog) beiden een levensduur hebben van 17 mind-momenten verdwijnen ze tegelijkertijd met de tweede registratie-citta. Dus dit type cognitief proces gebruikt de volle 17 mind-momenten waarvan er 14 (vanaf de 5-deurs richt citta) gerekend worden tot de eigenlijke procescitta’s. Dit cognitieve proces wordt ook wel genoemd: “Een reeks eindigend met registratie” (tadārammaṇavarā).

De verbinding met de sheet van de 6 zessen kan dan als volgt worden beschreven: wanneer een visuele vorm de oog-sensitiviteit treft (retina), verschijnt er, gedragen door de oog-basis, een oog-citta, die de visuele vorm als object neemt. Voor deze oog-citta is oogsensitiviteit (retina) zowel de basis als de toegangsdeur. De visuele vorm het object. De andere citta’s die zich voordoen (de citta’s die achtereenvolgens uitvoeren : 5-deurs richten, ontvangen, onderzoeken, bepalen, uitvoeren, javana’s en registreren) zijn vormen van mind-citta’s. Ze gebruiken dezelfde visuele vorm als object en de oog-sensitiviteit als toegangsdeur maar ze verschijnen met de ondersteuning van de hart-basis (hadayavatthu). Voor alle citta’s geldt dat het levenscontinuüm (bhavaṅga) ook gezien moet worden als een toegangsdeur. Dat betekent dat alle zintuigprocessen twee toegangsdeuren hebben, de materiële sensitiviteit (retina) als een onderscheidende toegangsdeur en het levenscontinuüm als een gemeenschappelijke deur. Omdat het specifiek in het oog is verschenen en omdat het onderscheiden wordt door oog-citta wordt het een oog-citta proces genoemd. Omdat het is verschenen met een erg krachtig object wat in staat is zich bij de retina aan te dienen nadat slechts één mind-moment voorbij is gegaan wordt het een proces genoemd met een ‘erg groot object’.

Wat nog erg belangrijk is om te snappen is dat het gehele cognitieve proces zich voltrekt zonder een zelf of een agent achter het proces of iemand die het proces aanstuurt of controleert buiten de scope van het proces zelf. De citta’s die van moment tot moment verschijnen voeren de taken die nodig zijn voor het waarnemen en kennen van het object geheel zelfstandig uit. Binnen het cognitieve proces verschijnt elke citta overeenkomstig de wetmatige volgorde van bewustzijn (cittaniyāma). Elke citta verschijnt afhankelijk van een variëteit van condities, inclusief de voorafgaande citta, het object, de toegangsdeur en een fysieke basis. Nadat het is verschenen voert het zijn unieke functie binnen het proces uit en lost daarna weer op, op die manier een conditie vormend voor de volgende citta.

Groot object

Bij deze vorm van het cognitieve proces gaan er twee of drie atīta-bhavaṅga citta’s voorbij voordat het levenscontinuüm gaat vibreren. Omdat het object en de zintuigtoegangsdeur maar 17 mind-momenten kunnen overleven, betekent dit dat de registratie-citta’s niet kunnen verschijnen. Registratie-citta’s verschijnen 2x of helemaal niet. Wanneer er twee atīta-bhavaṅga citta’s zich voordoen kunnen nog 15 citta’s er achter aan komen. Zowel het object als de zintuigdeur lossen dan op bij de eerste levenscontinuüm-citta na de javana fase. Wanneer er drie atīta-bhavaṅga citta’s zich voordoen kunnen nog 14 citta’s er achter aan komen. Zowel het object als de zintuigdeur lossen dan gezamenlijk op bij de laatste javana citta. Dit type cognitief proces wordt ook wel een “reeks eindigend met javana” genoemd (javanavāra).

Klein object

Bij deze vorm van het cognitieve proces gaan er zoveel atīta-bhavaṅga citta’s voorbij voordat het levenscontinuüm gaat vibreren, dat het niet kan overleven tot het verschijnen van de javana’s. In dat geval verschijnt de bepalen-citta voor twee of drie mind-momenten waarna terugzakken in het levenscontinuüm (bhavaṅga) plaats vindt. Afhankelijk van het aantal atīta-bhavaṅga citta’s kunnen 6 types processen zich vormen met een klein object. Dit type proces wordt ook wel een “reeks eindigend met bepalen” genoemd (votthapanavāra).

Zeer Klein object

Bij deze vorm van het cognitieve proces gaan er 10-15 atīta-bhavaṅga citta’s voorbij , daarna twee vibraties van het levenscontinuüm (bhavaṅga-calana) en daarna de citta’s van het levenscontinuüm hierop volgend. Dit type proces wordt ook wel een “nietige reeks” genoemd (moghavāra).

Er zijn dus 4 reeksen mogelijk, wanneer ook rekening wordt gehouden met de submogelijkheden binnen elke reeks praten we over 15 zintuig toegangsdeurprocessen. Omdat elk van hen kan voorkomen in de 5 zintuigdeuren zijn er dus totaal 75 zintuig-toegangsdeur-processen mogelijk.

Mind-deur Proces

Er zijn twee soorten mind-toegangsdeur processen:

  • Het beperkte of zintuig-sfeer proces (paritta-vīthi)
  • Het cognitieve proces in absorptie

Het beperkte of zintuig sfeerproces

Er zijn twee soorten zintuig processen:

  • Het vervolg op een 5-deurs toegangsproces (pañcadvārā nubhandakā). Dit worden vervolgprocessen genoemd
  • Het onafhankelijke proces (visuṃsiddhā)

Het vervolgprocessen

Pas bij de vervolgprocessen vindt de eigenlijke herkenning plaats. Die herkenning gebeurt niet bij het kale zintuigproces. Bij bijvoorbeeld een oog-toegangsdeurproces, vindt achtereenvolgens plaats:

  • Bevestigend mind toegangsdeur proces (tadanuvattikā manodvāravīthi), die in de mind een kopie maakt van het object wat net is waargenomen.
  • Een proces die het object als geheel grijpt (samudāyagāhikā)
  • Een proces die de kleur herkent (vaṇṇasallakkhanā)
  • Een proces die de entiteit herkent (vatthusallakkhaṇā)
  • Een proces die de naam grijpt (nāmagāhikā)
  • Een proces die de naam herkent (nāmasallakkhanā)

Het proces die het object als geheel grijpt is eigenlijk een fusieproces tussen de twee voorafgaande processen, te weten het oog- toegangsdeurproces en het bevestigende mind-toegangsdeurproces die als losse frames worden gezien. Al deze frames worden door het derde proces tot een geheel gesmeed. Pas hierna kan de kleur worden vastgesteld. Wanneer de kleur is vastgesteld wordt in het bewustzijn kenbaar bv “Ik zie een blauwe kleur”. Wanneer de herkenning van de entiteit plaats vindt realiseer je je de vorm. Evenzo met de naam.

Het onafhankelijke proces

Hierbij komen objecten geheel op eigen kracht binnen het bereik van de mind. Aanleidingen hiervoor kunnen zijn:

  • Het proces gebaseerd op wat direct was waargenomen, op basis van interferentie van wat net was waargenomen, gebaseerd op mondelinge overdracht of interferentie hierover, de processen gebaseerd op geloof, opinie, beredeneren, door de kracht van kamma, psychische krachten bv via een deva.
  • Het levenscontinuüm zoekt constant naar gelegenheden om daaruit te verrijzen en aldus een heldere kenbaarheid van het object mogelijk te maken. Zodra de condities voldoende gunstig zijn wordt het levenscontinuüm gearresteerd en komt het object binnen bereik voor kenbaarheid bij de mind-toegangsdeur.

Presentatie van mind-deur objecten

1Helder object (vibhūtālambana)L{VAMJJJJJJJRgRg}L
1Vaag object (avibhūtālambana)L{VAMJJJJJJJLL}L

Voor wezens in de Fijn-en Immateriële-Sfeer komen registratie-citta’s niet voor ook als is het object uitzonderlijk helder. Ledi Sayādaw stelt dat ook hier sprake is van een 4-voudige presentatie van objecten:

  • De reeks eindigend in registratie kan een erg heldere presentatie genoemd worden (ati-vibhūta)
  • De reeks eindigend in javana een heldere presentatie (vibhūta)
  • De reeks eindigend in mind-toegangsdeur richten een vage presentatie (avibhūta)
  • De reeks eindigend in de vibratie van het levenscontinuüm een erg vage presentatie (ati-avibhūta)
Samenvatting

3 modi: mind-toegangsdeur, javana en registratie; 10 bewustzijnsstaten: javana 7x, registratie 2x; 41 citta’s (- 2x 5-deurs zintuig-citta’s, - 5- deurs richten, -2x ontvangst-citta. De drie onderzoeks-citta’s vinden plaats met de functie van registratie, de bepalen-citta met de functie van mindtoegangsdeur richten.

Proces van Absorptie Javanas in de Bewustzijns-deur

Absorptie (appanā): Appanā betekent primair een hoog ontwikkelde vorm van vitakka, beginnende focus op een object, die de geassocieerde mentale staten zo diep in het object duwt, dat ze erin geabsorbeerd worden. Alhoewel vitakka niet meer aanwezig is in de jhanā’s boven de eerste, omdat de mind die jhanā is binnengegaan éénpuntig gefixeerd wordt op zijn object, wordt het begrip appanā uitgebreid tot alle meditatieve bereikingen die bij de Fijn-Materiële, Immateriële en boven-wereldse bestaansgebieden horen. Bij het voorkomen van javana’s in absorptie is er geen onderscheid tussen heldere en obscure objecten. Dit onderscheid wordt niet gemaakt in relatie tot absorptie omdat de meditatieve bereikingen alleen mogelijk zijn wanneer het object helder kan worden gearresteerd. Eveneens komt registratiebewustzijn niet voor. In dit geval verschijnt willekeurig één van de acht zintuiglijke-sfeer javana’s vergezeld van kennis (1) en stopt na vier of drie mind-momenten, in de juiste volgorde als voorbereiding (2) toegang, conformiteit en verandering-van-origine. Onmiddellijk nadat nadat ze gestopt (3) zijn in het vierde of vijfde mind-moment zoals het geval is komt één van de javana’s horend bij de 26 typen van subliem of niet wereldse javana’s, het proces van absorptie binnen in overeenstemming met de manier waarop de mind is ontwikkeld (4). Daarna aan het einde van de absorptie (5) volgt het terugzakken in het levenscontinuüm.

(1): Wanneer de meditator op het punt staat een jhāna, pad of vrucht te bereiken, verschijnt er eerst een mind toegangsdeur richt-citta. Dan, in hetzelfde cognitieve proces als de bereiking, onmiddellijk daaraan voorafgaand, vervullen een serie van zintuiglijke-sfeer javana’s hun rol en leiden de mind van het zintuiglijke bestaansgebied naar de absorptie. In het geval van een wereldburger of een trainee, zijn deze javana’s één van de vier heilzame zintuiglijke-sfeer citta’s vergezeld van kennis; in het geval van een Arahant één van de vier functionele zintuiglijke-sfeer citta’s vergezeld van kennis.

(2): Bij een individu met gemiddelde talenten vinden de voorafgaande javana’s vier keer plaats, waarbij elke javana een verschillende voorafgaande functie vervult.

  • De eerste wordt voorbereiding genoemd (parikamma) omdat het het mentale continuüm op de bereiking die gaat volgen voorbereidt.
  • De volgende wordt toegang (upacāra) genoemd omdat omdat het verschijnt in de nabijheid van de bereiking.
  • Het derde moment wordt conformiteit genoemd (anuloma) omdat het in conformiteit verschijnt met zowel het voorafgaande moment als de daaropvolgende absorptie.
  • Het vierde moment wordt verandering-van-origine (gotrabhū) genoemd. Ingeval een jhāna-bereiking krijgt het deze naam omdat de Zintuiglijke-Sfeer ‘afstamming’ overwint en opgaat in de ‘familie’ van de Nobelen (Ariya). De uitdrukking wordt weer figuurlijk gebruikt voor het transitiemoment naar de hogere paden en vruchten, alhoewel soms bij een andere naam wordt aangeduid, vodāna, wat schoonmaken betekent. De reden hiervoor is dat nadat iemand de eerste keer door de transitie is heengegaan hij al tot de familie van Nobelen behoort. Bij een individu met bijzondere talenten wordt het moment van voorbereiding (parikamma) weggelaten en er dus maar drie voorafgaande Zintuiglijke-Sfeer javana’s plaatsvinden voorafgaand aan de absorptie.

(3): Onmiddellijk na de verandering-van-origine citta als de vierde javana bij een individu met bijzondere talenten, of als de vijfde bij een individu met gemiddelde talenten, verschijnt de eerste javana citta op het niveau van de absorptie. Deze citta kan één van de vijf Fijn- Materiële-Sfeer citta’s zijn die of heilzaam of functioneel zijn (10), één van de vier Immateriële-Sfeer citta’s of heilzaam of functioneel (8), of één van de vier paden of vruchten (8). Dus bij elkaar kunnen het 26 typen zijn. Het moet nog worden opgemerkt dat in een cognitief aborptieproces, de javana-citta’s van verschillende typen kunnen zijn en zelfs afkomstig zijn van een ander bestaansgebied, terwijl in een Zintuiglijk-Sfeer proces ze alle gelijk zijn.

(4): Dit betekent dat de aborptiecitta die verschijnt geconditioneerd is door de richting die de meditator aan zijn mind geeft. Als hij wenst om de eerste jhāna te bereiken, geleidt hij zijn mind naar de eerste jhāna door de ontwikkeling van kalmte concentratie (samatha) en op dezelfde manier voor de hogere jhāna’s. Als de meditator zich richt op het bereiken van het pad en de vrucht dan geleidt hij zijn mind naar het pad en de vrucht door de ontwikkeling van inzicht (vipassanā)

(5): Na de absorptie volgt onmiddellijk terugvallen in het levenscontinuüm zonder dat er registratie-citta’s voorkomen.

De initiële Bereiking van Jhana

Gemiddelde talentenL{VAMVbToCoVoJh}LLL
Bijzondere talentenL{VAMToCoVoJh}LLLL

De bereiking van Pad en Vrucht

Gemiddelde talentenL{VAMVbToCoVoPaVrVr}L
Bijzondere talentenL{VAMToCoVoPaVrVrVr}L
  • L = Stroom van het levenscontinuüm
  • P = voorafgaande levenscontinuüm
  • V = vibratie levenscontinuüm
  • A = arrest levenscontinuüm
  • M = Mind toegangsdeur richt citta
  • Vb = Voorbereiding
  • To = Toegangs
  • Co = Conformiteit
  • Vo = Verandering van origine
  • Jh = Jhāna
  • Pa = Pad citta
  • Vr = Vrucht citta
  • {} = levensduur van het object

Correlaties in absorptie

  • Onmiddellijk na een javana vergezeld van blijdschap, kan een absorptie verwacht worden die ook vergezeld gaat van blijdschap.
  • Onmiddellijk na een javana die vergezeld gaat van gelijkmoedigheid, doet zich absorptie voor die vergezeld gaat van gelijkmoedigheid.
  • Onmiddellijk na een heilzame javana, doet zich absorptie voor door middel van een heilzame javana en de drie lagere vruchten.
  • Onmiddellijk na een functionele javana, vindt er absorptie plaats door middel van een functionele javana en de vrucht van Arahant-schap.

De bedoeling van deze passage is correlaties vast te stellen tussen de voorafgaande citta’s van het cognitieve proces die in absorptie te voorschijn komen en de absorptie-citta’s zelf. In de volgende passage wordt de gedetailleerde uitleg gegeven van de algemene principes die hier vermeld staan.

Samenvatting

Nadat heilzaam bewustzijn gevolgd door blijdschap is verschenen (1) verschijnen 32 klasses van absorptie javana’s. Na heilzaam bewustzijn vergezeld van gelijkmoedigheid (2), verschijnen er 12 klasses van absorptie javana’s. Na functioneel bewustzijn vergezeld van blijdschap (3) verschijnen acht klasses en na functioneel bewustzijn vergezeld van gelijkmoedigheid (4), verschijnen er zes klasses. Voor wereldburgers en trainees (5), vindt absorptie plaats na heilzame Zintuiglijke-Sfeer bewustzijn met drie wortels. Voor degenen die vrij zijn van lust (Arahants) (6) vindt absorptie plaats na een functionele Zintuiglijke-Sfeer bewustzijn.

Wordt vervolgd

Eens persoonlijk verder praten? Neem dan contact met ons op!

Contact


Neem contact op voor meer informatie over de meditatie of voor het maken van een afspraak.

Misschien is de stap naar meditatie nu nog te groot voor je. Overweeg dan eens om langs te komen voor een gesprek over zingeving. Wat zijn voor jou de belangrijke dingen in het leven en waar staat spanning op de boog?